RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11958614 \ VV EXPL 25-191
Vonnis in kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
[bewindvoerder] HANDELENDE ONDER DE NAAM [bedrijf 1] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE (TOEKOMSTIGE) GOEDEREN VAN [rechthebbende],
zaakdoende te [plaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari,
tegen
DE STICHTING
STICHTING WOONZORG NEDERLAND,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. P.L.T. Roks.
Partijen en de onder bewind gestelde worden hierna aangeduid als: ‘de bewindvoerder’, ‘Woonzorg’ en ‘ [rechthebbende] ’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025 met producties 1 t/m 7
- producties 8 en 9 van Woonzorg, ingekomen ter griffie op 17 november 2025
- de conclusie van antwoord van 18 november 2025 van Woonzorg.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2025, waarbij de bewindvoerder het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Vervolgens is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.
2. De feiten
[rechthebbende] huurt sinds 15 juni 2015 de woning aan het adres [adres 1] (hierna: de woning).
Bij dagvaarding van 25 oktober 2024 heeft Woonzorg een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin zij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst per 13 september 2024 ontbonden is en de ontruiming van de woning heeft gevorderd.
Bij vonnis van 11 juni 2025 met zaaknummer 11385209 CV EXPL 24-8861 heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor recht verklaard dat de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden en de ontruimingstermijn gesteld op vier maanden na betekening van dat vonnis. Ten aanzien van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft de kantonrechter het volgende overwogen:“De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals Woonzorg Nederland vordert. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen er hoger beroep tegen instelt. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere neemt.”
Woonzorg heeft het vonnis van 11 juni 2025 laten betekenen op 17 juli 2025.
De bewindvoerder heeft namens [rechthebbende] op 31 juli 2025 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.
Bij exploot van 22 augustus 2025 is aan [rechthebbende] de ontruiming van de woning tegen 26 november 2025 om 10:00 uur aangezegd.
De bewindvoerder heeft Woonzorg verzocht om de ontruiming van de woning uit te stellen in afwachting van de uitkomst van het door hem ingestelde hoger beroep. De gemachtigde van Woonzorg heeft daarop bij e-mailbericht van 23 oktober 2025 afwijzend gereageerd.
Woonzorg heeft bij e-mailbericht van 20 november 2025 aan de kantonrechter en aan de bewindvoerder te kennen gegeven dat de ontruiming van 26 november 2025 is geannuleerd in afwachting van dit vonnis.
3. De vordering en het verweer
De bewindvoerder vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Woonzorg te verbieden om op basis van het vonnis van 11 juni 2025 met zaaknummer 11385209 CV EXPL 24-8861 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, over te gaan tot ontruiming van de woning dan wel de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis te staken en gestaakt te houden, althans gedurende de tijd dat het hoger beroep daartegen nog loopt, althans gedurende een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag na betekening van het te wijzen vonnis;
II. Woonzorg te veroordelen in de proceskosten.
De bewindvoerder legt aan zijn vordering ten grondslag dat de kantonrechter de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 11 juni 2025 niet heeft gemotiveerd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in dit executiegeschil de belangen van partijen moet afwegen. De belangenafweging dient in het voordeel van [rechthebbende] uit te vallen, nu hij een groot belang heeft bij behoud van de bestaande toestand. Als de ontruiming doorgaat, is zeker dat de woning niet meer voor hem beschikbaar zal zijn als hij in hoger beroep gelijk krijgt. Bovendien is de kans groot dat hij na ontruiming direct thuis- en dakloos raakt en in een (medische, persoonlijke) noodtoestand zal verkeren.
Woonzorg voert als verweer aan dat de kantonrechter in het vonnis van 11 juni 2025 de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wel heeft gemotiveerd. Voor zover dat niet wordt aangenomen, geldt dat haar belang bij ontruiming van de woning zwaarder weegt dan het belang van [rechthebbende] bij (voorlopig) behoud van de woning.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit een gegeven. Bovendien heeft Woonzorg de ontruiming aangezegd tegen 26 november 2025. De bewindvoerder is dus ontvankelijk in zijn vordering.
Toetsingskader
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bewindvoerder tegen het vonnis van 11 juni 2025 hoger beroep heeft ingesteld. Uitgangspunt is dat een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard direct ten uitvoer kan worden gelegd zonder dat de uitkomst van het hoger beroep hoeft te worden afgewacht. De kantonrechter heeft het vonnis van 11 juni 2025 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Omdat deze beslissing niet (expliciet) is gemotiveerd, zoals door de bewindvoerder terecht is gesteld, kan afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de bewindvoerder bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). De gedachte hierachter is onder meer dat moet worden aangenomen dat nog geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter in het executiegeschil dient deze afweging daarom alsnog te maken. Hierbij moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag.
Kennelijke misslag
Over een juridische of feitelijke misslag is door de bewindvoerder niets gesteld en daarvan is evenmin gebleken. Een nadere beoordeling op dit punt kan daarom achterwege blijven.
Belangenafweging
In het vonnis van 11 juni 2025 is reeds overwogen dat Woonzorg niet hoeft te dulden dat haar woning wordt gebruikt voor drugshandel. Zij is een woningstichting die werkzaam is op het gebied van de volkshuisvesting. In dat kader is zij gehouden om onder meer te waken voor de leefbaarheid in de wijken waarin haar woningen zijn gelegen. Dit geldt temeer nu zij een seniorenhuisvester is. Juist die doelgroep heeft belang bij een leefbare, veilige en rustige woonomgeving. Wanneer in een woning in een dergelijke omgeving een grote hoeveelheid drugs en andere drugshandel gerelateerde zaken worden aangetroffen, komt de leefbaarheid in de wijk en het seniorencomplex sterk onder druk te staan.
De bewindvoerder heeft aangevoerd dat niet [rechthebbende] , maar een ander die tijdelijk bij hem inwoonde vanuit de woning heeft gedeald. [rechthebbende] was dan ook niet bekend met de aanwezigheid van drugs in de woning. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet van belang. Vast staat dat [rechthebbende] de woning aan een derde ter beschikking heeft gesteld en dat hij als huurder verantwoordelijk was voor wat er in de woning gebeurde en wat daar aanwezig was. Daar komt bij dat Woonzorg en [rechthebbende] al in 2022 afspraken hadden gemaakt over het stoppen van overlast.
De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat de ontruiming van de woning ingrijpende gevolgen voor [rechthebbende] zal hebben. Niet alleen zal hij hangende het hoger beroep zijn woning definitief kwijt raken, ook als hij in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, maar ook zal de bewindvoering hierdoor niet goed verlopen. De ambulant begeleider van [rechthebbende] heeft daarnaast verklaard dat in geval van ontruiming het niet meer haalbaar zal zijn om aan de met [rechthebbende] gestelde ontwikkelingsdoelen te werken (productie 9 akte bewindvoerder). Verder is blijkens de schriftelijke verklaring van de huisarts de gezondheid van [rechthebbende] verslechterd (productie 8 dagvaarding). Door de ontruiming zal [rechthebbende] dan ook in een (persoonlijke en medische) noodtoestand terechtkomen, aldus de bewindvoerder.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze (persoonlijke) omstandigheden van [rechthebbende] onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Het feit dat [rechthebbende] gedurende de woningsluiting uit huis moest, wijst erop dat hij zes maanden elders heeft kunnen verblijven. Weliswaar was dit volgens de bewindvoerder slechts tijdelijk, terwijl de ontruiming op een permanente situatie ziet, maar dit laat onverlet dat [rechthebbende] wel onderkomen had. Woonzorg heeft verder gewezen op de mogelijkheid van alternatieve woonruimten, zoals antikraak wonen en kamerhuur. Niet is gebleken dat [rechthebbende] , naast reguliere sociale huurwoningen, ook daarnaar heeft gezocht, terwijl hij al sinds 13 september 2024 op de hoogte was van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Ter zitting is verder besproken dat [rechthebbende] in aanmerking kan komen voor een kamer in het gebouw naast het seniorencomplex van Woonzorg. [rechthebbende] is voor het volgen van het hulpverleningstraject en voor het gunstig verlopen van de bewindvoering dan ook niet afhankelijk van de onderhavige woning, nu deze vormen van begeleiding ook op een andere plek doorgang kunnen vinden. Een persoonlijke noodtoestand wordt dan ook niet aangenomen. Dat de ontruiming zal leiden tot een medische noodtoestand gelet op de verslechterde gezondheid van [rechthebbende] , is evenmin gebleken. Zo volgt dit niet uit de brief van de huisarts. Het had op de weg van de bewindvoerder gelegen om ter onderbouwing dat bij ontruiming een medische noodtoestand dreigt, verklaringen te overleggen van de specialisten bij wie [rechthebbende] onder behandeling is.
Geconcludeerd wordt dan ook dat de belangen van [rechthebbende] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaar genoeg wegen om af te wijken van het uitgangspunt dat Woonzorg een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer mag leggen. De vordering van de bewindvoerder zal worden afgewezen.
De bewindvoerder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonzorg worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
5. De beslissing
De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
wijst de vordering van de bewindvoerder af,
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
46409/66349