RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/010362-24
Datum uitspraak : 24 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsvrouw: mr. F.Tosun, advocaat in Zaandam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 januari 2025.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot
en met 14 december 2023 te Nijmegen,
met [slachtoffer] , geboren op 12 oktober 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar
nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
te weten
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina
en/of tussen de schaamlippen en/of in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over, althans het betasten van de clitoris en/of de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het zich door die [slachtoffer] laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het brengen van het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het likken en/of betasten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het kussen en/of zoenen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot
en met 14 december 2023 te Nijmegen, in elk geval in Nederland,
door giften en/of beloften van geld en/of goed, misbruik van uit feitelijke
verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding,
te weten door het aanbieden/verstrekken en/of beloven van een of meer joints
en/of vapes en/of sigaretten en/of geld in ruil voor seks en/of door misbruik te
maken van het aanzienlijke leeftijdsverschil, [slachtoffer] , geboren op 12 oktober 2009,
die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen
ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, door
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina
en/of tussen de schaamlippen en/of in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over, althans het betasten van de clitoris en/of de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het zich door die [slachtoffer] laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het brengen van het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het likken en/of betasten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het kussen en/of zoenen van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 179-187;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 137-138;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 januari 2025.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte en de 14-jarige [slachtoffer] drie keer in Nijmegen hebben afgesproken en dat op de laatste twee afspraken de ten laste gelegde ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht bewezen dat die twee afspraken in de periode van 1 november 2023 tot en met 14 december 2023 hebben plaatsgevonden.
Feit 2
Verdachte heeft bekend in de periode van 1 november 2023 tot en met 14 december 2023 de ten laste gelegde ontuchtige handelingen te hebben verricht met de 14-jarige [slachtoffer] . Deze handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij de minderjarige [slachtoffer] heeft verleid deze ontuchtige handelingen te verrichten en toe te laten, door haar joints, vapes, sigaretten en geld aan te bieden en te beloven in ruil voor seks en misbruik te maken van het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hen.
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van de belofte van geld. De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het dossier niet blijkt dat sprake is geweest van verleiding. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat verdachte [slachtoffer] geld of goederen heeft aangeboden in ruil voor seks, dan wel dat sprake was van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.
De rechtbank overweegt dat vooropgesteld dient te worden dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In het geval als het onderhavige, waarin de verklaringen van het slachtoffer en verdachte tegenover elkaar staan, dient de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer te beoordelen en te bepalen of voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Vaststaat dat verdachte en [slachtoffer] elkaar drie keer hebben ontmoet, waarbij het tijdens de tweede en derde ontmoeting tot seksuele handelingen is gekomen. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij de eerste en de laatste keer alleen met verdachte heeft afgesproken, omdat hij haar een vape en een joint beloofde. De reden dat zij bij hem in de auto stapte, was om te blowen. Verdachte nam altijd joints mee. Zij vroeg ook aan hem of hij het meenam. Als hij het niet bij zich had, zou ze er niks aan hebben, aldus [slachtoffer] . Zij verklaarde dat verdachte tijdens hun tweede ontmoeting boos werd, omdat zij stopte hem te pijpen. Verdachte zou toen hebben geschreeuwd dat hij haar ook dingen gaf en zij daar iets voor terug moest doen. Daarmee bedoelde verdachte volgens [slachtoffer] dat hij haar joints gaf.
De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van [slachtoffer] authentiek overkomen. Haar verklaring vindt ten aanzien van de ontmoetingen en de seksuele handelingen ook steun in de bekennende verklaring van verdachte. Verdachte ontkent echter stellig dat hij [slachtoffer] heeft verleid tot deze ontuchtige handelingen door haar joints en vapes te beloven in ruil voor seks. Volgens verdachte vond het seksueel contact geheel vrijwillig plaats.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende redengevend steunbewijs om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen. Integendeel, in het dossier ziet de rechtbank contra-indicaties voor de verklaring van [slachtoffer] op dit punt. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de verklaring van [slachtoffer] , dat zij de eerste en de laatste keer alleen met verdachte afsprak, omdat hij haar een vape en een joint beloofde, volgt niet dat verdachte haar deze goederen beloofde in ruil voor seksuele handelingen. Uit de screenshots van Snapchat-berichten die verdachte en [slachtoffer] op 14 december 2023 voorafgaand aan hun afspraak naar elkaar stuurden, kan bovendien niet worden afgeleid dat verdachte haar een joint heeft aangeboden. Pas nadat verdachte aangaf dat hij wegreed, vroeg [slachtoffer] of zij een aansteker moest meenemen en of hij een joint bij zich had. Dat zij elkaar zouden ontmoeten, was op het moment dat zij de vraag over de joint stelde, kennelijk al afgesproken. De rechtbank leidt hieruit af dat het tot stand komen van deze derde ontmoeting niet afhankelijk was van de omstandigheid dat verdachte een joint mee zou nemen. Daar komt bij dat [slachtoffer] uitvoerig heeft verklaard hoe zij aan haar vapes en joints kon komen. Hieruit blijkt dat zij daarvoor niet afhankelijk was van verdachte.
Ten aanzien van het verwijt dat verdachte misbruik zou hebben gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht overweegt de rechtbank als volgt. Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond een leeftijdsverschil van vijf jaar. Weliswaar was sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt uit niets in het dossier dat dit leeftijdsverschil tussen hen ertoe heeft geleid dat [slachtoffer] de seksuele handelingen heeft verricht of geduld.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende (steun)bewijs bevat dat verdachte geld of goederen heeft aangeboden in ruil voor seks en evenmin dat hij misbruik heeft gemaakt van het leeftijdsverschil om [slachtoffer] ertoe te bewegen ontuchtige handelingen te verrichten en te dulden. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde en zal verdachte hiervan vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot
en met 14 december 2023 te Nijmegen,
met [slachtoffer] , geboren op 12 oktober 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar
nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
te weten
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina
en/of tussen de schaamlippen en/of in de mond van die [slachtoffer] en/of
- het wrijven over, althans het betasten van de clitoris en/of de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het zich door die [slachtoffer] laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het brengen van het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, blote penis en/of
- het likken en/of betasten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het kussen en/of zoenen van die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor beide feiten tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte voor feit 1 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk aan het voorarrest en daarnaast een taakstraf voor de duur van 120 uren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de 14-jarige [slachtoffer] . Daarbij is sprake geweest van het seksueel binnendringen van haar lichaam. Verdachte was op dat moment 19 jaar oud. Via Snapchat zijn verdachte en het slachtoffer met elkaar in contact gekomen en uiteindelijk is het tot drie ontmoetingen gekomen, waarbij tijdens de tweede en derde ontmoeting over en weer seksuele handelingen zijn verricht.
Vanwege haar jonge leeftijd bevond het slachtoffer zich in een kwetsbare positie. Minderjarigen moeten zich veilig kunnen ontwikkelen op seksueel gebied. Daartoe dienen zij ook beschermd te worden tegen zichzelf, aangezien zij de gevolgen op lange termijn niet kunnen overzien. De inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer kan een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Dat een dergelijke inbreuk langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van het slachtoffer is een feit van algemene bekendheid. Om die reden heeft de wetgever ervoor gekozen het plegen van seksuele/ontuchtige handelingen met jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren strafbaar te stellen.
De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte ter zitting inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en daarmee verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Hij heeft verklaard in te zien dat hij straf verdient voor wat hij heeft gedaan.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 8 juli 2024 dat is opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt dat verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een meewerkende en open houding heeft getoond. Hij heeft zijn leven op orde en er zijn geen aanwijzingen voor problemen op het gebied van impulsbeheersing of probleemoplossende vaardigheden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor structurele problemen op het gebied van seksualiteit. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering ziet onvoldoende aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies en adviseert aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een taakstraf van 150 uren passend. Deze straf is lager dan de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 2.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en deze een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces. Niet kan worden gesteld dat de gevorderde immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Reeds voor de betrokkenheid van verdachte was het slachtoffer immers een kwetsbaar meisje met aanzienlijke problematiek. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 500,00.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het behandelverslag dat bij de vordering is gevoegd, volgt dat bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit dit verslag volgt echter ook dat de benadeelde, in de periode waarin de bewezen verklaarde handelingen hebben plaatsgevonden, zich in een loverboycircuit bevond. Dit is door haar vader ter zitting ook toegelicht. Hieruit volgt dat reeds voor de ontmoetingen met verdachte gebeurtenissen hadden plaatsgevonden die hebben bijgedragen aan de problematiek van de benadeelde.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de volledige gevorderde immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat ook door het handelen van verdachte immateriële schade is geleden in de vorm van psychisch letsel. Daarmee staat vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.000,00 vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 14 december 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde 17 dagen, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. M.J.M. Krabbe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2025.
mr. M.J.M. Krabbe en mr. L.L.M. van Schaik zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen