RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/281587-24
Datum uitspraak : 17 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de [detentieplaats].
Raadsman: mr. B. Hartman, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek, in het openbaar, althans op een voor het publiek zichtbare plek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen en/of voertuigen van zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de locatiegegevens van die [slachtoffer] heeft achterhaald middels het plaatsen van een tracker op de auto van die [slachtoffer],
- zich enige tijd op het bedrijventerrein van die [slachtoffer] heeft opgehouden,
- op die [slachtoffer] af is gerend nadat [slachtoffer] de deur van zijn vrachtwagen geopend had,
- de deur van die vrachtwagen open heeft getrokken,
- twee maal pepperspray in de richting van het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten,
- het trapje van de vrachtwagen op is geklommen,
- aan een been van die [slachtoffer] heeft gehangen,
- de trui van die [slachtoffer] vast heeft gegrepen en aan de trui heeft gehangen, en/of
- gedurende één tot twee minuten, althans enige tijd, aan het been en/of de trui van [slachtoffer] heeft getrokken en/of gehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 284-285;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 315-322;
- het rapport Forensisch DNA-onderzoek, p. 440;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2025.
De rechtbank overweegt dat voor medeplegen een dubbel opzetvereiste geldt: het opzet op de onderlinge samenwerking en het opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit dubbele opzet ligt besloten in de voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op het wegnemen van het geld. Verdachte en zijn medeverdachte zijn met dit doel gezamenlijk naar het bedrijventerrein van [slachtoffer] toe gereden en uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat zij in een nauwe en bewuste samenwerking de geweldshandelingen jegens [slachtoffer] hebben verricht. Er is daarom sprake van medeplegen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek, in het openbaar, althans op een voor het publiek zichtbare plek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen en/of voertuigen van zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de locatiegegevens van die [slachtoffer] heeft achterhaald middels het plaatsen van een tracker op de auto van die [slachtoffer],
- zich enige tijd op het bedrijventerrein van die [slachtoffer] heeft opgehouden,
- op die [slachtoffer] af is gerend nadat [slachtoffer] de deur van zijn vrachtwagen geopend had,
- de deur van die vrachtwagen open heeft getrokken,
- twee maal pepperspray in de richting van het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten,
- het trapje van de vrachtwagen op is geklommen,
- aan een been van die [slachtoffer] heeft gehangen,
- de trui van die [slachtoffer] vast heeft gegrepen en aan de trui heeft gehangen, en/of
- gedurende één tot twee minuten, althans enige tijd, aan het been en/of de trui van [slachtoffer] heeft getrokken en/of gehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevraagd om aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden.
Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende een contactverbod met aangever en een locatieverbod rondom de woning van aangever, waarbij voor elke overtreding de vervangende hechtenis dient te worden bepaald op 1 week. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de afwezigheid van feitelijke vaststellingen ten aanzien van de voorbereiding en de ondergeschikte rol van verdachte in de uitvoering een strafmatigende werking hebben. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de wijze waarop verdachte betrokken is geraakt bij het feit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot een overval op een vrachtwagen waarbij geweld is gebruikt. Het slachtoffer werd ongemerkt al langere tijd in de gaten gehouden en op 28 februari 2024 is hij ’s nachts op zijn eigen bedrijventerrein door de twee verdachten aangevallen, waarbij ze hem uit de vrachtwagen probeerden te trekken en waarbij twee keer pepperspray in zijn gezicht werd gespoten. Verdachten hebben hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Uit de voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken hoeveel impact het feit op het slachtoffer en zijn familie heeft gehad. Het slachtoffer is sindsdien continu op zijn hoede en hij is angstig dat het opnieuw zal gebeuren.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde herhaaldelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Daarnaast is gebleken dat verdachte het bewezen verklaarde heeft gepleegd binnen een proeftijd. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
De reclassering rapporteert op 27 december 2024 dat zij bij verdachte enig probleeminzicht in relatie tot het feit constateren, maar dat ze nog te weinig probleembesef en mogelijk overschatting ten aanzien van een delict vrije toekomst zien. Verdachte heeft geen werk en hij kwam eerder in aanraking met een negatief sociaal netwerk dat hem onder druk zette. De reclassering sluit niet uit dat dit na detentie opnieuw zal gebeuren. Vanwege de geconstateerde risico’s en de instabiliteit op verschillende leefgebieden, adviseren zij een plan van aanpak om de risico’s beter te kunnen duiden en daar waar mogelijk te werken aan recidivebeperking. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, bestaande uit: een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, diagnostiek en behandeling (indien nodig), dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Alles afwegende, en rekening houdend met het LOVS-oriëntatiepunt voor een overval op een vrachtwagen waarbij sprake is van meer geweld dan licht geweld of een bedreiging, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Een andere of lichtere straf zou geen recht doen aan de ernst van het feit en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer.
De rechtbank vindt het van belang dat verdachte met de reclassering aan de slag gaat om recidive te kunnen beperken. De officier van justitie heeft gevraagd om de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 05-328902-21. De rechtbank zal daarvan de proeftijd met één jaar verlengen en daaraan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden.
Ook zal de rechtbank een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor het woon- en werkadres van aangever voor de duur van drie jaar in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarbij wordt voor elke overtreding de vervangende hechtenis bepaald op één week. De rechtbank legt deze maatregel op ter voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en er nog steeds signalen zijn dat men het slachtoffer iets wil aandoen. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.925,52 aan materiële schade, bestaande uit € 110,52 voor kleding en € 1.815 voor het plaatsen van een beveiligingssysteem. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 5.000 aan immateriële schade. Alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanleggen van het beveiligingssysteem indirecte schade betreft die niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast acht de verdediging de vordering tot immateriële schade aan de hoge kant. De verdediging stelt dat een bedrag van € 3.000 de bovengrens vormt in een zaak als deze.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadepost met betrekking tot de kleding niet is betwist. De schadepost voor de kleding is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding tot een hoogte van € 110,52 kan worden toegewezen.
Met betrekking tot de kosten voor het plaatsen van het beveiligingssysteem is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De benadeelde is ’s nachts, op zijn eigen bedrijventerrein, door twee verdachten aangevallen, waarbij geweld is gebruikt en aangever zich hevig heeft moeten verweren om te voorkomen dat ze iets van hem zouden meenemen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 28 februari 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging 05-328902-21
De politierechter heeft verdachte op 28 juni 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen nu deze ziet op een totaal ander feit.
Zoals benoemd bij de overwegingen ten aanzien van de straf ziet de rechtbank aanleiding om de bij die eerdere veroordeling vastgestelde proeftijd met één jaar te verlengen en daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering en zoals hieronder in het dictum vermeld.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat verdachte gedurende een periode van drie jaar:
o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], [geboortedatum], wonende op [adres];
o zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het woonadres van [slachtoffer], [adres];
o zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het werkadres van [slachtoffer], [adres].
beveelt dat vervangende hechtenis van 1 week wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer
verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter van 28 juni 2023 met 1 jaar;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Verdachte zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (088 804 1401). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Verdachte werkt, indien de reclassering dit nodig acht, bijvoorbeeld na het afronden van de gedragsinterventie mee aan diagnostiek en mogelijk voortvloeiende behandeling bij een forensische polikliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
mr. Baauw is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.