RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer: 05.112567.24
Datum uitspraak : 8 augustus 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres]
.
Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 43.315,66.
2. De procedure
De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting aangepast en heeft gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 43.365,66. Volgens de officier dient
€ 100,00 in mindering te worden gebracht, omdat zaaksdossier 5 niet ten laste is gelegd. Daarnaast moet de vordering worden aangepast, nu sprake is van medeplegen in zaaksdossier 7. In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel werd uitgegaan van alleen verdachte als pleger. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier daarmee heeft bedoeld dat € 150,00 in mindering (en niet in meerdering, zoals opgenomen in het requisitoir) moet worden gebracht op de vordering van verdachte.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het voordeel op een lager bedrag dient te worden vastgesteld. Inzake [aangever 5] en [aangever 6] (zaak 1 en zaak 13) heeft de raadsman aangevoerd dat niet op basis van het dossier kan worden geconcludeerd dat de gelden pondspondsgewijs zijn verdeeld. Verder heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting producties overgelegd met geldstromen. Hieruit zou volgens de raadsman blijken dat veroordeelde ten aanzien van aangevers [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 6] slechts een gering voordeel heeft genoten.
De raadsman heeft aangevoerd dat van de volgende verdeling moet worden uitgegaan.
3. De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft op 8 augustus 2025 tegen veroordeelde vonnis gewezen, waarbij veroordeelde ter zake van (onder meer) medeplegen van afdreiging is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen en op het vonnis dat heden tegen veroordeelde is gewezen.
De rechtbank is in het vonnis niet tot een bewezenverklaring gekomen van zaak 3 ( [aangever 7] ), zaak 6 ( [aangever 8] ) en zaak 10 ( [aangever 9] ). Voor deze zaken zal de rechtbank dan ook geen bedragen in rekening brengen. Datzelfde geldt voor zaak 5, nu deze niet is opgenomen in de tenlastelegging.
Ten aanzien van zaak 1 ( [aangever 5] ) heeft de rechtbank vastgesteld dat een bedrag van € 17.539,00 door aangever is gestort op rekeningnummers op naam van veroordeelde. De rechtbank heeft niet bewezen geacht dat sprake was van medeplegen. De rechtbank concludeert daarom dat veroordeelde ten aanzien van zaak 1 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 17.539,00.
Ten aanzien van zaak 2 ( [aangever 1] ) en zaak 7 ( [aangever 2] ) geldt dat de vordering niet is betwist en reeds in het vonnis is geoordeeld dat de bedragen op de rekeningen van veroordeelde zijn gestort en dat in deze zaken sprake is van medeplegen. Veroordeelde heeft daarom beschikkingsmacht gehad over deze bedragen en zij heeft deze bedragen gedeeld met de medepleger. De rechtbank concludeert dat veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van de helft van de afgedreigde bedragen in zaak 2 en zaak 7, te weten een bedrag van € 250,- en een bedrag van € 150,00.
Ten aanzien van zaak 8 ( [aangever 3] ) geldt dat uit het vonnis is gebleken dat veroordeelde slechts een beperkte pleegperiode betrokken was bij dit feit, namelijk de periode van 24 januari 2023 tot en met 31 maart 2023. In deze periode is er € 6.140,00 gestort op twee rekeningnummers die op naam van de veroordeelde(n) staan. Over dit bedrag hebben veroordeelde en de mededader beschikkingsmacht gehad. Hoe dit geld precies is verdeeld tussen veroordeelde en de mededader, kan noch op basis van het procesdossier, noch op basis van de door de raadsman overgelegde productie worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling van dit bedrag en stelt het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 3.070,00.
Ten aanzien van zaak 11 ( [aangever 4] ) geldt dat uit het vonnis is gebleken dat veroordeelde de gehele pleegperiode betrokken was bij deze zaak als medepleger. Aangever heeft € 3.200,00 overgemaakt aan rekeningnummers op naam van de veroordeelde en de mededader, maar de Rabobank heeft hiervan € 1.300,00 tegengehouden, waardoor veroordeelde en de mededader de beschikkingsmacht hebben gehad over € 1.900,00. Hoe dit geld precies is verdeeld tussen haar en de mededader, kan noch op basis van het procesdossier, noch op basis van de door de raadsman overgelegde productie worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling van dit bedrag en stelt het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 950,00.
Ten aanzien van zaak 13 ( [aangever 6] ) geldt dat uit het vonnis is gebleken dat veroordeelde samen met haar mededader de aangever heeft afgedreigd. Uit de door de raadsman overgelegde productie tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan slechts worden vastgesteld dat aangever € 300,00 heeft overgemaakt aan veroordeelde en dat er daarna € 200,00 is gepind met haar bankpas. Wat er met het gepinde geld is gebeurd, blijkt niet uit de stukken. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een bepaalde verdeling tussen veroordeelde en haar mededader. De rechtbank zal daarom uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling van dit bedrag en stelt het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 150,00.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende bedragen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 22.109,00 en zal haar veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
De rechtbank zal de toegekende vorderingen benadeelde partijen niet in mindering brengen op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond van artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht kunnen dergelijke vorderingen alleen in mindering worden gebracht voor zover deze zijn voldaan. Die situatie doet zich hier niet voor.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 22.109,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 442 dagen.
Aldus gegeven door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. A. Bril en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 augustus 2025.
Mrs. Sno, Leen en Witteveen zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.