RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer: 05.398734.24
Datum uitspraak : 8 augustus 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de P.I. [P.I.] .
Raadsman: mr. G.F. Schadd, advocaat in Arnhem.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 62.015,66.
2. De procedure
De officier van justitie heeft ter terechtzitting haar vordering aangepast, in die zin dat het gevorderde bedrag dient te worden vastgesteld op € 43.515,66. Volgens de officier dient het gehele bedrag ten aanzien van zaak 14 ( [aangever 1] ) in mindering te worden gebracht op het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel, nu het dossier geen aanleiding geeft om aan te nemen dat verdachte dit voordeel heeft genoten. Daarnaast heeft de officier aangegeven dat er € 150,00 bijkomt, nu ook verdachte (en niet alleen de medeverdachte) betrokken is geweest in zaak 7 ( [aangever 2] ).
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een aanzienlijk lager voordeel heeft genoten dan de officier van justitie stelt. De bedragen ten aanzien van zaak 1 ( [aangever 3] ) en zaak 14 ( [aangever 1] ) moeten volgens de raadsman in mindering worden gebracht gelet op de bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft verdachte volgens de raadsman ten aanzien van zaak 8 ( [aangever 4] ) slechts € 25.150,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel genoten.
3. De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft op 8 augustus 2025 tegen veroordeelde vonnis gewezen, waarbij veroordeelde ter zake van (onder meer) medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen en op het vonnis dat heden tegen veroordeelde is gewezen.
Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de politie Oost-Nederland, District Gelderland-Midden, opgemaakte berekening.
Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel gaat uit van de onderstaande berekening:
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de vermelde strafbare feiten. De rechtbank komt echter tot een ander totaalbedrag dan de officier van justitie op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
De rechtbank heeft reeds in het vonnis geoordeeld dat er geen bewezenverklaring volgt voor zaak 1 ( [aangever 3] ) en zaak 14 ( [aangever 1] ). Deze bedragen zal de rechtbank daarom in mindering brengen. Ook het bedrag ten aanzien van zaak 3 ( [aangever 6] ) zal in mindering worden gebracht, nu niet is komen vast te staan dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad. Daarnaast zal de rechtbank het bedrag dat is gekoppeld aan zaak 5 in mindering brengen, nu deze niet is opgenomen in de tenlastelegging.
Ten aanzien van zaak 6 ( [aangever 7] ) en zaak 10 ( [aangever 8] ) is komen vast te staan dat verdachte geen medepleger was, maar een pleger. De rechtbank zal daarom het gehele benadelingsbedrag in deze zaken meewegen als wederrechtelijk verkregen voordeel door verdachte.
Ten aanzien van zaak 7 ( [aangever 2] ) geldt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte als medepleger moet worden aangemerkt. Daarom wordt ten aanzien van deze zaak een bedrag van € 150,00 in meerdering gebracht.
Ten aanzien van zaak 8 ( [aangever 4] ) heeft de rechtbank reeds in het vonnis vastgesteld dat een bedrag van € 32.199,00 op rekeningnummers van anderen dan verdachte en zijn medeverdachte terecht is gekomen. Uit het dossier volgt niet dat verdachte daadwerkelijk beschikkingsmacht over dit bedrag heeft gehad en daarom zal dit in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het dossier blijkt verder dat er € 36.173,00 op rekeningnummers van verdachte en zijn medeverdachte is gestort door [aangever 4] . Het zou echter, gezien de bekentenis van verdachte en het procesdossier, geen recht doen aan de werkelijkheid om dit bedrag pondspondsgewijs te verdelen over de verdachte en zijn medeverdachte in deze zaak. Uit het procesdossier volgt pas een betrokkenheid van de medeverdachte in dit dossier vanaf 24 januari 2023. De rechtbank verwijst in dat kader naar de WhatsApp-gesprekken tussen veroordeelde en de medeveroordeelde die beginnen op 24 januari 2023. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen van een eerdere betrokkenheid van de medeveroordeelde.
In de periode van 8 november 2022 tot en met 30 december 2022 is er € 30.033,00 gestort door [aangever 4] op het Litouwse rekeningnummer [rekeningnummer 1] . De rechtbank zal dit bedrag meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel dat geheel aan verdachte is toegekomen. Daarnaast is op 24 januari 2023 € 850,00 overgemaakt door [aangever 4] aan het rekeningnummer [rekeningnummer 2] , maar dit is direct teruggestort omdat de rekening geblokkeerd was. Dit bedrag zal de rechtbank daarom buiten beschouwing laten.
In de periode na 24 januari 2023 is € 4.140,00 overgemaakt aan [rekeningnummer 3] , dit rekeningnummer staat op naam van de medeverdachte in deze zaak. Ook is er € 2.000,00 overgemaakt aan [rekeningnummer 4] op naam van ‘ [medeverdachte] ’. Nu noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken hoe deze laatste twee bedragen zijn verdeeld over de medeverdachten, zal de rechtbank bij dit onderdeel van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling van
€ 3.070,00 per persoon. Dit betekent dat de rechtbank concludeert dat verdachte ten aanzien van aangever [aangever 4] een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van in totaal
€ 33.103,00.
Ten aanzien van zaak 11 ( [aangever 9] ) geldt dat reeds uit het vonnis is gebleken dat verdachte de gehele pleegperiode betrokken was bij deze zaak als medepleger. Aangever heeft € 3.200,00 overgemaakt aan rekeningnummers op naam van verdachten, maar de Rabobank heeft hiervan € 1.300,00 tegengehouden, waardoor verdachten de beschikkingsmacht hebben gehad over € 1.900,00. De rechtbank zal uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling van dit bedrag, nu niet is gebleken dat moet worden uitgegaan van een andere verdeling, en stelt het door verdachte genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 950,00.
Om voorgaande redenen gaat de rechtbank daarom uit van de volgende bedragen.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 38.853,00 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
De rechtbank zal de toegekende vorderingen benadeelde partijen niet in mindering brengen op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond van artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht kunnen dergelijke vorderingen alleen in mindering worden gebracht voor zover deze zijn voldaan. Deze situatie doet zich hier niet voor.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 38.853,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 777 dagen.
Aldus gegeven door mr. A. Bril (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 augustus 2025.
Mrs. Sno, Leen en Witteveen zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.