RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer: 05.112562.24
Datum uitspraak : 8 augustus 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres]
.
Raadsman: mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat in Den Bosch.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 6.879,66.
2. De procedure
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat er € 100,00 euro in mindering wordt gebracht nu zaaksdossier 5 niet is meegenomen in de tenlastelegging. Derhalve wordt het voordeel door de officier van justitie geschat op € 6.779,66.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat er in de ontnemingszaak van verdachte hoogstens een bedrag van € 333,33 kan worden ontnomen als wederrechtelijk verkregen voordeel nu verdachte twee Tikkies met een totaalbedrag van € 1.000,00 heeft verstuurd, welke zijn doorgestuurd en betaald door aangever. Dit bedrag dient vervolgens verdeeld te worden over de drie verdachten in deze zaak.
3. De beoordeling van de vordering
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de onderliggende strafzaak op 8 augustus 2025 integraal is vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, gelet op de vrijspraak in de onderliggende strafzaak, in de vordering tot ontneming niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vervolging van verdachte heeft niet tot een veroordeling geleid en het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit staat aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg (zie Hoge Raad
17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
4. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gewezen door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. A. Bril en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 augustus 2025.
Mrs. Sno, Leen en Witteveen zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.