ECLI:NL:RBGEL:2025:10671

ECLI:NL:RBGEL:2025:10671, Rechtbank Gelderland, 03-09-2025, 226891

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 03-09-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 226891
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0008804

Samenvatting

Voorwaardelijke geldboete van € 750 in verband met voorhanden hebben wapens en munitie. Twee busjes pepperspray, een patroonmagazijn en vier volmantelpatronen aangetroffen in keukenkastje woning. Gelet op zichtbaarheid en locatie van aantreffen, was verdachte zich hiervan bewust (wetenschap). Rekening gehouden met overschrijding redelijke termijn. Daarnaast vrijspraak (gewoonte)witwassen. Enkelvoudige kasopstelling (EKO) zoals aangedragen door het OM is niet bruikbaar voor het bewijs. Geen sprake van een economische eenheid tussen alle betrokken verdachten. De rechtbank kan op basis van de berekening van het OM niet vaststellen dat sprake was van een voorwerp van witwassen in de vorm van onverklaarbaar vermogen (min-post). Het is niet aan de rechtbank om de EKO die ten grondslag ligt aan de verdenking van het OM dusdanig ingrijpend te wijzigen. Dit zou bovendien in strijd zijn met de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/226891-22 en 05/180048-22

Datum uitspraak : 3 september 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

Raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat te Schiphol.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 05/226891-22

Zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 oktober 2019 te Nijmegen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- ( telkens) een voorwerp, danwel een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van (in totaal) ongeveer 411.846 euro, althans (telkens) een (grote) geldbedragen, waaronder:

- een of meer grote geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 255.126 euro) contant gestort op verschillende bankrekeningen en/of

- een of meer grote contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 49.245 euro) heeft besteed aan de aankoop van zeven, althans één of meer, voertuigen en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 34.578 euro) heeft besteed aan de aan kosten voor levensonderhoud en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal 30.667 euro heeft besteed aan kleding en/of luxe artikelen en/of drugs-gerelateerde goederen (contant-bonnen) en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 5.250 euro) heeft gestort op rekening van [bedrijf 1] en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 6.250 euro) heeft ingelegd ten behoeve van de oprichting van het bedrijf [bedrijf 1] en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 7.400 euro) middels een of meer money-transfers heeft overgemaakt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of

- een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 5.996 euro)heeft besteed aan een Audi (met kenteken [kenteken] ), bestaande die (contante) bestedingen uit betaling van een of meer (achterstallige) leasetermijnen en/of onderhoud en/of reparaties van voormeld voertuig,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (geheel of gedeeltelijk) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Parketnummer 05/180048-22

1.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen een of meer wapen(s) van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "CS Reizgas AntiAttack") en/of

- een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "original tw 1000 pepper-fog",

(telkens) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen

- een voorwerp (namelijk een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen) in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder/patroon magazijn (met een capaciteit van maximaal zes patronen en/of bestemd voor patronen van het kaliber 9x17) en/of

- drie (3), althans een of meer navullingen en/of loopgedeelten voor een gaspistool (merk JPX, model Jet Protector), zijnde een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

3.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier (4), althans een of meer, volmantelpatronen van het kaliber 9mm luger

voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/226891-22 (vrijspraak)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu door het Openbaar Ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van onverklaarbaar vermogen bij verdachte. Daartoe is onder meer aangevoerd dat bij het samenstellen van de eenvoudige kasopstelling (hierna: EKO) een berekening is gepresenteerd waarin niet alleen de (ex)-partner ( [medeverdachte 1] ) van verdachte is meegenomen, ook in een periode dat zij al niet meer samen waren, maar ook haar schoonmoeder ( [medeverdachte 2] ). Verder blijkt dat deze EKO is vertroebeld door gelden van de vof van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarbij komt dat er aannames aan het berekende onverklaarbare vermogen ten grondslag liggen die niet kloppen en dat er legale contante inkomsten waren van de vof die ten onrechte niet in de berekening zijn meegenomen. Tot slot wist verdachte niet dat het geld van haar man van misdrijf afkomstig was en zij hoefde dit ook niet te vermoeden. Ook om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 oktober 2019 (hierna: de onderzoeksperiode) samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Om tot een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen te kunnen komen, moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of het ten laste gelegde voorwerp, in dit geval een geldbedrag van ongeveer € 411.846,-, afkomstig is uit enig misdrijf. Dit geldbedrag betreft het saldo van de door het Openbaar Ministerie aangedragen eenvoudige kastopstelling (hierna: EKO). Bij een EKO wordt nagegaan of en in hoeverre een betrokkene in de onderzoeksperiode meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kan worden verantwoord, ofwel beschikbaar was. Als de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen (het saldo). Men kan immers niet meer contant geld uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft. Een negatieve kas (minpost) kan een vermoeden opleveren dat dit geldbedrag een criminele herkomst heeft.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO als volgt.

Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om één EKO op te stellen voor de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] gezamenlijk. Een EKO kan alleen worden opgesteld voor meerdere personen gezamenlijk, indien deze personen samen een economische eenheid vormden in de periode waarover de EKO is opgesteld. Er moet in die periode dan sprake zijn geweest van een gezamenlijke (financiële) huishouding, waarbij de betalingen van de één, ook kunnen worden toegerekend aan de ander. De feitelijke situatie is daarbij bepalend. In dit geval is niet in discussie dat geen sprake is geweest van een economische eenheid tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] enerzijds en [medeverdachte 2] anderzijds; [medeverdachte 2] voerde geen gezamenlijke financiële huishouding met [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dit staat nog los van de vraag of er gedurende de gehele onderzoeksperiode sprake was van een economische eenheid tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] .

Reeds de vaststelling dat er geen economische eenheid werd gevormd door de drie

verdachten samen betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het niet mogelijk is om één EKO te gebruiken voor de drie verdachten, zoals in dit dossier wel is gedaan. De rechtbank kan de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO daarom niet zonder meer voor het bewijs gebruiken.

Als het dossier en het verhandelde ter terechtzitting daartoe voldoende duidelijke en vastomlijnde aanknopingspunten bieden, die onderwerp zijn geweest van het partijdebat, kan de rechtbank een herberekening maken en de EKO aanpassen. In dit geval echter zou splitsing van de EKO in twee dan wel drie afzonderlijke EKO’s moeten plaatsvinden wat tot een ingrijpende wijziging zou leiden. Het zou hier bovendien gaan om een complexe herberekening. Een deel van de contante bedragen die op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gestort, zijn afkomstig uit de contant ontvangen (legale) omzet van [bedrijf 2] vof (hierna: [bedrijf 2] ). [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vennoten van [bedrijf 2] . Bij een splitsing van de EKO moet worden bepaald welk deel van die omzet aan welke vennoot moet worden toegerekend. Ook moet worden bepaald aan wie de kasstortingen moeten worden toegerekend die zijn gedaan op de bankrekening van [bedrijf 2] , die eveneens in de EKO zijn meegenomen. Aan de complexiteit van een herberekening draagt verder bij dat er onduidelijkheid is over de hoogte van de omzet van [bedrijf 2] , waaronder de met verkoop van voertuigen gegenereerde omzet, waarover hierna meer. Naar het oordeel van de rechtbank geldt als uitgangspunt dat het niet aan haar is om een dergelijke complexe herberekening te maken en aldus de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO ingrijpend te wijzigen. Het Openbaar Ministerie heeft bovendien voldoende gelegenheid gehad om tot een aangepaste berekening te komen en is daar door de rechtbank zelfs nadrukkelijk toe uitgenodigd. Daar komt bij dat als de rechtbank al een dergelijke herberekening zou maken, deze geen onderwerp is geweest van het partijdebat, zodat het gebruik voor het bewijs van het resultaat daarvan, te weten een ingrijpend aangepaste EKO, in strijd zou zijn met de goede procesorde.

Om de voormelde redenen ziet de rechtbank in dit geval af van het maken van een herberekening (en een aangepaste EKO). Daarbij is nog van belang dat de rechtbank ook niet over de benodigde gegevens beschikt om een dergelijke herberekening op een juiste manier uit te voeren (de hiervoor benoemde onduidelijkheid over de gegenereerde omzet). Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

De verdediging heeft in het voorbereidend onderzoek gesteld dat sprake was van legale contante inkomsten uit de handel in voertuigen door [bedrijf 2] . Daaruit - en uit contant ontvangen huurinkomsten - zou het bezit van contanten volgens de verdediging verklaard kunnen worden. Uit het op verzoek van de rechtbank opgemaakte aanvullende dossier, waarin de contante geldstroom in de vrachtwagenhandel is geanalyseerd, valt af te leiden dat van handel in voertuigen sprake was. De volledige omvang van de inkomsten uit die handel zijn daaruit echter niet te destilleren. De politie stelt vast dat er tijdens de onderzoeksperiode voertuigen zijn verkocht, waarvan in die periode geen inkoop is te zien. Daaraan wordt de conclusie verbonden dat de voertuigen zijn ingekocht met crimineel geld. Die conclusie is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer juist. Het kan immers zo zijn dat deze voertuigen al vóór de aanvang van de onderzoeksperiode zijn ingekocht en tot de voorraad van [bedrijf 2] behoorden. Of dit het geval was, had aan de hand van de bij de boekhouder in beslag genomen digitale administratie (de auditfiles) kunnen worden onderzocht, namelijk door na te gaan of er van een voorraad sprake was. Dat is niet gebeurd.

Verder zijn alle gegevens van de Douane Nederland gevorderd die zien op de export van voertuigen door [bedrijf 2] gedurende de onderzoeksperiode (p. AVD-37). Uit deze gegevens blijkt dat er vier voertuigen zijn geëxporteerd. Slechts drie daarvan komen voor in de auditfiles van [bedrijf 2] . De verkoop van één van de voertuigen komt dus niet voor in de administratie van [bedrijf 2] , terwijl de verkoop wel heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht daarom onvoldoende uitgesloten dat de omvang van de voertuigenhandel, waarbij sprake is geweest van betaling in contanten, groter was dan uit de administratie naar voren komt.

[boekhouder] – de boekhouder van [bedrijf 2] – verklaarde voorts op 5 oktober 2023 bij de rechter-commissaris dat tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] een bijzondere transactie had plaatsgevonden die zag op een kraan. Het ging om een transactie van rond de ton. [boekhouder] heeft daarbij aangegeven dat hij dit nog weet, omdat het een heel specifieke transactie was. Ook uit deze verklaring valt af te leiden dat er mogelijk meer inkomsten uit de voertuigenhandel waren dan uit de administratie van [bedrijf 2] blijkt. Of deze transactie heeft plaatsgevonden, had kunnen worden geverifieerd door een vertegenwoordiger van [bedrijf 3] te horen. Ook dat is ten onrechte niet gebeurd.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat bij gebreke van een specifiek op verdachte toegesneden EKO niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onverklaarbaar vermogen (het voorwerp). Daarmee ontbreekt bewijs dat sprake is van een voorwerp dat afkomstig is van enig misdrijf. Dat leidt ertoe dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 05/226891-22 tenlastegelegde.

Ten aanzien van parketnummer 05/180048-22

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de ten laste gelegde goederen. Dat maakt dat ze deze niet voorhanden heeft gehad.

Beoordeling door de rechtbank

De redengevende feiten

Op 29 oktober 2019 heeft de politie de woning aan de [adres 1] in Nijmegen doorzocht. In de keuken werd in een keukenkastje twee busjes pepperspray (A.03.04.001 en A.03.10.001) en een plastic boterhamzakje met daarin een patroonhouder met vier losse patronen aangetroffen (A.03.04.002).

Verdachte heeft verklaard dat zij samen met haar twee kinderen aan de [adres 1] in Nijmegen woonde. Haar ex-man woonde al voor hun scheiding in augustus 2019 niet meer bij hen.

De in de woning aangetroffen goederen zijn onderzocht. De verbalisant heeft het volgende beschreven:

Het onder A.03.10.001 inbeslaggenomen goed betreft een gasbusje van het type Cs-Reizgas. De verbalisant voelde en hoorde bij het schudden van het busje dat het busje was gevuld met vloeistof. De op het busje vermelde opschriften luidden als volgt: ‘CS REIZGAS ANTI-ATTACK FREI AB 14 JAHRE’. Het gasbusje is een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosrnakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof. Het voorwerp is geen medisch hulpmiddel en geen vuurwapen in de vorm van een geweer, een pistool of een revolver, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van genoemd voorwerp is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie juncto artikel 55 lid 3 a van de Wet Wapens en Munitie.

Het onder A.03.04.001 inbeslaggenomen goed betreft een gasbusje van het type Pepperspray. De verbalisant voelde en hoorde bij het schudden van het busje dat het busje gevuld was met vloeistof. De op het busje vermelde opschriften luidden als volgt: ‘Original TH 1000 Pepper-FOG’. Het gasbusje is een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof. Het voorwerp is geen medisch hulpmiddel en geen vuurwapen in de vorm van een geweer, een pistool of een revolver, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van genoemd voorwerp is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie juncto artikel 55 lid 3 a van de Wet Wapens en Munitie.

Het onder A.03.04.002 inbeslaggenomen goed betreft een patroonmagazijn. Dit patroonmagazijn heeft een capaciteit van maximaal 6 patronen, is zwart van kleur en is vermoedelijk bestemd voor patronen met een kaliber van 9 x 17. Met patroonmagazijn wordt bedoeld een voorwerp om meerdere patronen te bundelen teneinde het vervoer en/of laden te vergemakkelijken, maar dat geen integraal onderdeel is van het wapen. Dit voorwerp beïnvloedt het functioneren van het wapen, omdat het na het laden in het bundelen van de patronen voor het wapen voorziet en verschilt van de patronenhouder in het feit dat een patroonmagazijn is voorzien van enig aanbreng- of toevoermechanisme. Artikel 3, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie stelt dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Punt 1.2.3 van de Circulaire Wapens en Munitie 2005 stelt dat de hierna genoemde

onderdelen in ieder geval worden aangemerkt als onderdelen waarop de Wet Wapens en Munitie van toepassing is, omdat;

Het betreft dan met name de loop, het patroonmagazijn en de onderdelen die bestemd zijn om een vuurwapen (vol)automatisch te doen schieten en daarnaast specifiek voor geweren ook nog de bascule, het staartstuk en de grendel of afsluiter en specifiek voor pistolen de kast (ofwel het frame) en de slede en specifiek voor revolvers de kast (frame) en de cilinder.

Derhalve is dit patroonmagazijn een vuurwapen in de zin van art. 1, onder 3, gelet op art. 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het voorhanden hebben van een dergelijk patroonmagazijn is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 juncto artikel 55 lid 3a van de Wet Wapens en Munitie.

Bij de inbeslagname van de patroonhouder zaten vier volmantelpatronen van het kaliber 9mm luger (A03.04.002). Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Het gaat om munitie die niet valt onder de categorie II. Het voorhanden hebben van dergelijke munitie is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 juncto artikel 55 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie.

Wetenschap verdachte

De rechtbank stelt vast dat de onder feit 1 ten laste gelegde busjes pepperspray en de onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde patroonhouder en munitie in de woning van verdachte zijn aangetroffen en dat het op grond van de Wet Wapens en Munitie verboden is om deze goederen voorhanden te hebben.

Voorhanden hebben verondersteld dat verdachte het wapen of de munitie min of meer bewust aanwezig heeft gehad. De aanduiding van een meerdere of mindere mate van bewustheid geeft aan dat verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie ervan. Daarnaast moet voor het aanwezig hebben een verdachte feitelijke macht over het wapen of munitie kunnen uitoefenen.

Naar algemene ervaringsregels mag worden aangenomen dat de bewoner van een woning bekend is met wat zich zoal in die woning bevindt. De woning werd op dat moment alleen nog door verdachte en haar kinderen – en niet meer door [medeverdachte 1] – bewoond. De busjes pepperspray, de patroonhouder en de munitie waren niet verstopt, maar bevonden zich in een keukenkastje. Dat betreft een toegankelijke plek in de woning die doorgaans veelvuldig wordt gebruikt. Dat verdachte nooit in dit kastje keek en dat zij de goederen dus niet heeft gezien, vindt de rechtbank daarom ongeloofwaardig.

Gezien het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de pepperspray, de patroonhouder en de munitie in het keukenkastje en dat zij hierover ook beschikkingsmacht had.

Ten aanzien van de gaspatronen (partiële vrijspraak feit 2)

Uit het dossier volgt tot slot dat bij de doorzoeking drie lange traangaspatronen werden aangetroffen (A.08.03.001).

De rechtbank constateert dat deze patronen niet in de woning zelf, maar buiten het directe zicht van verdachte in de schuur werden aangetroffen. Ook [medeverdachte 1] had eerder toegang tot die schuur. Onder die omstandigheden kan de rechtbank niet zonder meer vaststellen dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van deze patronen. De rechtbank zal verdachte daarom (partieel) vrijspreken van het voorhanden hebben van de drie gaspatronen zoals ten laste gelegd onder feit 2.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/180048-22 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen een of meer wapen(s) van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "CS Reizgas AntiAttack") en/of

- een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "original tw 1000 pepper-fog",

(telkens) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen

- een voorwerp (namelijk een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen) in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder/patroonmagazijn (met een capaciteit van maximaal zes patronen en/of bestemd voor patronen van het kaliber 9x17) en/of

- drie (3), althans een of meer navullingen en/of loopgedeelten voor een gaspistool (merk JPX, model Jet Protector),zijnde een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

3.

zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier (4), althans een of meer, volmantelpatronen van het kaliber 9mm luger

voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 05/180048-22

feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – uitgaande van een bewezenverklaring van de onder beide parketnummers ten laste gelegde feiten – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van € 1.000,00. De geldboete dient bij gebreke van betaling te worden vervangen door 20 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit, gelet op het tijdsverloop in deze zaak, het feit dat verdachte aan het werk is en dat zij de zorg voor haar vader draagt. De door de officier van justitie gevorderde straf staat niet in verhouding tot de mate van betrokkenheid van verdachte bij de feiten en dient na zoveel tijd ook geen strafrechtelijk doel meer.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft in haar woning twee busjes pepperspray, een patroonmagazijn en vier volmantelpatronen voorhanden gehad. De goederen werden aangetroffen in een keukenkastje, waar ook haar inwonende kinderen toegang toe hadden. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat verdachte voornemens was deze goederen ook daadwerkelijk te gebruiken (of deze in het verleden heeft gebruikt), staat vast dat het ongecontroleerde bezit van deze goederen gevaarlijk is. De rechtbank verwijt verdachte onvoldoende stil te hebben gestaan bij de risico’s van de aanwezigheid van de goederen in haar woning en de strenge regels die er - juist vanwege die risico’s - zijn.

Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het voorhanden hebben van de genoemde wapens en munitie wordt de oplegging van geldboetes van verschillende hoogten als uitgangspunt gehanteerd.

De rechtbank vindt deze oriëntatiepunten op zichzelf passend. Zij constateert echter dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aanzienlijk is overschreden. Verdachte is op 29 juni 2020 aangehouden en was dus vanaf dat moment bekend met de verdenking. Sindsdien zijn ruim vijf jaren verstreken. Deze forse overschrijding, die niet aan verdachte kan worden toegerekend, moet naar het oordeel van de rechtbank een matiging van de op te leggen straf als gevolg hebben.

Gezien het voorgaande, acht de rechtbank passend een geldboete van

€ 750,00, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

9. De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 05/226891-22 is beslag gelegd op de volgende goederen:

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de horloges verbeurd moeten worden verklaard, aangezien deze zijn verkregen met van misdrijf afkomstig geld.

De verdediging heeft bepleit dat de horloges moeten worden teruggegeven aan verdachte, aangezien zij deze horloges al ver voor de ten laste gelegde periode heeft verkregen en deze van emotionele waarde voor haar zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. Bovendien waren de horloges niet als voorwerp van witwassen ten laste gelegd. De rechtbank zal daarom de teruggave gelasten van de horloges aan verdachte, zij het dat conservatoir beslag nog aan teruggave in de weg kan staan.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 23, 24 c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde onder parketnummer 05/171152-22;

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05/180048-22, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

 bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 gelast de teruggave van de volgende goederen aan de rechthebbende, te weten verdachte:

o een horloge van het merk Chopard (goednummer 2169434),

o een horloge van het merk Cartier (goednummer 2169428).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann, voorzitter, mr. K.A.M. van Hoof en

mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2025.

Mr. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.J. Wasmann
  • mr. K.A.M. van Hoof
  • mr. R.P.W. van de Meerakker

Griffier

  • mr. H. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?