RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/226891-22 (ontneming)
Datum uitspraak : 3 september 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat te Schiphol.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op
€ 494.846,00.
2. De procedure
De zaak is op openbare terechtzittingen onderzocht. Daarbij is betrokkene deels verschenen, bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door haar raadsman, mr. Steller, voornoemd.
De verdediging heeft gedurende het voorbereidend onderzoek verzocht om de ontnemingszaak, aangebracht onder parketnummer 05/226891-22, af te splitsen van de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak en om deze op een later moment te behandelen. De rechtbank heeft dit verzoek op de terechtzitting van 24 februari 2025 toegewezen.
Ter terechtzitting van 24 juli 2025 heeft de voorzitter namens de rechtbank voorgesteld om, mocht de rechtbank komen tot een vrijspraak in de hoofdzaak, op 3 september 2025 gelijktijdig met de hoofdzaak uitspraak te doen in de ontnemingszaak, ondanks het eerder toegewezen verzoek tot afsplitsing. De officier van justitie en de verdediging hebben hiermee ingestemd.
Ter terechtzitting van 21 juli 2025 zijn de hoofdzaken met de parketnummers 05/226891-22 en 05/180048-22 gevoegd.
3. De beoordeling van de vordering
Bij vonnis van heden is betrokkene vrijgesproken van het onder parketnummer 05/226891-22 ten laste gelegde feit en veroordeeld voor de onder parketnummer 05/180048-22 ten laste gelegde feiten. Omdat er sprake is van een veroordeling in de gevoegde zaken met genoemde parketnummers is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde is door de politie berekend op basis van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. De politie heeft voor die berekening gebruik gemaakt van een eenvoudige kasopstelling (EKO), opgesteld voor [veroordeelde] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk. Die EKO lag tevens ten grondslag aan het witwasfeit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05/226891-22. De rechtbank is voor dat witwasfeit gekomen tot een vrijspraak, omdat zij op basis van de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO niet kan vaststellen of sprake is van onverklaarbaar vermogen. Diezelfde omstandigheden doen zich voor in de ontnemingszaak tegen veroordeelde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Aldus gegeven door mr. M.J. Wasmann, voorzitter, mr. K.A.M. van Hoof en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2025.
Mr. Jansen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.