RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/443277 / HA ZA 24-548
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in (voorwaardelijke) conventie,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen [eisers] . en afzonderlijk zal eiser sub 1. [eiser sub 1] worden genoemd en eiseres sub 2. [eiser sub 2] ,
advocaat: mr. R.H. van de Beeten,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in (voorwaardelijke) conventie,
eisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen [gedaagden] en ieder afzonderlijk zal gedaagde sub 1. vader dan wel [gedaagde sub 1] worden genoemd, gedaagde sub 2. [gedaagde sub 2] en gedaagde sub 3. [gedaagde sub 3] ,
advocaat: mr. E.H.M. Harbers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 juli 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De achtergrond van de zaak in het kort
Partijen zijn (aangetrouwde) familie van elkaar. Zij zijn allen, al dan niet in verschillende samenstellingen (gedeeltelijk) gezamenlijk, eigenaar van verschillende percelen die bij elkaar zijn gelegen in de gemeente [woonplaats] . In de loop der jaren zijn verschillende percelen (gedeeltelijk) tussen partijen onderling, in verschillende samenstellingen, aan elkaar verkocht of geschonken. In de loop der tijd zijn de kadastrale aanduidingen van de percelen verschillende keren gewijzigd.
De zaak gaat in de kern om de vraag of [eiser sub 2] en [eiser sub 1] aanspraak kunnen maken op nakoming door vader van een recht van koop, dat vader aan hen heeft verleend in een akte van geldlening uit 2013. Het gaat daarbij om een recht tot koop van grond die grenst aan een perceel dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in eigendom hebben. Toen vader dat kooprecht verleende, was de grond economisch in eigendom bij de maatschap die vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gezamenlijk uitoefenen. Vader heeft de juridische eigendom van het perceel in 2016 overgedragen aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is een vennootschap waarvan vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] indirect aandeelhouder zijn. Thans is het perceel juridisch eigendom van de maatschap.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] beroepen zich op hun recht van koop en willen deze grond geleverd krijgen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] onrechtmatig jegens hen gehandeld, door het betreffende perceel in juridische eigendom naar de maatschap te laten overgaan, terwijl zij wisten dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] een recht van koop op dat perceel hadden. Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zien de zaken anders, voeren verweer en stellen tegenvorderingen in.
3. De feiten
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] zijn echtelieden. [eiser sub 2] is de dochter van [gedaagde sub 1] en de zus van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . [eiser sub 1] is de schoonzoon van [gedaagde sub 1] en de zwager van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn zonen van [gedaagde sub 1] .
Vader en zijn echtgenote (moeder van [eiser sub 2] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) wonen aan [adres 1] , kadastraal aangeduid als [kadasteraanduiding 1] .
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] wonen aan [adres 2] , kadastraal aangeduid als [kadasteraanduiding 2] .
In 2004 heeft vader aan [eiser sub 2] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geschonken een perceel grond kadastraal bekend [kadasteraanduiding 3] (1.13.70 ha) . Dit perceel is gelegen aan de overzijde van het perceel waar het agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. [eiser sub 2] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] werden gezamenlijk eigenaar van dit perceel, ieder voor een onverdeeld een/derde aandeel.
Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn op 1 januari 2009 een maatschap met elkaar aangegaan. De afspraken die zij in dat kader met elkaar hebben gemaakt, zijn vastgelegd in een maatschapsakte. In deze maatschap wordt sinds die tijd de door vader sinds 1980 gedreven eenmanszaak verder voor rekening en risico van hen drieën in maatschapsverband geëxploiteerd. Het gaat om een landbouwbedrijf.
In de maatschapsakte is in artikel 4 onder het kopje ‘verboden handelingen’ onder meer bepaald: “Het is een vennoot verboden zonder toestemming van iedere medevennoot tijdens het bestaan der maatschap, anders dan per aanvangsdatum reeds bekend en/of gebruikelijk: Goederen aan de maatschap te onttrekken, waaronder mede begrepen het onttrekken aan de maatschap van in gebruik en genot of in economische eigendom ingebrachte goederen of dienst aandeel aan (een) derde(n) over te dragen.”.
Vader heeft per aanvangsdatum van de maatschap, voor zover hier van belang, in de maatschap ingebracht de economische eigendom van de tot het bedrijf behorende onroerende zaken, bestaande uit de bedrijfsgebouwen met ondergrond, erf en aanhorige grond, staande en gelegen aan [adres 1] , alsmede cultuurgronden, gelegen aan/nabij [straatnaam 1] en [straatnaam 2] , kadastraal bekend [kadasteraanduiding 4] (ged.) en [kadasteraanduiding 5] (6.43.20 ha) , tezamen groot circa 10.13.80 hectare. Tot het ingebrachte behoren niet de woning met ondergrond en tuin aan voormeld adres, uitmakende het resterende gedeelte van voormeld perceel, en de resterende cultuurgrond kadastraal bekend [kadasteraanduiding 6] (3.87.55 ha) , welke onroerende zaken tot het privévermogen van vader behoren en derhalve buiten de inbreng blijven.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben hun (onverdeelde) een/derde aandeel in het perceel sectie
[kadasteraanduiding 3] ingebracht in [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is opgericht met als doel projectontwikkeling te realiseren op perceel [kadasteraanduiding 3] .
Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2]
Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn aandeelhouders van [bedrijf 2]
[gedaagde sub 2] is bestuurder van [bedrijf 2]
Rond 2012 heeft de maatschap beslist het landbouwbedrijf aan [straatnaam 1] te staken. Daardoor werd woningbouw op het direct aan de overkant van [straatnaam 1] liggende perceel [kadasteraanduiding 3] mogelijk. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wilden deze grond gaan ontwikkelen, [eiser sub 2] wilde daaraan niet meedoen. Er heeft vervolgens een ruil plaatsgevonden, zoals hierna in r.o. 3.9. en 3.10 omschreven.
[eiser sub 2] heeft vervolgens haar (onverdeelde) een/derde aandeel in perceel [kadasteraanduiding 3] verkocht en bij akte van 5 september 2013 (waarin het perceel is aangeduid als [kadasteraanduiding 7] ) voorwaardelijk, want onder ontbindende voorwaarde, geleverd aan [bedrijf 1] tegen een koopprijs van € 338.000. De koopsom is niet daadwerkelijk betaald, maar omgezet in een geldlening. [bedrijf 1] heeft afstand gedaan van de ontbindende voorwaarde, waarmee de levering op 10 maart 2014 onvoorwaardelijk werd.
Vader heeft in het kader van de hiervoor vermelde ruil aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] een perceel grond verkocht voor een prijs van € 306.500 onder ontbindende voorwaarden. De koopsom is niet daadwerkelijk betaald, maar omgezet in een geldlening. In de notariële akte van levering van 5 september 2013 is, voor zover hier van belang, vermeld dat verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt, het volgende registergoed:
‘Een perceel grond, gelegen achter de boerderij aan [adres 1] , uitmakende een op het terrein kennelijk aangeduid aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van ongeveer 70 are (00.70.00 hectare) van het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 4] , zoals met arcering is aangegeven op de aan de akte van levering gehechte tekening’.
De levering is onvoorwaardelijk geworden met het doen van afstand van de ontbindende voorwaarden door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in april 2015.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben op dit perceel een woning gebouwd die is opgeleverd in februari 2016. Dat betreft de woning aan [adres 2] waar zij thans wonen.
Op een uittreksel kadastrale kaart die bij de akte is gevoegd, is een gedeelte van perceel [kadasteraanduiding 4] gearceerd, als volgt:
(Afbeelding 1)
Op 4 februari 2015 is een notariële rectificatie akte van levering opgemaakt. Hierin staat als verklaring van vader, [eiser sub 2] en [eiser sub 1] dat de omschrijving van het geleverde perceel in de hiervoor onder r.o. 3.10 vermelde akte van levering van 5 september 2013 onjuist is. Deze had moeten luiden:
een perceel grond, gelegen achter de boerderij aan [adres 1] , uitmakende een op het terrein kennelijk aangeduid aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van ongeveer 70 aren van de oude kadastrale percelen [kadasteraanduiding 4] en [kadasteraanduiding 5] , thans:
het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 2] , groot vijftien aren en vijftien centiaren;
het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 8] , groot zeventien aren en negentig centiaren;
het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 21] , groot ongeveer achttien aren en vijftig centiaren, waaraan door het Kadaster een voorlopige kadastrale grens en oppervlakte is toegekend;
het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 10] , groot ongeveer achttien aren en vijfenveertig centiaren, waaraan door het Kadaster een voorlopige kadastrale grens en oppervlakte is toegekend.
De notaris heeft op 9 februari 2015 een proces-verbaalakte aanvulling bij inschrijving in register 4 onder deel 65680 nummer 8 opgemaakt omdat hem van een kennelijke misslag was gebleken in de akte van 4 februari 2015. Bij de kadastrale percelen gemeente [kadasteraanduiding 21] en [kadasteraanduiding 10] zal door de notaris aantekening op de akte worden gemaakt inhoudende na het woord centiaren: waaraan door het Kadaster een administratieve (voorlopige) kadastrale grens en -oppervlakte is toegekend.
Op 5 september 2013 is een notariële akte van geldlening opgemaakt tussen [eiser sub 2] en [eiser sub 1] enerzijds en vader en [bedrijf 1] , via [bedrijf 2] vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] anderzijds. Vader heeft hierbij de schuld van [bedrijf 1] aan [eiser sub 2] overgenomen (hiervoor vermeld onder 3.9). Deze schuld is verrekend met de schuld van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] aan vader (hiervoor vermeld onder 3.10). Na verrekening resteerde een schuld van vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] van € 31.500.
In deze akte van geldlening is verder bepaald, voor zover hier van belang:
“RECHT VAN KOOP
De comparanten sub 1 en 2 [ [eiser sub 2] en [eiser sub 1] en vader, rechtbank] verklaren hierbij overeen te komen als volgt:
1. Partij 2 [vader, rechtbank] verleent hierbij het recht aan de comparanten sub 1 [ [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , rechtbank] tot koop van een perceel (cultuur)grond gelegen aansluitend aan en ten zuiden van het hiervoor in de inleiding onder 3 bedoelde registergoed, uitmakende een aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van tachtig are (00.80.00 hectare), of zoveel meer of minder als partijen in onderling overleg overeenkomen, van het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 4] , hierna ook te noemen: “de grond”, voor een koopprijs van zeven euro (€ 7,00) per vierkante meter, vrij op naam.
2. De levering van de grond zal plaatsvinden op eerste verzoek van de comparanten sub 1 doch niet eerder dan dat partij 2 in staat zal zijn de grond vrij van hypotheek te leveren. Partij 2 verplicht zich in dit verband zich tot het uiterste te zullen inspannen om de grond op zo kort mogelijke termijn na het onherroepelijk worden van de koopovereenkomst van het onder 3 bedoelde registergoed, vrij van hypotheek te maken.
3. Partij 2 verleent hierbij aan de comparanten sub 1 het recht om, gedurende een periode vanaf het onherroepelijk worden van de koopovereenkomst van het onder 3 bedoelde registergoed tot aan de levering van de grond, om niet gebruik te maken van de grond.
4. Partijen komen hierbij reeds nu voor alsdan overeen (een gedeelte van) de koopprijs van de grond te verrekenen met de onderhavige schuld wegens geldlening in hoofdsom groot eenendertigduizendvijfhonderd euro (€ 31.500,00).”
De verwijzing in deze akte naar het in de inleiding onder 3 bedoelde registergoed betreft de door vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] verkochte grond, hiervoor vermeld onder 3.10.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben (een gedeelte van) het perceel [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 6] , aangrenzend aan de percelen [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] , op enig moment als tuin in gebruik genomen. Het gaat om een strook van ongeveer 1.725 m2 volgens [eisers] . en van circa 2.250 m2 volgens [gedaagden] De strook is door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] gemarkeerd op een door hen overgelegde luchtfoto [links in beeld, rechtbank]:
(Afbeelding 2)
Bij koopovereenkomst van 4 december 2015 hebben vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als vennoten van de maatschap aan [bedrijf 1] verkocht percelen cultuurgrond welke in gebruik zijn bij de maatschap en van welke percelen de juridische eigendom als volgt in het kadaster is vastgelegd: percelen [kadasteraanduiding 12] ged., groot 03.16.20 ha en [kadasteraanduiding 11] , groot 05.78.75 ha, beide eigendom van vader en perceel [kadasteraanduiding 13] , groot 07.67.45 ha, ieder voor een derde gedeelte eigendom van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
Bij notariële akte van levering van 8 juli 2016 is ter uitvoering van deze koopovereenkomst aan [bedrijf 1] geleverd percelen cultuurgrond, gelegen aan en nabij [straatnaam 1] , kadastraal bekend [kadasteraanduiding 13] , [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 14] tezamen zestien hectaren tweeënzestig aren en vijfendertig centiaren (…).
[bedrijf 1] heeft de eerder gekochte percelen cultuurgrond, gelegen aan en nabij [straatnaam 1] , kadastraal bekend [kadasteraanduiding 13] , [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 14] bij overeenkomst van 14 december 2016 verkocht aan vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als maten van de tussen hen bestaande stille maatschap. Ter uitvoering van die koopovereenkomst zijn de percelen geleverd bij notariële akte van levering van 17 november 2017.
De kadastrale nummering van de percelen is verschillende keren gewijzigd.
[kadasteraanduiding 4] is overgegaan in [kadasteraanduiding 2] en [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 15] .
[kadasteraanduiding 15] is overgegaan in [kadasteraanduiding 12] , [kadasteraanduiding 16] , [kadasteraanduiding 17] en [kadasteraanduiding 18] .
[kadasteraanduiding 12] is overgegaan in [kadasteraanduiding 14] en [kadasteraanduiding 1] .
[kadasteraanduiding 14] is overgegaan in [kadasteraanduiding 19] en [kadasteraanduiding 20] .
[kadasteraanduiding 19] is overgegaan in [kadasteraanduiding 6] .
[kadasteraanduiding 5] is overgegaan in [kadasteraanduiding 11] , [kadasteraanduiding 21] en [kadasteraanduiding 10] .
De percelen met de kadastrale nummers [kadasteraanduiding 2] , [kadasteraanduiding 21] , [kadasteraanduiding 8] , [kadasteraanduiding 10] en [kadasteraanduiding 16]
zijn eigendom van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] .
Het perceel [kadasteraanduiding 1] is eigendom van vader (en zijn echtgenote).
De percelen [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 6] zijn eigendom van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als maten van de tussen hen bestaande maatschap.
De kadastrale kaart met de percelen waar het om gaat ziet er als volgt uit:
(Afbeelding 3)
[eiser sub 1] heeft [gedaagde sub 2] in een e-mail van 25 juni 2016 geschreven:
Dag [gedaagde sub 2] ,
Dat is schrikken, vooral de stroomrekening maar uiteindelijk ook de 2000 euro die [naam 1] heeft berekend. Maar goed dat is achteraf.
Overigens blijf ik van mening dat wij afgesproken hadden dat de taxatieprijs van de grond van 275 naar 306K verhoogd werd en dat de grond dan bouwrijp opgeleverd zou worden. Dat impliceert(in jargon betekent dat) dat de NUTS-voorzieningen tot aan het perceel zouden worden aangelegd... Daar staat tegenover dat wij beiden voordeel hebben gehad bij "het verwerken van het gebroken" puin.
Het maakt alleen onze financiële uitdaging ook groter. Zeker op de kortere termijn...
Om toekomstige verrassingen aan beiden zijden te voorkomen, hieronder een samenvatting van de huidige stand van zaken, mocht jij daar anders naar kijken dan graag z.s.m. een reactie.
Voorgeschoten door De maatschap, c.q. [bedrijf 1] , c.q. jezelf-/-€ 7.700,- (cash terug bij volledige aflossing 20K)
Lening van [eiser sub 2] +/+€ 20.000,- (tegen 5% per jaar)
Rente 2014 +/+ € 1.000,- (verschuldigd per 01-01-2015)
Rente 2015 +/+ € 1.000,- (verschuldigd per 01-01-2016)
Zoals gezegd willen wij graag z.s.m. de lening afgelost zien, maar minimaal € 5.000,- om in ieder geval de meest urgente afrondingen te kunnen realiseren.
Akte van Geldlening aan [bedrijf 1] (05-09-2013) +/+ € 31.500,- (tegen 2% per jaar)
Rente 2013 +/+ € 200,- (verschuldigd per 31-12-2013)
Rente 2014 +/+ € 630,- (verschuldigd per 31-12-2014)
Rente 2015 +/+ € 630,- (verschuldigd per 31-12-2015)
Aflossing conform "kavelstaffel".
Daar staat tegenover dat wij ongeveer 1725 m2 extra weiland willen kopen (laatste stukje vanaf de gierput tot aan de sloot) ä 7 €/m2 = € 12.075,- v.o.n. nadat deze is ingemeten en vrij van hypotheek is gemaakt.
Ik denk dat het (voor jou) goed is om te checken of je de rentebetalingen wel boekhoudkundig verwerkt hebt (aangezien ze nog niet uitgevoerd zijn).
Groeten,
[eiser sub 1]
[gedaagde sub 2] heeft [eiser sub 1] op 10 maart 2017 een e-mail gestuurd, waarin onder meer staat:
Het areaal grond dat jullie aangegeven hebben om bij het kavel in eigendom te willen verkrijgen en reeds in 2016 in gebruik genomen is ca. 2.250 m2 tegen een meterprijs van 7 euro, dit bedraagt 15.750,- Euro.
[bedrijf 1] heeft twee facturen van 9 maart 2017 en 28 september 2017 aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] gestuurd voor een totaalbedrag van € 16.048,84 voor geleverd graszaad, gebroken puin, graven sloot en andere zaken en diensten. Dit hield verband met de bouw van een woning door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] . Deze facturen zijn niet betaald.
Vader heeft bij notariële akte van 31 december 2018 perceel [kadasteraanduiding 16] aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] geschonken. Dit perceel geeft toegang tot het perceel [kadasteraanduiding 2] , waarvan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] eigenaar zijn.
In een brief van 10 oktober 2024 hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 1] bericht:
Namens de maten van Landbouwbedrijf [gedaagden] melden wij u dat wij ons grasland perceel ten zuiden van uw tuin bij ons akkerbouw perceel gaan voegen. Dit betekent dat er een nieuwe sloot gegraven gaat worden, de sloot zal op ons eigendom komen te liggen. (…)
Bij brief van 15 oktober 2024 van de advocaat van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] aan [gedaagden] is onder meer bezwaar gemaakt tegen de aankondiging in de brief van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van 10 oktober 2024, om de 1.700 m2 die al is betrokken bij de tuin van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] weer bij het perceel akkerbouw te voegen. Verder is in deze brief verzocht om, samengevat, medewerking te verlenen aan de nakoming door vader van diens verplichting tot levering van de eigendom van 8.000 m2 grond.
[eisers] . hebben, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag (tot levering) laten leggen ten laste van [gedaagden] op 8.000 m2 grond onderdeel uitmakende van de kadastrale gemeente Duiven, [kadasteraanduiding 6] en kadastrale [kadasteraanduiding 11] , te weten de gronden die direct aansluiten aan de percelen [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] en zijn gelegen in zuidwaartse richting, derhalve richting het perceel met het kadastrale nummer [nummer 1] .
4. Het geschil
In deels voorwaardelijke conventie
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat vader gehouden is om de verplichtingen uit hoofde van het als recht van koop aangeduide in de akte van september 2013 jegens eiser na te komen;
voor recht zal verklaren dat de titel van eigendomsoverdracht van de 8.000 m2 als bedoeld in die akte tot stand gekomen is bij het opmaken van die akte en die titel koop betreft;
voor recht zal verklaren dat vader gehouden is om ter uitvoering van het voorgaande over te gaan tot levering van de onbelaste eigendom van bedoelde 8.000 m2 en wel overeenkomstig de aanduiding op de kadastrale tekening, zoals opgenomen in randnummer 9 van de dagvaarding;
vader zal veroordelen tot de sub 3 bedoelde levering op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000, te vermeerderen met € 1.000 per dag voor iedere dag van het ten deze te wijzen vonnis dat vader tekortschiet in de nakoming van deze veroordeling;
voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] jegens eiser onrechtmatig hebben gehandeld door mee te werken aan levering van de mede-eigendom van het verkochte door vader aan hem als maten in de stille maatschap;
voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gehouden zijn tot het vergoeden van de schade die eiser lijdt door deze onrechtmatige daad hunnerzijds;
voor recht zal verklaren dat een passende schadevergoeding ten deze is de verschaffing naast vader door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 2] van de volle en onbelaste eigendom van het gekochte;
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen om mee te werken aan het passeren van een leveringsakte, tezamen met vader, waarbij de volledig, onverdeelde en onbelaste eigendom van het gekochte wordt verschaft aan eisers op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000 te vermeerderen met € 1.000 per dag voor iedere dag van het ten deze te wijzen vonnis dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tekortschieten in de nakoming van deze veroordeling;
[gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen, alsmede nasalaris en eventuele kosten van betekening.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] vorderen na vermeerdering van eis voorwaardelijk, in het geval de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet worden toegewezen,
vader te veroordelen om zijn aandeel in het onroerend goed als bedoeld in de akte van 5 september 2013 op pagina 3 van die akte, conform de tekening als vervat in randnummer 9 van de inleidende dagvaarding, thans deel uitmakend van de kadastrale percelen [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 6] in onbezwaarde eigendom te leveren aan hen tegen een prijs gelijk aan een derde deel van € 7,- per m2, vrij op naam, en wel binnen vier weken na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan de rechtbank bepaalt dat op de voet van artikel 3:300 BW een door de rechtbank in goede justitie te benoemen advocaat als dwangvertegenwoordiger de leveringsakte zal ondertekenen ten overstaan van een notaris verbonden aan het kantoor [naam 2] ;
en zij vorderen voorwaardelijk, namelijk als de vorige voorwaardelijke vordering wordt toegewezen,
de beide andere gedaagden te veroordelen tot scheiding en deling over te gaan met betrekking tot het object van 8.000 m2 als hiervoor bedoeld en wel in dier voege dat hun aandelen zullen worden toegewezen aan eisers in conventie, onder de verplichting om aan ieder van de gedaagden sub 2 en 3 een derde deel van € 7,- per m2 vrij op naam wegens overbedeling te vergoeden, althans het bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, met veroordeling van deze beide gedaagden om binnen vier weken na het vonnis medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte, waarmee hun aandelen in het onroerend goed als voor omschreven zullen worden overgedragen aan eisers, bij gebreke waarvan de rechtbank bepaalt dat op de voet van artikel 3:300 BW een door de rechtbank in goede justitie te benoemen advocaat als dwangvertegenwoordiger de leveringsakte zal ondertekenen ten overstaan van een notaris verbonden aan het kantoor [naam 2] .
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in de kosten van deze procedure.
In (voorwaardelijke) reconventie
Onder de voorwaarde dat de vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] tot levering van een perceel grond voor enige oppervlakte wordt toegewezen, vorderen [gedaagden] dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] een koopprijs van € 7,- per m2 betalen.
[gedaagden] vorderen voorts dat de rechtbank zal bepalen dat zij pas medewerking hoeven te verlenen aan de levering van een perceel grond, zodra de facturen van 9 maart 2017 en 28 september 2017 van € 16.048,24 van [bedrijf 1] door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zijn voldaan.
[gedaagden] vorderen in reconventie dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] worden veroordeeld binnen vier weken na betekening van het vonnis de percelen kadastraal bekend [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 6] te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 150.000, met veroordeling van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in de kosten van de procedure.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] voeren geen verweer tegen de voorwaardelijke vordering tot betaling van een koopprijs van € 7,- per m2. Zij voeren wel verweer tegen de vordering tot betaling van facturen van [bedrijf 1] , de vordering tot ontruiming en de gevorderde proceskostenveroordeling.
5. De beoordeling
In conventie
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] beogen met de vordering in conventie dat grond ter grootte van 80 are aan hen wordt geleverd. De grondslag van hun vordering jegens vader (petitum onder 1-4) is het recht van koop dat is omschreven in de akte van geldlening van 5 september 2013. Volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] gaat het daarbij om grond ten zuiden van en direct grenzend aan perceelnummers [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] . De grondslag van hun vordering jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] (petitum onder 5-8) is onrechtmatige daad en, in het verlengde daarvan, schadevergoeding in de vorm van levering van de eigendom van het verkochte.
Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] betwisten dat de vorderingen op deze grondslagen toewijsbaar zijn. Zij voeren onder meer aan dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in de mail van 25 juni 2016 afstand hebben gedaan van hun recht van koop. Dat recht heeft volgens vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] overigens alleen betrekking op grond ten zuiden van perceel [kadasteraanduiding 8] . Volgens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] was vader niet bevoegd om het recht van koop te verlenen omdat de economische eigendom van de grond toen al was ingebracht in de maatschap. Vader kan ook niet meer leveren, omdat de juridische eigendom van de grond inmiddels is overgegaan, eerst naar [bedrijf 1] en daarna naar de maatschap, aldus vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
Vorderingen onder 1-4 van [eiser sub 2] & [eiser sub 1] op vader; recht van koop (akte 2013)
Afstand van recht van koop
De rechtbank zal eerst beoordelen of [eiser sub 2] en [eiser sub 1] met de e-mail van [eiser sub 1] van 26 juni 2016 afstand hebben gedaan van hun recht van koop, omdat dit het meest verstrekkende verweer van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is.
Het recht van koop is een vorderingsrecht. Op grond van artikel 6:160 BW gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moeten stellen en zonodig bewijzen dat van afstand van recht sprake is, omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen (artikel 150 Rv).
De rechtbank volgt vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet in hun verweer omdat het onvoldoende is onderbouwd.
Uit de betreffende e-mail van [eiser sub 1] van 26 juni 2016 (zie r.o. 3.20) kan hooguit worden afgeleid dat [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] contact hebben gehad over grond die [eiser sub 1] wilde kopen. Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen over dit “willen kopen” bij conclusie van antwoord/eis onder 50 “Dat is aanvaard”, maar volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] is dit een van de vele ongerijmdheden in de stellingen van [gedaagden] De rechtbank stelt vast dat de stelling van [gedaagden] niet meer inhoudt dan “Dat is aanvaard. Daarmee is er ofwel overeenstemming over de omvang van de te leveren oppervlakte (1.725 m2) danwel is het recht verwerkt om alsnog aanspraak te maken op levering van de oppervlakte van 8.000 m2.”. [gedaagden] hebben die stelling verder niet concreet toegelicht. Zij verduidelijken namelijk niet wanneer en hoe die wens van [eiser sub 1] , die kennelijk door [gedaagden] als een aanbod is aangemerkt, dan zou zijn aanvaard en evenmin of en welk vervolg daar dan aan is gegeven.
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben in dit verband gewezen op de e-mail van [gedaagde sub 2] van 10 maart 2017 aan [eiser sub 1] (zie r.o. 3.21). Daarin schrijft [gedaagde sub 2] over het stuk grond waarvan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben aangegeven het in eigendom te willen verkrijgen. Uit die mail en de woorden “aangeven te willen verkrijgen” blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat partijen overeenstemming hadden bereikt over een alternatieve grondtransactie die mede inhield dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] afstand deden van hun recht van koop. De tekst van de e-mail van 26 juni 2016 bevat verder evenmin aanwijzingen dat [eiser sub 1] , mede namens [eiser sub 2] , afstand heeft gedaan van het recht van koop. De omstandigheid dat de lening van € 31.500 wel is afgelost, terwijl het recht van koop onder 4 bepaalt dat partijen overeenkomen (een deel van) de koopprijs te verrekenen met deze schuld, is op zichzelf onvoldoende voor de vaststelling dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] afstand hebben gedaan van het recht van koop.
Andere feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] afstand hebben gedaan van het recht van koop zijn door vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet gesteld. Voor een bewijsopdracht bestaat dus ook geen aanleiding.
Beschikkingsbevoegdheid vader
Vervolgens moet beoordeeld worden of vader bevoegd was het recht van koop te verlenen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben namelijk gesteld dat vader daartoe geen beschikkingsmacht had omdat hij op 1 januari 2009 de economische eigendom van de percelen waar het geschil over gaat, te weten [kadasteraanduiding 4] (waarvan een gedeelte is overgegaan in [kadasteraanduiding 6] ) en [kadasteraanduiding 5] (thans [kadasteraanduiding 11] ), al had ingebracht in de maatschap. Volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] was vader in 2013 wel bevoegd om het recht van koop te verlenen.
Ten tijde van het verlenen van het recht van koop was vader de juridische eigenaar van de percelen waar het geschil over gaat, te weten [kadasteraanduiding 4] (waarvan een gedeelte is overgegaan in [kadasteraanduiding 6] ) en [kadasteraanduiding 5] (thans [kadasteraanduiding 11] ).
De economische eigendom van deze percelen is door vader ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van maatschap tussen vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , op 1 januari 2009 ingebracht in de maatschap. Op het moment dat vader het recht van koop aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] verleende, was hij dus de juridische eigenaar van de percelen, maar was de economische eigendom van de percelen in handen van de maatschap.
Dat de grond economisch in eigendom bij de maatschap was, doet in beginsel niet af aan de bevoegdheid van vader, die de juridische eigendom van de grond had, om het recht van koop aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te verlenen. Economische eigendom is immers geen eigendom, maar een begrip dat doelt op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. De inbreng van de percelen betekent op zichzelf niet meer dan dat deze ter beschikking van de maatschap worden gesteld, om het doel van de maatschap (de gezamenlijke uitoefening van een agrarisch bedrijf in de ruimste zin van het woord) te bereiken. Aan de economische eigendom worden dus geen goederenrechtelijke rechtsgevolgen verbonden.
De vraag of vader heeft gehandeld in strijd met artikel 4 van de maatschapsakte (zie r.o. 3.5.) door in 2013 het recht van koop te verlenen aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , is alleen van belang binnen de contractuele relatie van de maten binnen de maatschap. Dit artikel tast dus niet de beschikkingsbevoegdheid aan van vader, als juridisch eigenaar van de betreffende percelen, om het recht van koop te verlenen aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] . De verbintenisrechtelijke verhouding van vader tot [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in maatschapsverband, staat dus los van de verbintenisrechtelijke verhouding van vader tot [eiser sub 2] en [eiser sub 1] op grond van het recht tot koop.
De rechtbank stelt gelet op het vorenstaande vast dat vader bevoegd was het recht van koop te verlenen.
Omvang recht van koop: ten zuiden van [kadasteraanduiding 8] + [kadasteraanduiding 10] of van [kadasteraanduiding 8] ?
Partijen verschillen van mening over de vraag op welke grond het recht van koop ziet. [eiser sub 2] en [eiser sub 1] stellen dat het recht van koop betrekking heeft op de grond ten zuiden van en direct grenzend aan perceelnummers [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] . Volgens [gedaagden] gaat het alleen om grond ten zuiden van perceel [kadasteraanduiding 8] .
Het recht van koop is vastgelegd in de notariële akte van 5 september 2013. Een notariële akte is een authentieke akte zoals bedoeld in artikel 156 lid 2 Rv. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv levert een authentieke akte behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open en dit tegenbewijs mag door alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt.
Uit de notariële akte van geldlening van 5 september 2013 blijkt dat het recht van koop is verleend terzake een perceel (cultuur)grond gelegen aansluitend aan en ten zuiden van het in de inleiding onder 3 van die akte bedoelde registergoed, uitmakende een aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van tachtig are (00.80.00 hectare), of zoveel meer of minder als partijen in onderling overleg overeenkomen, van het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 4] . Het in de inleiding onder 3 van die akte bedoelde registergoed is het registergoed dat vader die dag aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] leverde voor € 306.500. Dat registergoed betreft het perceel grond, gelegen achter de boerderij aan [adres 1] , uitmakende een op het terrein kennelijk aangeduid aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van ongeveer 70 are (00.70.00 hectare) van het kadastrale perceel [kadasteraanduiding 4] , zoals met arcering is aangegeven op de aan de akte van levering gehechte tekening (zie r.o. 3.10).
Uit de notariële rectificatie akte van levering van 4 februari 2015 blijkt dat vader, [eiser sub 2] en [eiser sub 1] de omschrijving van het registergoed dat vader op 5 september 2013 aan hen leverde, hebben gecorrigeerd (r.o. 3.11). In die akte van 4 februari 2025 staat als verklaring van vader, [eiser sub 2] en [eiser sub 1] dat de omschrijving van het [door vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] /rechtbank] geleverde perceel in de akte van levering van 5 september 2013 onjuist is en dat de juiste omschrijving van het geleverde had moeten luiden: een perceel grond, gelegen achter de boerderij aan [adres 1] , uitmakende een op het terrein kennelijk aangeduid aaneengesloten gedeelte ter totale grootte van ongeveer 70 aren van de oude kadastrale percelen [kadasteraanduiding 4] en [kadasteraanduiding 5] , thans - samengevat - [kadasteraanduiding 2] , [kadasteraanduiding 8] , [kadasteraanduiding 21] en [kadasteraanduiding 10] .
Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben de juistheid van de inhoud van de notariële rectificatie akte van levering van 4 februari 2015 als zodanig niet betwist. Daarmee komt vast te staan dat de grond die vader op 5 september 2013 aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in eigendom overdroeg, de grond betreft die op 4 februari 2015 kadastraal bekend was onder [kadasteraanduiding 21] , [kadasteraanduiding 10] (voorheen samen deel uitmakend van [kadasteraanduiding 5] ) alsmede [kadasteraanduiding 2] en [kadasteraanduiding 8] (voorheen samen deel uitmakend van [kadasteraanduiding 4] ).
Tegen deze achtergrond konden vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet volstaan met de enkele stelling dat het recht van koop alleen betrekking heeft op grond ten zuiden van perceel
[kadasteraanduiding 8] . Het rectificeren van de aanduiding van de op 5 september 2013 in eigendom overgedragen grond heeft immers tot gevolg dat het recht van koop, zoals verleend op 5 september 2013, deze gerectificeerde aanduiding volgt en dus een hoeveelheid grond betreft aansluitend aan en ten zuiden van de grond die vader op 5 september 2013 aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in eigendom overdroeg. Dat zijn de kadastrale percelen [kadasteraanduiding 21] en [kadasteraanduiding 10] (voorheen samen deel uitmakend van [kadasteraanduiding 5] ) en [kadasteraanduiding 2] en [kadasteraanduiding 8] (voorheen samen deel uitmakend van [kadasteraanduiding 4] ). Voor het toelaten van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot het leveren van tegenbewijs bestaat dus geen aanleiding.
De rechtbank stelt gelet op het vorenstaande vast dat het recht van koop betrekking heeft op een stuk grond ter grootte van 8.000 m2 ten zuiden van en direct grenzend aan (de meest zuidelijk gelegen) perceelnummers (thans) [kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] (zie kaart in r.o. 3.19).
Recht van koop – titel eigendomsoverdracht?
Aan de orde is dan de vraag of het recht zoals dat is omschreven in de akte van geldlening van 5 september 2013 reeds de titel van eigendomsoverdracht bevat, zoals [eiser sub 2] en [eiser sub 1] stellen en door vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wordt betwist.
Een recht van koop (of koopoptie) is een contractueel of anderszins verleend wilsrecht van vermogensrechtelijke aard, dat aan de gerechtigde voor een bepaalde of onbepaalde tijd de bevoegdheid geeft om een zaak te kopen, tegen een meestal vooraf vastgelegde prijs. De koop komt dan door een enkele verklaring van de gerechtigde tot stand.
Naar het oordeel van de rechtbank houdt het recht van koop niet tevens de titel van eigendomsoverdracht in. Het in die akte omschreven recht is aan te merken als een recht van koop. Uit de tekst blijkt namelijk dat vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] het recht tot koop verleent en niet dat vader en [eiser sub 2] en [eiser sub 1] een koopovereenkomst sluiten. Verder staat als kop boven de door de notaris opgemaakte tekst “RECHT VAN KOOP”.
Dit betekent dat de vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zoals opgenomen in het petitum onder 2 wordt afgewezen.
Het vorenstaande brengt mee dat pas op het moment dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] verklaren dat zij het recht van koop willen uitoefenen, met vader een koopovereenkomst tot stand komt die vader verplicht mee te werken aan de voor eigendomsoverdracht vereiste levering. In elk geval hebben [eiser sub 2] en [eiser sub 1] bij brief van hun advocaat van 15 oktober 2024 aan vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kenbaar gemaakt dat zij willen dat vader het recht van koop en zijn verplichting tot levering van betreffende grond nakomt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de koopovereenkomst tot stand gekomen, wat voor vader de verplichting meebrengt om middels notariële akte de eigendom van de grond aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] over te dragen (“leveren”).
Levering
Feit is echter dat vader de verbintenis tot levering van de eigendom van de grond niet kan nakomen, omdat de juridische eigendom van de percelen inmiddels bij de maatschap rust. Vader stelt zelf ook dat er aan zijn kant sprake is van een onmogelijkheid tot nakoming. Vader schiet dus jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] tekort in zijn uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting om mee te werken aan eigendomsoverdracht (wanprestatie).
De vorderingen zoals die tegen vader zijn ingesteld, zijn niet toewijsbaar, omdat deze neerkomen op het meewerken aan levering (nakoming). Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] onder 1, 3 en 4 eveneens afwijzen.
Vorderingen onder 5-8 van [eiser sub 2] & [eiser sub 1] op [gedaagde sub 2] & [gedaagde sub 3] ; onrechtmatige daad
[eiser sub 2] en [eiser sub 1] stellen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door mee te werken aan de wanprestatie die vader jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] pleegde door eigendomsoverdracht van de grond aan de maatschap. De weigering van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om mee te werken aan levering door vader is jegens hen ook onrechtmatig, aldus [eiser sub 2] en [eiser sub 1] . Bij wijze van schadevergoeding vorderen [eiser sub 2] en [eiser sub 1] dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] er aan meewerken dat de grond alsnog aan hen wordt geleverd. Zij voeren daartoe aan dat [gedaagde sub 2] wist van het recht van koop. Hij heeft onder meer als bestuurder van [bedrijf 1] de akte van geldlening met daarin het recht van koop medeondertekend. Ook hebben [eiser sub 2] en [eiser sub 1] e-mails overgelegd van 23 augustus 2013, waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] weet had van het hen toekomende recht van koop op 8.000 m2 grond. Volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] was ook [gedaagde sub 3] op de hoogte van het bestaan van het recht van koop omdat vader en [gedaagde sub 2] hun wetenschap niet aan [gedaagde sub 3] zullen hebben onthouden. In de jaarrekening over 2022 wordt [gedaagde sub 3] als bestuurder genoemd en [gedaagde sub 3] heeft geholpen bij het inrichten van de strook grond als tuin. [gedaagde sub 3] wist dus ook van het recht van koop, aldus [eiser sub 2] en [eiser sub 1] .
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] wist van het bestaan van het recht van koop dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] hadden op het perceel grond, ten tijde van de verkoop en levering van dat perceel aan de maatschap. Dat blijkt uit de stukken waarnaar [eiser sub 2] en [eiser sub 1] verwijzen, zoals hiervoor vermeld, en [gedaagde sub 2] heeft dit ter zitting ook wel toegegeven. Of ook [gedaagde sub 3] wist van het recht van koop is vooralsnog niet komen vast te staan. [gedaagde sub 3] heeft dit gemotiveerd betwist en er zijn geen stukken in het geding gebracht die zijn wetenschap kunnen onderbouwen. Als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat ook [gedaagde sub 3] wist van het recht tot koop, geldt het volgende.
Volgens vaste rechtspraak is het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig. Van onrechtmatigheid is pas sprake indien die aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden.
Op [eiser sub 2] en [eiser sub 1] rust de stelplicht en zonodig bewijslast dat dergelijke bijkomende omstandigheden zich voordoen omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen.
Wat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben gesteld, zoals hiervoor weergegeven, is echter niet voldoende voor de vaststelling dat de vereiste bijkomende omstandigheden zich voordoen. Hun stellingen hebben namelijk alleen betrekking op wat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] al dan niet wisten, terwijl “weten” onvoldoende is voor onrechtmatig profiteren van andermans wanprestatie.
Bijkomende omstandigheden zijn door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] niet gesteld, zodat hun bewijsaanbod wordt gepasseerd.
De rechtbank kan dus niet vaststellen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] door als leden van de maatschap mee te werken aan de verkoop en levering van de grond door vader aan [bedrijf 1] (en daarna de maatschap). Gelet op het vorenstaande hebben [eiser sub 2] en [eiser sub 1] evenmin voldoende onderbouwd waarom het niet meewerken door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan levering van de grond door vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] jegens hen onrechtmatig zou zijn. Dit betekent dat er geen grondslag is om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te verplichten tot schadevergoeding aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , in de vorm van grondoverdracht. De vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , zoals opgenomen in het petitum onder 5 tot en met 8, zullen dus worden afgewezen.
In voorwaardelijke conventie
Nu de rechtbank de vorderingen in conventie van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zal afwijzen, moet worden beoordeeld of de voorwaardelijke vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in conventie voor toewijzing in aanmerking komen.
Die vorderingen komen er samengevat op neer dat vader zijn aandeel in de op de tekening gearceerde grond (die de maatschap van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] nu in eigendom toebehoort) in eigendom overdraagt aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] voor € 7,- per m2, waarna [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moeten meewerken aan toedeling van de volledige eigendom aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] tegen € 7,- per m2. De door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] bedoelde tekening, met door hun advocaat aangebrachte arcering, betreft onderstaande afbeelding onder 9 van de dagvaarding.
(Afbeelding 4)
Vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verzetten zich tegen toewijzing van deze vorderingen.
De rechtbank begrijpt deze vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zo, dat vader hen in elk geval zijn onverdeelde aandeel in de grond moet leveren (waarna toedeling van het volledige perceel aan hen zou moeten plaatsvinden) voor zover vader zijn verplichtingen uit het recht van koop (voor de gehele grond) niet meer kan nakomen.
Bij de beoordeling van deze vordering is van belang dat de juridische eigendom van de percelen sinds 17 november 2017 in handen is van de maatschap. De in een vennootschap ingebrachte goederen vormen een gebonden gemeenschap; deze goederen zijn bestemd om te worden aangewend tot het bereiken van het doel van de vennootschap. De grond waar het hier om gaat, valt in die gemeenschap. Een vennoot kan tijdens de duur van de vennootschap niet vrijelijk beschikken over zijn aandeel in die goederen. Deze regel is naar analogie ook van toepassing op de maatschap. Dat betekent dat de maten niet vrij over hun aandeel in een gemeenschapsgoed noch over hun aandeel in de gemeenschap mogen beschikken. Daarvoor is elkaars medewerking nodig. Vader kan dus niet zonder de medewerking van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn aandeel in de gemeenschap verkopen/leveren aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] .
De vraag is of de obligatoire band die tussen vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als maten is ontstaan, ook invloed heeft op de rechtspositie van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , meer in het bijzonder of de onbevoegdheid van de vader om de percelen (te verkopen en) te leveren in zijn verhouding tot [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] kan worden tegengeworpen. Het antwoord op die vraag is naar het oordeel van de rechtbank bevestigend. Daartoe wordt als volgt overwogen. Als de mogelijkheid zou worden aanvaard dat vader grond aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] (verkoopt en) levert, zou de door de maten gevormde gemeenschap van goederen als onderdeel van het vennootschappelijk vermogen die nodig is voor het bereiken van het vennootschappelijk doel, het gezamenlijk uitoefenen van een bedrijf, worden verstoord en aangetast. [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zijn als buitenstaanders die dan een aandeel in goederen van de gemeenschap verkrijgen niet obligatoir gebonden aan de maatschapsovereenkomst en kunnen verdeling c.q. partiële verdelingen uitlokken. Dat is hoogst ongewenst met het oog op de noodzakelijke continuïteit van het vennootschappelijk vermogen. Voor zover juist is dat er inmiddels geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend door de maatschap, zoals [eiser sub 2] en [eiser sub 1] op de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, maar in een andere context, leidt dat niet tot een ander oordeel over de gebondenheid van de gemeenschap. Ook dan is het aan de maten gezamenlijk om te beslissen en beschikken over het vermogen van de maatschap.
Deze tegen vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ingestelde vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zijn gericht op levering van de eigendom van een perceel grond van 8.000 m2 dat valt in de hiervoor omschreven gemeenschap van de maatschap. Gelet op het vorenstaande moeten deze vorderingen dan ook worden afgewezen.
In (voorwaardelijke) reconventie
De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde vorderingen in reconventie. De voorwaarde daartoe is namelijk niet vervuld. De vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] tot levering van een perceel grond voor enige oppervlakte wordt immers afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan beoordeling van de vorderingen van [bedrijf 1] (die in deze procedure geen partij is).
[gedaagden] vorderen verder in (onvoorwaardelijke) reconventie ontruiming van het stuk grond dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in gebruik hebben genomen, aansluitend aan de percelen
[kadasteraanduiding 8] en [kadasteraanduiding 10] waarvan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] al eigenaar zijn. Het in gebruik genomen stuk grond maakt deel uit van de percelen kadastraal bekend [kadasteraanduiding 11] en [kadasteraanduiding 6] . Volgens [gedaagden] gaat het om ongeveer 2.250 m2 die [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in 2016 in gebruik hebben genomen. Voor het gedeelte van het in gebruik genomen perceel dat onderdeel is van
[kadasteraanduiding 11] stellen [gedaagden] dat het recht van koop en het gebruiksrecht nooit op dat gedeelte hebben gezien, zodat het gebruik van dat gedeelte onrechtmatig is jegens zowel vader als [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Het gebruik van de strook voor zover die onderdeel uitmaakt van [kadasteraanduiding 6] is jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als mede-eigenaren van die grond onrechtmatig, omdat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geen gebruiksrecht hebben verschaft aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] ; vader heeft dat recht verstrekt.
Volgens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben zij de grond in gebruik genomen in april-juni 2017. Dat gebruik ziet volgens hen op ongeveer 1.750 m2, aan de linkerzijde gemarkeerd op een door hen overgelegde luchtfoto (zie r.o. 3.14), en vloeit voort uit artikel 3 van het recht van koop.
Vaststaat dat [eiser sub 2] en [eiser sub 1] de strook grond sinds 2016/2017 (als tuin) in gebruik hebben, dat vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dit weten en dat daartegen geruime tijd niet is opgetreden.
De strook grond valt deels onder perceel [kadasteraanduiding 11] en deels onder [kadasteraanduiding 6] . De rechtbank volgt [gedaagden] niet in het onderscheid dat zij maken tussen dat deel van de strook dat deel uitmaakt van [kadasteraanduiding 11] en dat deel van de strook dat deel uitmaakt van [kadasteraanduiding 6] . Dat onderscheid is immers gebaseerd op hun uitleg van het recht van koop en daarin volgt de rechtbank hen niet, zo is hiervoor al beslist.
In de ter zitting toegelichte visie van [gedaagden] is het gebruik van een deel van de strook, voor zover dat deel valt onder perceel [kadasteraanduiding 6] , jegens vader niet onrechtmatig omdat vader [eiser sub 2] en [eiser sub 1] gebruiksrecht heeft verschaft, maar jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wel omdat zij hen een dergelijk recht niet hebben verschaft. [gedaagden] hebben niet toegelicht hoe een dergelijke stellingname, waarbij zij zelf uitgegaan van een gebruiksrecht dat is verschaft door een van de mede-eigenaren, een grond kan opleveren voor ontruiming. Tegen deze achtergrond hebben vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onvoldoende onderbouwd dat het gebruik van de strook grond, deel uitmakend van zowel [kadasteraanduiding 11] als [kadasteraanduiding 6] , door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zonder recht of titel plaatsvindt. Dit betekent dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
Verder in (voorwaardelijke) conventie en (voorwaardelijke) reconventie
Met de beslissingen van de rechtbank op de over en weer ingestelde (deels voorwaardelijke) vorderingen zal het onderliggende conflict dat partijen verdeeld houdt, niet zijn opgelost. De rechtbank geeft partijen dringend in overweging om hun (resterende) geschillen gezamenlijk op te lossen.
Uit de overwegingen in dit vonnis volgt dat de kwestie rond verkrijging van (delen van) de percelen waar het hier over gaat, uiteindelijk is te herleiden tot handelen van vader. Hij heeft immers de betreffende grond geleverd aan [bedrijf 1] zonder daarbij het eerder door hem aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] verleende recht van koop te respecteren. Daarbij is vader zich wellicht niet bewust geweest van de juridische gevolgen van zijn handelen, maar dat doet aan die gevolgen niet af. De (juridische) gevolgen van dit handelen van vader hebben bijgedragen aan de onmin tussen zijn kinderen, terwijl [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van het handelen van vader juridisch geen verwijt kan worden gemaakt.
Vader is op leeftijd en zou graag zien dat zijn kinderen tot een oplossing komen, zoals op de zitting door zijn advocaat is medegedeeld. Nu met dit vonnis duidelijkheid wordt verkregen over de juridische consequenties van het handelen met betrekking tot de percelen grond, ligt gelet op de familiale verhoudingen een onderlinge en meeromvattende regeling over het niet gerespecteerde recht van koop, over de strook grond, die ook al bijna tien jaar in gebruik is bij [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , en de nota’s van [bedrijf 1] meer in de rede.
De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren vanwege de onderliggende familieverhoudingen.
6. De beslissing
De rechtbank
In (voorwaardelijke) conventie
wijst de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] af,
In (voorwaardelijke) reconventie
wijst de vorderingen van vader, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] af,
Verder in (voorwaardelijke) conventie en (voorwaardelijke) reconventie
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2025.
878/954