ECLI:NL:RBGEL:2025:10960

ECLI:NL:RBGEL:2025:10960, Rechtbank Gelderland, 24-04-2025, 213743.22

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-04-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer 213743.22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Ontneming

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer : 05.213743.22

Datum uitspraak : 24 april 2025

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] .

Raadsman: aanvankelijk mr. T. Scheffer, advocaat in Amsterdam,

nu: raadsvrouw mr. F.L.C. Schoolderman, advocaat in Rotterdam.

1. De inhoud van de vordering

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde op 24 en 25 september 2024 heeft de officier van justitie ook een vordering tot ontneming (hierna: vordering tot ontneming) van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht ingesteld. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank dat voordeel schat op € 538.164,- en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel.

2. De procedure

Ter zitting van 25 september 2024 is op verzoek van de verdediging van veroordeelde de behandeling van deze vordering aangehouden en is afgesproken dat de raadsman en officier van justitie nog schriftelijke conclusies zouden nemen.

Veroordeelde heeft op 30 oktober 2024 zijn conclusie van antwoord genomen.

De officier van justitie heeft op 18 november 2024 hierop gereageerd in een conclusie van repliek.

Veroordeelde heeft nog een conclusie van dupliek genomen.

Ten slotte heeft op 27 maart 2025 de inhoudelijke behandeling van de vordering tot ontneming plaatsgevonden. Op deze openbare terechtzitting hebben de officier van justitie en de verdediging de mogelijkheid gehad tot het maken van aanvullende opmerkingen.

3. De standpunten

De officier van justitie heeft in dupliek de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op een bedrag van € 331.405,-. Ten aanzien van de kosten is de officier van justitie van mening dat uit het overzicht (p. 1304 dossier) blijkt dat er huur is betaald en zal € 15.000 / 3 in mindering brengen op het volledige bedrag. Veroordeelde is voor het verkopen van cocaïne onder chatsessie 1 en 58 vrijgesproken, dus dit is in mindering gebracht. Ten aanzien van de chatsessie onder nummer 72 is de officier van justitie van mening dat er 12 kilogram is verkocht. Dit betekent dat er € 16.000,- in mindering moet worden gebracht. Ten aanzien van de chatsessie onder nummer 172 kan volgens de officier van justitie worden vastgesteld dat er 16 kilogram is verkocht dus zal er € 31.525,- in mindering worden gebracht. Op grond van de chatsessie onder nummer 210 kan worden vastgesteld dat er in ieder geval 10 kilogram is besteld door de shop, dus er zal een bedrag van € 43.050,- in mindering worden gebracht. Gelet op de inhoud van de chatsessie onder nummer 228 heeft de officier van justitie de transactie beperkt tot 20 kilogram, hetgeen een minpost van € 16.400,- oplevert.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de chatsessies met de nummers 1 en 58 op het standpunt gesteld dat veroordeelde in de hoofdzaak is vrijgesproken van de verkoop dan wel handel, dus dat geen voordeel kan worden ontnomen. Ten aanzien van chatsessie 172 is veroordeelde in de hoofdzaak vrijgesproken van de verkoop van de 26,5 kilogram. De 16 kilogram wordt kennelijk als onderdeel gezien van de 26,5 kilogram. Wat betreft chatsessie onder nummer 210 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de 31 kilogram volledig overeenkomt met hetgeen ten laste is gelegd en waarvan hij is vrijgesproken. Er kan dan geen voordeel worden ontnomen. Ten aanzien van chatsessie 221 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van chatsessie 228 stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat veroordeelde is vrijgesproken van de '28 plus’ kilogram en er geen voordeel kan worden ontnomen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat, als de rechtbank meent dat de 12 en 8 kilogram niet onder ’28 plus’ vallen, er onvoldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van andere strafbare feiten waarvoor voordeel kan worden ontnomen. Wat betreft chatsessies 31 en 72 ontbreken berichten in het dossier. Hierdoor kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat sprake is van een strafbaar feit begaan door veroordeelde en dat er voordeel is verkregen. Ten aanzien van chatsessie 92 blijkt uit de volledige reeks van de berichten dat er meer berichten niet dan wel zijn weergeven in de analyse. De tussenliggende berichten lijken op andere onderwerpen/gebeurtenissen te zien. Er is onvoldoende basis om buiten gerede twijfel vast te stellen dat sprake is van een strafbaar feit, begaan door veroordeelde, waardoor voordeel is verkregen. Ten aanzien van chatsessie 163 kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat veroordeelde een strafbaar feit heeft begaan en daaruit daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. Uit de chatsessie onder nummer 167 volgt niet dat de vermogenspositie van 75LRIM is verbeterd, omdat er geen geld meer resteert. Uit de chatsessie onder nummer 185 kan hoogstens worden herleid dat er geld wordt geteld, maar geld tellen is geen synoniem voor geld verdienen. Dat maakt dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat er wederrechtelijk voordeel is verkregen.

Ten aanzien van de aftrek van de huurkosten à € 5.000,- wordt gepersisteerd. Tot slot is een bedrag verbeurd verklaard in de hoofdzaak. Dit dient in mindering te worden gebracht van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4. De beoordeling van de vordering

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen indien daarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 22 oktober 2024 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde de volgende feiten is veroordeeld:

- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Aan veroordeelde is een gevangenisstraf van 4 jaren opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, onder meer gelet op het hiervoor genoemde vonnis van 22 oktober 2024.

Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de politie Oost-Nederland opgemaakte berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport).

De in de – inzichtelijke en duidelijke – berekening gerelateerde feiten zijn door de rechtbank gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken. De in het proces-verbaal getrokken conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal.

Algemene uitgangspunten

De uitgangspunten van de geschatte opbrengst van de cocaïne en hennep en de inkoopkosten van deze drugs zijn in het rapport onderbouwd door te verwijzen naar het “Drugsprijzenoverzicht van het Cluster Synthetische Drugs van de Dienst Landelijke Recherche”. Die onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.

Als geschatte verkoopprijs van 1 kilogram cocaïne zal € 26.000,- worden gehanteerd en als verkoopprijs voor hennep € 4.500,-.

Voor de inkoopkosten wordt in datzelfde overzicht € 7.125,- respectievelijk € 364,- gehanteerd.

De raadsman van medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] (hierna: [medeveroordeelde 1] ) heeft in zijn conclusies naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat in dit geval in de kosten voor de kweek van één kilogram hennep nog een bedrag van € 6,34 extra moet worden opgenomen voor de kosten van de knippers.

Ook een bedrag van € 14,71 in verband met energiekosten is voldoende onderbouwd, zodat ook dat bedrag in het kostenbedrag zal worden opgenomen. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de hennep een totaalbedrag aan kosten van € 385,- per kilogram hanteren.

De raadsman van medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] (hierna: [medeveroordeelde 2] ) heeft ter zitting gewezen op een rapport uit 2005 (Instituut voor onderzoek naar leefwijzen & verslaving te Rotterdam, getiteld: Impressies van deelnemers aan drugsdistributienetwerken, 2005). Hieruit zou volgen dat er voor wat betreft de kosten van het transport van cocaïne naar Nederland met een hoger bedrag zou moeten worden gerekend dan het bedrag van € 7.125,-, waar de ontnemingsvordering van uit gaat. In een paragraaf die gaat over met partijen cocaïne “meelopen” wordt beschreven dat buitenlandse transporteurs zich ook wel laten uitbetalen in een deel van de partij cocaïne. In die paragraaf wordt daarbij vermeld dat “degene die het transport verzorgt, daarvoor bijvoorbeeld rond 40 procent van de koopprijs rekent.” Omgerekend naar deze strafzaak zouden de kosten dan € 10.400,- per kilogram cocaïne bedragen. De auteurs van het rapport hebben met 61 uiteenlopende personen (waaronder ex-gedetineerden) gesproken, maar waar het percentage van 40 vandaan komt, wordt niet duidelijk gemaakt.

Aan de andere kant wordt in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel ook niet duidelijk gemaakt wat afgezien van het Drugsprijzenoverzicht (dit overzicht zelf ontbreekt in het dossier en is ook elders niet vindbaar) de bron is van het bedrag van € 7.125,- per kilogram.

De rechtbank dient het genoten voordeel te schatten. Voor de te verrekenen kosten zal de rechtbank ook in deze zaak van veroordeelde in het midden gaan zitten van de twee bedragen en uitgaan van € 8.763,- per kilogram cocaïne.

Voor het overige zal het rapport worden gevolgd.

Indien uit een chatsessie blijkt dat in dat specifieke geval een andere inkoop- of verkoopprijs werd gehanteerd, dan zal de rechtbank die prijs gebruiken voor dat specifieke geval.

Geschat genoten wederrechtelijk voordeel

De rechtbank zal hierna per chatsessie beoordelen hoeveel kilogram cocaïne en/ of hennep er is verhandeld.

Chatsessie vanaf 1

Gelet op de vrijspraak van dit onderdeel, zal de oorspronkelijke 4,9 kilogram niet worden meegerekend.

Chatsessie vanaf 31

Indien de chatsessie in chronologische volgorde wordt gezet dan blijkt uit de chatgesprekken dat veroordeelde op 26 februari 2020 om 15.29 uur aan [medeveroordeelde 1] vraagt hoeveel rbi (de rechtbank begrijpt: hennep) er is. Daarop antwoordt [medeveroordeelde 1] dat er op dat moment 10 is en dat hij denkt dat er vanavond 7-10 weer is. Om 20.00 uur diezelfde dag zegt [medeveroordeelde 1] tegen medeveroordeelde [medeveroordeelde 3] (hierna: [medeveroordeelde 3] ) dat hij 19 kilogram bij elkaar heeft gesprokkeld. Op 27 februari 2020 stuurt [medeveroordeelde 1] dat hij van de arbi 11 heeft verkocht en de 8tjes (de rechtbank begrijpt: het geld) heeft ontvangen, 1 moet hij nog afleveren en [naam 1] heeft 7 stuks. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat veroordeelde samen met [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 1] 19 kilogram hennep heeft verkocht.

Chatsessie vanaf 58

Gelet op de vrijspraak van dit onderdeel, zal de oorspronkelijke 18 kilogram ook niet worden meegerekend.

Chatsessie vanaf 72

Op grond van de chatsessie stelt de rechtbank vast dat het gesprek dat op 14 april 2020 plaatsvindt tussen veroordeelde en [medeveroordeelde 3] gaat over hennep. Uit deze conversatie volgt eveneens dat veroordeelde 2 heeft gegeven aan iemand en daar een prijs van 44 (de rechtbank begrijpt € 4.400,-) voor heeft gerekend. Later pakt veroordeelde 2 bij [naam 2] . Op 15 april 2020 stuurt [medeveroordeelde 1] naar [medeveroordeelde 3] dat hij [naam 3] 8 heeft gegeven en dat hij die avond en die dag erna alle achtjes (de rechtbank begrijpt: geld) verwacht. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat veroordeelde samen met [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 3] 12 kilogram hennep heeft verkocht.

Chatsessie vanaf 92

Uit de inhoud van de chatsessie leidt de rechtbank af dat 20.894 gram in totaal € 83.575 heeft opgebracht. Bezien tegen de achtergrond van het gehele dossier, het bedrag dat deze hoeveelheid gram heeft opgeleverd en het ontbreken van een verklaring van veroordeelde acht de rechtbank het aannemelijk dat het hier om de verkoop van hennep gaat.

Chatsessie vanaf 163

Uit de inhoud van de chatsessie leidt de rechtbank af dat alles is verkocht en dat ze 13 zakken hadden. Vervolgens stuurt veroordeelde de volgende berekening naar [medeveroordeelde 3] : 20.420 x 41 = € 83.722. Op grond daarvan, in combinatie met de achtergrond van het gehele dossier en de hoogte van de verkoopprijs, is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde en [medeveroordeelde 3] 20,42 kilogram hennep hebben verkocht tegen een verkoopprijs van € 4.100,- per kilogram.

Chatsessie vanaf 167

Uit de chatsessies blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er 10,66 kilogram hennep is verkocht voor een totaalbedrag van € 45.850. In de berichten die daarop volgen geeft veroordeelde aan dat hij 21.000 + 8.800 heeft betaald dus dat [medeveroordeelde 3] nog € 16.050 van hem krijgt. De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde de 29.800 (21.000 + 8.800) eerder heeft gehouden en/of gekregen. Nu de veroordeelde niet heeft gesteld dat het anders is, is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde en [medeveroordeelde 3] samen € 45.850 hebben verdiend bij de verkoop van de hennep.

Chatsessie vanaf 172

De rechtbank heeft in het vonnis (p. 9) bewezenverklaard dat 16 kilogram hennep is verkocht.

Chatsessie vanaf 185

Gelet op de inhoud van de chatsessies en de context van het gehele dossier stelt de rechtbank vast dat in totaal € 58.200,- is verdiend met de verkoop van hennep. In de chatsessie wordt immers expliciet gesproken over de verkoop van hennep/wiet.

Chatsessie vanaf 210

De rechtbank leidt uit de chatsessie af dat op 20 december 2020 en 21 december 2022 22 kilogram hennep is verkocht. Op 20 december 2020 wordt immers gesproken over dat door de shop 10 (de rechtbank begrijpt: 10 kilogram) is besteld. In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank 8,8 kilogram bewezen verklaard voor het aanwezig hebben, omdat dit volgt uit de berichten die zijn verzonden op 22 december 2022. De rechtbank gaat dus in afwijking van de officier van justitie en de verdediging uit van een opbrengst van 22 kilogram x € 4.900,- is € 107.800,-.

Chatsessie vanaf 221

Uit de berichten leidt de rechtbank af dat dat de opbrengst € 68.600,- (14 x € 4.900,-) is geweest.

Chatsessie vanaf 228

Gelet op de vrijspraak van dit onderdeel, zal de oorspronkelijke 28,65 kilogram niet worden meegerekend.

De raadsman van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij de kosten voor het kweken van hennep ook rekening moet worden gehouden met de huur van de loods. De rechtbank volgt de raadsman in dit standpunt en zal dit ook toepassen voor veroordeelde. Er kan van worden uitgegaan, dat de huur in de bewezenverklaarde periode € 15.000,- bedroeg. Omdat het hier om veroordeelde en twee medeveroordeelden gaat, zal voor veroordeelde een bedrag van € 5.000,- in mindering worden gebracht op het geschatte voordeel.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende opstelling:

chat

datum

kg.

soort

bedrag

delen

aandeel

kosten

€ 26.000/kg cocaïne & € 4.500/kg hennep

door

€ 8.763/kg cocaïne & € 385/kg hennep

1

26-01-2020

0

cocaïne

€ 0

2

€ 0

€ 0

31

26-02-2020

19

hennep

€ 85.500

3

€ 28.500

€ 2.438

58

11-04-2020

0

cocaïne

€ 0

3

€ 0

€ 0

72

14-04-2020

12

hennep

€ 54.000

3

€ 18.000

€ 1.540

92

9-05-2020

20,894

hennep

€ 83.575

2

€ 41.787

€ 4.022

163

14-06-2020

20,42

hennep

€ 83.722

2

€ 41.861

€ 3.931

167

1-08-2020

10,66

hennep

€ 45.850

2

€ 22.925

€ 2.052

172

16-08-2020

16

hennep

€ 72.000

2

€ 36.000

€ 3.080

185

8-09-2020

13

hennep

€ 58.200

2

€ 29.100

€ 2.503

210

20-12-2020

22

hennep

€ 107.800

2

€ 53.900

€ 4.235

221

9-01-2021

14

hennep

€ 68.600

2

€ 34.300

€ 2.695

228

18-02-2021

0

hennep

€ 0

2

€ 0

€ 0

Huur

€ 15.000

3

€ 5.000

€ 306.373

€ 31.496

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 274.877

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van 274.877,-.

In dit onderzoek is een bedrag van € 378.900,- in beslag genomen. De rechtbank heeft dat in de zaak van veroordeelde verbeurd verklaard, omdat dit is verkregen door middel van de bewezen verklaarde strafbare feiten. In zoverre hebben alle vier veroordeelden dit bedrag uiteindelijk niet als voordeel genoten, omdat het weer is afgepakt. Overigens lag er ook conservatoir beslag op dit geld, bestemd voor de verrekening met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien het bedrag niet verbeurd zou zijn verklaard, dan zou het hebben gediend als verhaal voor het te ontnemen bedrag.

Het totale in beslag genomen bedrag dient in beginsel evenredig over de vier veroordeelden te worden verdeeld. In de gelijktijdig met deze uitspraak uitgesproken uitspraak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] , heeft de rechtbank beslist dat zijn aandeel in dit bedrag beperkter is dan dat van de andere drie veroordeelden. De rechtbank heeft zijn aandeel vastgesteld op € 47.362,-. Het resterende bedrag van € 331.538,- zal pondspondsgewijs over de andere drie veroordeelde worden verdeeld.

Het bedrag waartoe veroordeelde zal worden veroordeeld, wordt daarom met (€ 331.538 / 3 =) € 110.513,- verminderd.

De rechtbank zal daarom veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van (€ 274.877

-/- € 110.513=) € 164.364,-.

5. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 274.877,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 164.364,-;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen.

Aldus gegeven door mr. L.J. Saarloos (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2025.

Mr. Schoo is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.M.P.T. Blokhuis
  • mr. R.M. Schoo

Griffier

  • mr. T.L. Tuitert

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?