ECLI:NL:RBGEL:2025:10967

ECLI:NL:RBGEL:2025:10967, Rechtbank Gelderland, 10-12-2025, 439245

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer 439245
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Financiële afwikkeling van een relatie tussen ex-samenwoners met een samenlevingscontract. Partijen verschillen van mening over onder meer de verdeling van hun gemeenschappelijke woning, de financiering en de verbouwingskosten hiervan en van een chalet, de verkoopopbrengst van de woning, de kosten van de huishouding en de afwikkeling van een vennootschap onder firma.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/439245 / HZ ZA 24-260

Vonnis van 10 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. P.A. Schippers,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. B.A.T. Brouwer.

1. De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de financiële afwikkeling van een relatie tussen ex-samenwoners met een samenlevingscontract. Partijen verschillen van mening over onder meer de verdeling van hun gemeenschappelijke woning, de financiering en de verbouwingskosten hiervan en van een chalet, de verkoopopbrengst van de woning, de kosten van de huishouding en de afwikkeling van een vennootschap onder firma.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 maart 2025

- het rolbericht van 24 april 2025 met producties van [gedaagde]

- de akte overlegging producties van [eiser]

- de akte vermeerdering eis in conventie van [eiser]

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025- de conclusie na comparitie van [eiser]

- de conclusie na comparitie van [gedaagde] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 31 januari 2003 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren.

De relatie tussen partijen is in 2015 beëindigd.

Partijen waren gezamenlijk eigenaar van de woning met bedrijfsruimte gelegen aan de [adres en woonplaats] (hierna: de woning).

Partijen zijn vennoten geweest in de vennootschap onder firma Hotel & Bungalowpark Klein Canada (hierna de vof). Deze vennootschap is opgericht op 1 maart 2005 en is ontbonden met ingang van 19 november 2009.

Na de beëindiging van de relatie heeft [eiser] de woning verlaten en heeft [gedaagde] het gebruik van de woning voortgezet.

Partijen hebben vóór het verbreken van hun relatie de woning te koop gezet, in december 2014. Voor de verkoop hadden zij makelaar [betrokkene 1] ingeschakeld. De vraagprijs van de woning was toen € 895.000,00.

In 2019 heeft [gedaagde] aangegeven de opdracht aan makelaarskantoor [betrokkene 1] te willen intrekken. Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de voorgenomen verkoop van de woning. In 2021 is makelaar [betrokkene 2] ingeschakeld om de woning te verkopen.

In 2022 en 2023 hebben partijen drie kortgedingprocedures gevoerd over de verkoop van de woning bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 15 juni 2023 is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde] voor het sluiten van de koopovereenkomst met de potentiële kopers en het ondertekenen van de leveringsakte van de woning voor een koopsom van € 670.000,00 kosten koper. De levering van de woning was gepland op 29 september 2023. Omdat [gedaagde] niet (op tijd) tot ontruiming van de woning overging, heeft de deurwaarder van 27 tot 29 september 2023 de woning ontruimd. Op 29 september 2023 is de woning geleverd aan de kopers.

Van de overwaarde van de woning is een bedrag van € 125.000,00 bij de notaris in depot gehouden. Van de resterende overwaarde hebben partijen ieder de helft uitgekeerd gekregen.

4. Het geschil

in conventie

[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen:

1. tot betaling binnen veertien dagen na de betekening van het te wijzen vonnis van een bedrag van € 848.743,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding,

2. tot afgifte binnen veertien dagen van de aan [eiser] verknochte goederen zoals weergegeven op de bij partijen bekende inboedellijst, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00,

3. in de proceskosten.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] doordat hij de verkoop van de woning ernstig heeft gefrustreerd, waardoor er een lagere verkoopopbrengst is gerealiseerd dan mogelijk was. Medio december 2021 is er door een belangstellende een bod gedaan van € 765.000,00. Dat bod is door [gedaagde] geweigerd. De woning is later verkocht voor een bedrag van € 670.000,00. [eiser] heeft hierdoor een schade geleden van (€ 95.000,00 : 2 =)€ 47.500,00, die door [gedaagde] moet worden vergoed. Daarnaast vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 9.600,00 als gevolg van door haar betaalde premies voor de opstalverzekering in de periode nadat de samenleving was beëindigd. Ook komt aan [eiser] de helft van de huurpenningen van de bedrijfsruimte toe. De bedrijfsruimte is sinds 2015 tot eind september 2023 verhuurd geweest. Uitgaande van een huurprijs van € 500,00 per maand en een verhuurperiode van 96 maanden dient [gedaagde] een bedrag van € 24.000,00 aan [eiser] te betalen. Verder heeft [eiser] de laatste termijnbetaling van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 549,49 betaald, omdat [gedaagde] dat had nagelaten en zij door de hypothecaire geldlener daartoe werd aangesproken. [gedaagde] had deze betaling moeten doen, omdat hij de gebruiker was van de woning. [gedaagde] is dit bedrag aan [eiser] verschuldigd. Verder moet de vof nog afgewikkeld worden. Uit de jaarrekening 2008 volgt dat het vermogen van de vof per 31 december 2008 € 127.095,00 bedroeg. Hiervan komt aan [eiser] de helft toe, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 20009 ten bedrage van € 140.272,11 per 13 mei 2024. De vordering uit hoofde van de verdeling van de vof komt daarmee uit op een bedrag van € 203.819,00 per 13 mei 2024.

In de jaarrekening 2008 is een post “voorzieningen” opgenomen ten bedrage van € 86.029,00, wat ziet op niet gegarandeerde banktegoeden. Deze voorziening heeft zich niet verwezenlijkt. Aan [eiser] komt de helft van dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 20 november 2009 ten bedrage van € 94.948,42 per 13 mei 2024. Daarnaast volgt uit de jaarrekeningen 2006, 2007 en 2008 dat aan elk van de vennoten inkomen is toebedeeld, maar [eiser] heeft de aan haar toegekende bedragen niet ontvangen. Omdat [gedaagde] het beheer over de vennootschap voerde is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt ten laste van [eiser] , dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . De onttrekkingen aan de vennootschap over de jaren 2006, 2007 en 2008 die aan [eiser] toekomen bedragen in totaal € 107.979,00. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 67.212,88 per 13 mei 2024. Verder zijn er van het vermogen van de vennootschap vijf chalets aangeschaft, die tot de gemeenschap van partijen zijn gaan behoren. Deze chalets zijn door [gedaagde] verkocht en de koopsom van (ten minste) € 50.000,00 is door [gedaagde] ontvangen. Aan [eiser] komt de helft van dit bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 12.089,62 per 13 mei 2024. Ook heeft [eiser] recht op de helft van de huuropbrengsten van de chalets gedurende een periode van vijf jaar. De netto huuropbrengst bedraagt € 240.000,00. [gedaagde] moet de helft van dit bedrag aan [eiser] betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 58.030,17 per 13 mei 2024. Verder heeft [eiser] een overbedelingsvordering op [gedaagde] van € 35.000,00 voor de inboedel en voertuigen die aan [gedaagde] kunnen worden toebedeeld.

Al deze posten bij elkaar opgeteld leiden tot een vordering van in totaal € 848.743,69 op [gedaagde] .

[gedaagde] dient daarnaast de aan [eiser] verknochte zaken die vermeld zijn op de inboedellijst (productie 29 van [eiser] ) af te geven.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal veroordelen:

1. tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van een bedrag van € 101.127,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2024,

2. tot betaling van een bedrag van € 56.000,00 wegens door [gedaagde] betaalde vaste lasten en onderhoudskosten van het chalet dat eigendom was van [eiser] ,

3. tot betaling van een nader vast te stellen bedrag wegens niet voldane kosten van de huishouding,

4. tot afgifte van de Knaus Caravan en tot afgifte van het kentekenbewijs van de Chevrolet binnen veertien dagen na de betekening van het te wijzen vonnis,

5. zorg te dragen voor het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijke verplichting voor de hypotheek die rustte op het chalet, aangegaan bij de Rabobank, binnen een maand na de betekening van het te wijzen vonnis,

6. tot afgifte binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis van de schuur en de schommel.

[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft bij de aankoop van de woning in 2009 uit eigen middelen een bedrag van € 202.254,57 betaald. [eiser] dient de helft van dit bedrag aan [gedaagde] te vergoeden. Verder heeft [gedaagde] zich als medeschuldenaar verbonden aan de hypothecaire geldlening voor het chalet waarvan [eiser] eigenaar is. [eiser] moet ervoor zorgen dat [gedaagde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening. Ook heeft [gedaagde] jarenlang diverse lasten voor het chalet betaald en werkzaamheden gedaan aan het chalet, wat hem ongeveer € 56.000,00 heeft gekost. [eiser] moet dit bedrag aan [gedaagde] betalen. Daarnaast heeft [gedaagde] in de jaren 2009 tot en met 2015 ruim € 500.000,00 betaald aan kosten voor de huishouding en voor verbouwingen. Deze kosten komen voor rekening van partijen naar rato van het inkomen. [gedaagde] is niet op de hoogte van het inkomen van [eiser] in die jaren en hij kan dus geen berekening maken van het aandeel van [eiser] . [eiser] is in het bezit (geweest) van de caravan van het merk Knaus, die door [gedaagde] is betaald. [eiser] dient de caravan af te geven aan [gedaagde] . Ook de auto van het merk Chevrolet is door [gedaagde] betaald, maar [eiser] heeft het kentekenbewijs van die auto. De auto was een hobby-project van [gedaagde] en geen auto voor dagelijks gebruik, waardoor die buiten de verdeling dient te blijven. [eiser] moet het kentekenbewijs aan [gedaagde] afgeven. Ook dient [eiser] de schuur en de schommel die bij het chalet stonden aan [gedaagde] af te geven.

[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

De woning

Vordering inbreng [gedaagde]

[gedaagde] vordert vergoeding van de helft van het bedrag dat hij uit eigen middelen heeft betaald voor de aankoop van de woning. [gedaagde] heeft dit onderbouwd met een afschrift van zijn privérekening, waarin drie overboekingen aan de notaris zijn opgenomen voor een bedrag van in totaal € 192.254,57 (productie 6 van [gedaagde] ). [gedaagde] stelt dat hij in totaal € 202.254,57 uit eigen middelen heeft betaald voor de aankoop van de woning en dat deze betaling blijkt uit de afrekening van de notaris.

[eiser] betwist dat [gedaagde] voormeld bedrag heeft betaald. Zij voert aan dat de bankrekening van [gedaagde] , waarvan de betalingen zijn gedaan, is gevoed met bedragen vanaf een andere bankrekening van [gedaagde] , en dat deze laatste bankrekening weer gevoed is met een bedrag van in elk geval € 100.000,00 wegens een uitkering van de gefailleerde Ice Save bank. Uit de jaarrekeningen van de vof volgt dat het saldo van de Ice Saverekening ten bedrage van € 186.029,00 behoorde tot het kapitaal van de vof, aldus [eiser] . Door het (laten) bijschrijven van de betaling van € 100.000,00 door Ice Save op zijn privé-bankrekening heeft [gedaagde] volgens [eiser] een onttrekking gedaan aan het kapitaal van de vof, dat voor de helft aan [eiser] toekomt.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 onder 2. van de samenlevingsovereenkomst (productie 1 van [eiser] ) is bepaald dat de partij die ter zake van de koopsom en de kosten betreffende de verkrijging van de woning uit eigen middelen meer dan zijn/haar aandeel heeft betaald, voor het meerdere een vordering heeft op de andere partij. Gelet op de betwisting door [eiser] zijn de bankafschriften die [gedaagde] heeft overgelegd onvoldoende voor het bewijs dat hij het gestelde bedrag uit eigen middelen heeft betaald. De afrekening van de notaris, waaruit de betaling van het bedrag van € 202.254,57 volgens [gedaagde] zou moeten blijken, is niet als productie ingebracht. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij over stukken beschikt waaruit blijkt welke bedragen hij van zijn eigen geld heeft betaald ten aanzien van de woning. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om op dit punt een nadere akte in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het gevolg hiervan is dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] de gestelde eigen gelden heeft besteed aan de woning en dat hij ter zake een vordering heeft op [eiser] . De vordering onder 1. van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.

Vordering schade [eiser] door lagere verkoopopbrengst

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 47.500,00 als schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [gedaagde] doordat hij de verkoop van de woning heeft gefrustreerd, wat heeft geleid tot een lagere verkoopopbrengst.

[gedaagde] voert aan dat hij het bod op de woning in december 2021 niet heeft geaccepteerd omdat hij van de makelaar geen duidelijkheid kreeg over de vraag of een in de woning aanwezig bouwkundig gebrek, waardoor het gevaar op legionellabesmetting bestond, aan de potentiële kopers was medegedeeld. Het bod van € 670.000,00 dat later is gedaan vond hij te laag.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] . Voor het kunnen aannemen hiervan moet sprake zijn van een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Uit de overgelegde stukken in de gevoerde kortgedingprocedures blijkt dat [gedaagde] zijn medewerking aan de verkoop van de woning tegen een koopprijs van € 670.000,00 niet had mogen weigeren, als gevolg waarvan in het vonnis van 15 juni 2023 is bepaald dat dat vonnis in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde] onder de verkoop- en de leveringsakte. Het op genoemde gronden niet hebben willen accepteren van het eerdere bod van € 765.000,00 maakt dat niet dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Van de Zalm heeft gehandeld. Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld. De vordering van [eiser] tot betaling van € 47.500,00 zal daarom worden afgewezen.

Premies opstalverzekering

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 9.600,00 voor door haar betaalde premies voor de opstalverzekering van de woning in de periode nadat de samenleving was beëindigd. In de conclusie na comparitie stelt [eiser] dat deze vordering gaat om de woonverzekering (opstal- en inboedelverzekering) over de jaren 2015 tot en met 2023 en dat het bedrag van de vordering moet worden bijgesteld naar € 5.110,38.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] geen recht op vergoeding van door haar betaalde premies. [gedaagde] voert aan dat hij in april 2020 aan [eiser] heeft laten weten dat hij zelf een nieuwe verzekering had afgesloten en dat zij de hare kon opzeggen. Volgens Verder blijkt volgens [gedaagde] uit de door [eiser] overgelegde polisbladen dat het gaat om de premie van de verzekering van haar chalet en komt die zonder meer voor haar rekening.

In tegenstelling tot wat [gedaagde] heeft aangevoerd, blijkt uit de door [eiser] overlegde polisbladen dat [eiser] een opstal- en een inboedelverzekering voor de woning had tot oktober 2024. Uit de overgelegde betalingsoverzichten van haar bankrekening blijkt dat zij daarvoor premies heeft betaald (productie 26 van [eiser] ). In artikel 11 onder 6. van de samenlevingsovereenkomst staat onder meer het volgende:

Tegelijk met de in lid 5 bedoelde overbedelingsuitkering dient te worden vergoed of verrekend:

a. hetgeen over de periode na beëindiging van deze overeenkomst door een partij is betaald terzake van een woning die uitsluitend door de andere partij was bewoond (...).

Gelet hierop dient [gedaagde] – als gebruiker van de woning – de door [eiser] betaalde premie voor de woonverzekering van de woning aan haar te vergoeden. De stelling van [gedaagde] dat hij een nieuwe verzekering heeft afgesloten en dat hij aan [eiser] heeft gemeld dat zij haar verzekering kon opzeggen is door [eiser] betwist. Nu [gedaagde] zijn stelling niet heeft onderbouwd, kan die niet afdoen aan zijn verplichting om de premies voor de woonverzekering van de woning voor zijn rekening te nemen.

[gedaagde] voert aan dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Partijen hebben ongehuwd samengewoond en daarvoor geldt artikel 3:308 BW, waarin is bepaald dat een rechtsvordering tot betaling van geldsommen verjaart na verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De verjaringstermijn voor de vordering van [eiser] op [gedaagde] ten aanzien van de betaalde premies is gaan lopen een dag nadat de premie door [eiser] is betaald. Nu niet is gesteld of gebleken dat [eiser] telkens tijdig de verjaring van haar vorderingsrechten heeft gestuit, is het vorderingsrecht van [eiser] ten aanzien van de tot 2020 betaalde premies verjaard. Uit productie 26 van [eiser] blijkt dat zij vanaf 2020 jaarlijks de volgende premies heeft betaald voor de woonverzekering ten behoeve van de woning:

2020: € 650,88

2021: 637,83

2022: 600,51

2023: 606,48

Totaal € 2.495,57

[gedaagde] dient dit bedrag aan [eiser] te vergoeden. Van de vordering van [eiser] tot betaling van de premies voor de woonverzekering zal daarom een bedrag van € 2.495,57 worden toegewezen.

Termijnbetaling hypotheek

[eiser] stelt dat zij de laatste termijnbetaling van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 549,49 betaald, omdat [gedaagde] dat had nagelaten en zij door de hypothecaire geldlener daartoe werd aangesproken bij brief van 4 december 2023. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. Op grond van het bepaalde in artikel 11 onder 6. van de samenlevingsovereenkomst (zie hiervoor onder 5.10.) dient [gedaagde] als gebruiker van de woning dat bedrag aan [eiser] te vergoeden. Dit deel van de vordering is dan ook toewijsbaar.

Huurpenningen bedrijfsruimte

[eiser] vordert betaling van € 24.000,00 wegens aan haar toekomende huuropbrengsten van de bedrijfsruimte over de periode 2015 tot eind september 2023. [gedaagde] voert het verweer dat de bedrijfsruimte verhuurd is geweest voor een bedrag van € 500,00 per maand, maar dat er ook periodes zijn geweest waarin de winkel niet verhuurd was en dat er ook kosten waren waardoor de netto inkomsten lager waren. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde] bij randnummer 12 aangekondigd dat hij nog een overzicht van de kosten in het geding zou brengen en dat hij kon aantonen dat hij niet de door [eiser] gestelde huuropbrengsten heeft geïncasseerd. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om na de mondelinge behandeling een nadere akte in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Gelet hierop heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat de bedrijfsruimte in de periode 2015 tot eind september 2023 steeds verhuurd is geweest. Uitgaande van de door [eiser] gestelde periode en een huurprijs van € 500,00 komt de totale huuropbrengst op € 48.000,00. Op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW komt de helft van de huuropbrengsten toe aan [eiser] . Gelet op het verjaringsverweer van [gedaagde] – zie hiervoor onder 5.11. – is de vordering van [eiser] met betrekking tot de huuropbrengsten die vijf jaar of langer vóór de datum van de dagvaarding door [gedaagde] zijn ontvangen, verjaard. De vordering is opeisbaar geworden vanaf de dag na ontvangst van de huurpenningen door [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] eerder dan bij de dagvaarding betaling heeft gevorderd van het haar toekomende deel van de huurpenningen. Het vorderingsrecht van [eiser] ten aanzien van de tot 23 juli 2019 door [gedaagde] ontvangen huurpenningen is daarom verjaard. Dit maakt dat aan [eiser] toekomt de helft van de ontvangen huurpenningen over de periode 23 juli 2019 tot eind september 2023. Dit houdt in 50 maanden x € 500,00 = € 25.000,00 ÷ 2 = € 12.500,00. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Rente

De gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen is niet betwist en zal daarom worden toegewezen.

Het chalet van [eiser]

Kosten chalet

[gedaagde] vordert betaling van een bedrag van € 56.000,00 wegens door hem betaalde vaste lasten en onderhoudskosten voor het chalet van [eiser] . [eiser] betwist dat [gedaagde] de door hem gestelde betalingen ten behoeve van het chalet heeft gedaan. Ook voert [eiser] aan dat, voor zover [gedaagde] al enige vordering ter zake op [gedaagde] zou hebben, die vordering is verjaard.

De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] af, omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde] bij randnummer 37 aangekondigd dat hij een overzicht van de door hem betaalde kosten, voorzien van bewijsstukken, in het geding zou brengen. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om na de mondelinge behandeling een nadere akte in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het gevolg hiervan is dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] de gestelde betalingen ten behoeve van het chalet van [eiser] heeft gedaan. De vordering onder 2. van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen. Gelet hierop hoeft het verjaringsverweer van [eiser] niet beoordeeld te worden.

Ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid

[gedaagde] vordert ook dat [eiser] wordt veroordeeld om ervoor te zorgen dat hij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening ten behoeve van het chalet. [eiser] voert aan dat zij niet voor ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijk kan zorgen, maar dat zij [gedaagde] wel kan vrijwaren wanneer hij door de bank wordt aangesproken tot voldoening van de geldlening.

Vast staat dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypothecaire lening die aan het chalet van [eiser] verbonden is, en dat [eiser] deze gezamenlijke schuld voor haar rekening neemt. In artikel 11 onder 7. van de samenlevingsovereenkomst is het volgende opgenomen:

In geval bij de verdeling een partij een gezamenlijke schuld voor zijn rekening neemt, is deze verplicht de ander partij te vrijwaren voor alle aansprakelijkheid deswege.

Tevens dient de eerstgenoemde partij al het redelijk mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat de andere partij uit iedere aansprakelijkheid voor voormelde schuld wordt ontslagen.

In geval het een hypothecaire schuld betreft, zal aan de schuldeiser worden verzocht te verklaren dat het registergoed niet op grond van de bestaande hypotheek zal worden uitgewonnen voor hetgeen die andere partij overigens aan de schuldeiser verschuldigd is of zal worden.

Het is onduidelijk of [eiser] de lening kan overnemen met ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarvoor is medewerking van de hypotheekverstrekker nodig en niet gesteld is dat dit gerealiseerd kan worden. Daarom kan de vordering van [gedaagde] niet worden toegewezen. Wel rust op [eiser] op grond van voormelde bepaling een inspanningsverplichting om te bewerkstelligen dat [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening wordt ontslagen. Zolang dit niet is gerealiseerd, dient [eiser] [gedaagde] – zoals zij zelf ook erkent – te vrijwaren voor deze schuld.

De vof

[eiser] wenst tot afwikkeling en verdeling van de vof te komen en maakt aanspraak op de helft van het opgebouwde kapitaal ten tijde van het beëindigen van de vof, dat volgens haar aan de hand van de jaarrekeningen kan worden vastgesteld.

[gedaagde] voert aan dat er niets valt af te wikkelen omdat de vordering van [eiser] is verjaard, en daarnaast omdat partijen samen hebben geleefd van de inkomsten uit de vof. De kosten van de huishouding werden daarvan betaald. [eiser] droeg daaraan nagenoeg niets bij, aldus [gedaagde] . Ook stelt [gedaagde] dat in de jaarstukken bij de liquide middelen van de vof ten onrechte het door de Ice Save bank uitgekeerde bedrag, dat aan hem in privé toebehoorde, is opgenomen. [gedaagde] heeft dat geld gebruikt om de verbouwing van de woning te betalen en [eiser] heeft daarvan dus ook geprofiteerd. Verder is volgens [gedaagde] het inkomen dat uit de jaarstukken blijkt niet het werkelijke inkomen uit de onderneming, omdat van de winst 70 % moest worden afgedragen aan de verhuurder van het recreatiepark. Volgens [gedaagde] valt er dus niets meer te verdelen uit de vof.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de informatie uit het handelsregister is de vof ontbonden op 19 november 2009 (productie 2 van [eiser] ). Partijen gaan er beide van uit dat de vof is beëindigd per 19 november 2009. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] is door [eiser] onvoldoende onderbouwd dat er – na al die jaren – nog vermogen uit de vof is dat moet worden verdeeld. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij al het werk deed in de vof en dat [eiser] niet of nauwelijks werkzaamheden heeft verricht. [eiser] was (parttime) stewardess. [gedaagde] deed het werk en had daarbuiten geen ander (betaald) werk. Onbetwist is dat het grootste deel van de inkomsten van het gezin afkomstig was uit de vof. De kosten van de huishouding werden dus grotendeels betaald uit de inkomsten van de vof, die door [gedaagde] werden vergaard. Ook hadden partijen twee paarden, waarvan de kosten uit die inkomsten werden betaald, evenals de gezinsvakanties. Partijen zijn het oneens over de vraag of het bedrag van de Ice Save-bankrekening tot het kapitaal van de vof behoort of dat dat aan [gedaagde] in privé toekomt. Wat hiervan zij, dat [gedaagde] dit geld in de periode dat partijen samen waren heeft aangewend om de woning te verbouwen/op te knappen, is door [eiser] niet (voldoende) weersproken. Daarom moet worden aangenomen dat de gelden ook ten goede van haar zijn gekomen. Door [eiser] is verder niet weersproken dat er van het (positief) resultaat uit de onderneming 70 % moest worden afgedragen aan de verhuurder van het Bungalowpark Klein Canada, waardoor het bedrag dat resulteerde dus veel lager was dan het bedrijfsresultaat in de jaarstukken. Gelet op het vorenstaande is door [eiser] onvoldoende onderbouwd dat er nog vermogen uit de vof is dat moet worden verdeeld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen te verdelen vermogensbestanddelen meer zijn en dat de vof is beëindigd. De rechtbank zal de vordering van [eiser] met betrekking tot het kapitaal van de vof daarom afwijzen. Gelet hierop hoeft het verjaringsverweer van [gedaagde] niet beoordeeld te worden.

Stacaravans/chalets

[eiser] vordert betaling van de helft van de koopsom van de vijf stacaravans/chalets (hierna: stacaravans) die door [gedaagde] zijn verkocht, volgens [eiser] met geld van de vof. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat hij de stacaravans uit zijn eigen middelen heeft betaald en dat de verkoopopbrengst dus ook in zijn privévermogen viel. Verder bedroeg de verkoopopbrengst volgens [gedaagde] niet meer dan de aanschafprijs.

[eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat de vijf stacaravans zijn aangeschaft met geld van de vof. Zij heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de jaarrekening 2008 (pagina 4), maar daaruit blijkt niet dat er een of meer chalets zijn aangeschaft. [eiser] verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat de stacaravans gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden ook naar een e-mailbericht van [gedaagde] van 5 september 2023 (productie 31 van [eiser] ), waarin [gedaagde] ten aanzien van de stacaravans het volgende meldt:

Ook is er na verkoop van 5 chalets een bedrag van netto € 50.000,00 aan het huis besteed door [gedaagde] . Ook dit geld is afkomstig van de privé bankrekening van [gedaagde] .

Hieruit blijkt echter niet dat de stacaravans dan wel de opbrengst daarvan tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen zijn/is gaan behoren. Zaken die met privégeld zijn aangeschaft behoren niet tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen, en wanneer de opbrengst van die zaken aan de woning wordt besteed dan heeft de betalende partij een vordering op de andere partij, op grond van artikel 5 onder 2. van de samenlevingsovereenkomst. De vordering van [eiser] tot betaling van de helft van de koopsom van de stacaravans zal dan ook worden afgewezen,

Nu de stacaravans geen gemeenschappelijk eigendom van partijen waren, kan [eiser] geen aanspraak maken op de helft van de huuropbrengsten van de verhuur van de stacaravans. Ook die vordering zal worden afgewezen.

Kosten van de huishouding

[gedaagde] vordert betaling door [eiser] van haar aandeel in de huishoudelijke kosten. [eiser] betwist dat [gedaagde] een bedrag van € 500.000,00 heeft besteed aan kosten van de huishouding. Ook voert [eiser] aan dat, voor zover [gedaagde] al enige vordering ter zake op [gedaagde] zou hebben, die vordering is verjaard.

De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] af, omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde] bij randnummer 38 aangekondigd dat hij een overzicht van de door hem betaalde kosten van de huishouding in het geding zou brengen. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om na de mondelinge behandeling een nadere akte in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het gevolg hiervan is dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] de gestelde betalingen ten behoeve van de huishouding heeft gedaan. De vordering onder 4. van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen. Gelet hierop hoeft het verjaringsverweer van [eiser] niet beoordeeld te worden.

Gemeenschappelijke goederen

[eiser] heeft ter onderbouwing van haar overbedelingsvordering op [gedaagde] van € 35.000,00 verwezen naar een door haar opgestelde inboedellijst met (indicatieve) waarden (productie 29 van [eiser] ) en gesteld dat de volledige inboedel en de voertuigen, met uitzondering van de aan [eiser] verknochte zaken, aan [gedaagde] kunnen worden toebedeeld tegen vergoeding van voormeld bedrag. [gedaagde] voert aan dat op de door [eiser] overgelegde lijst goederen vermeld staan die niet tot de inboedel behoren, omdat die goederen door hem zijn betaald. Ook stelt hij dat bij het leegruimen van de woning veel goederen zijn beschadigd en dat er ook goederen zijn achtergebleven in de woning. Verder betwist [gedaagde] de waardes die [eiser] aan de goederen toekent. [gedaagde] stelt dat hij ook goederen mist, te weten de Knaus caravan, het kentekenbewijs van de Chevrolet en de schuur en de schommel die bij het chalet van [eiser] stonden. Ten aanzien van deze goederen heeft [eiser] verklaard dat de Chevrolet tot de gemeenschappelijke goederen behoort en aan haar dus de helft van de waarde daarvan toekomt, dat de Knaus caravan niet in haar bezit is omdat die in 2015 is verkocht en dat de schuur en de schommel zijn tenietgegaan en afgevoerd.

In artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat de inboedelgoederen aanwezig in de woning en de auto en/of de motor aan beide partijen, ieder voor de helft, toebehoren, met uitzondering van de kleding en lijfsieraden, goederen die krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen en goederen waarvan uit een door partijen ondertekend stuk blijkt dat deze blijven toebehoren aan één van hen. De gezamenlijke inboedelgoederen en voertuigen zullen verdeeld moeten worden, waarbij in beginsel aan ieder de helft van de (waarde van de) goederen toekomt.

Het verjaringsverweer van [eiser] wordt gepasseerd. De goederen die gemeenschappelijk eigendom zijn moeten worden verdeeld. In artikel 3:178 lid 1 BW is bepaald dat iedere deelgenoot te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen en uit de woorden ‘te allen tijde’ volgt dat deze vordering tot verdeling niet kan verjaren.

[eiser] heeft ten aanzien van de vordering van [gedaagde] aangevoerd dat zij de Knaus caravan heeft verkocht aan het bedrijf van haar ouders en dat zij met de opbrengst daarvan de rekening heeft betaald voor het verblijf op het park van haar ouders. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Op dit punt zal geen beslissing meer worden genomen. De schommel en het schuurtje zijn volgens [eiser] tenietgegaan en afgevoerd. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Met betrekking tot de motor Honda Shadow heeft [gedaagde] aangegeven niet te weten waar die is gebleven, maar dat deze in gebruik was bij [eiser] . Kennelijk is hij van oordeel dat zij die motor kan behouden zonder vergoeding. De vordering van [eiser] tot afgifte van de Peugeot wordt afgewezen, nu zij niet heeft betwist dat deze auto naar de sloop is gegaan. Thans kan niet meer op reële wijze worden vastgesteld welke waarde aan deze auto moet worden toegekend.

Wat de inboedel betreft stelt [gedaagde] dat de kunstvoorwerpen, de zitmaaier, alle goederen in en om de woning, zoals het tuingereedschap, de inrichting van de studio van de man en de bedrijfsmiddelen door hem zijn betaald en behouden. Hij mist een afkortzaag, maar stelt niet dat deze zaag [eiser] is meegenomen. Een overzicht van goederen die [gedaagde] zegt te missen heeft hij ondanks een toezegging daartoe niet in het geding gebracht. [eiser] heeft dit verweer verder niet tegengesproken, zodat zij geen aanspraak kan maken op de kunstvoorwerpen, de zitmaaier, het gereedschap en inventaris van de studio.

De Chrevolet kan volgens [eiser] worden toegescheiden aan de man. De auto dient wel getaxeerd te worden. [eiser] dient het kentekenbewijs aan [gedaagde] af te geven, na betaling door [gedaagde] van de helft van de getaxeerde waarde van de auto. De Harley Davidson is kennelijk bij [gedaagde] verbleven. Ook dit voertuig dient te worden getaxeerd. De helft van de taxatiewaarde komt toe aan [eiser] . De gevorderde wettelijke rente over de betreffende bedragen zal ook worden toegewezen.

Aan alle overige goederen op de lijst van [eiser] wordt voorbijgegaan. Partijen hebben over en weer volstrekt onvoldoende gesteld om op dat punt een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. De waarde van de goederen die aan de een of de ander zouden moeten toegedeeld is uiteraard nihil, voor zover het betreft gewoon meubilair, gordijnen, keukenapparatuur, elektronica en dergelijke. Hoe [eiser] is gekomen tot de haar genoemde bedragen is volstrekt onhelder. Ieder onderbouwing is achterwege gebleven, ook van het antiek dat op de lijst is vermeld. Daarbij zij opgemerkt dat het feit van algemene bekendheid is dat antieke voorwerpen de laatste jaren zeer sterk in waarde zijn gedaald. Mocht [gedaagde] nog beschikken over persoonlijke/verknochte goederen van [eiser] , dan ligt het voor de hand dat hij deze zo spoedig mogelijk aan haar afgeeft.

Proceskosten

Omdat partijen ex-samenwonenden zijn en het geschil de verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen betreft, zal de rechtbank de kosten van de procedure compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis van een bedrag van € 15.545,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de helft van de taxatiewaarde van de Chevrolet auto en van de Harley Davidson motor, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding,

in reconventie

veroordeelt [eiser] tot afgifte van het kentekenbewijs van de Chevrolet nadat [gedaagde] de helft van de taxatiewaarde van de Chevrolet aan [eiser] heeft betaald,

in conventie en in reconventie voorts

wijst het meer of anders gevorderde af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

sa/vg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?