RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser], uit [plaats], eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1984
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, het college
(gemachtigde: mr. P.L. Nolten).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (vergunninghouder).
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 18 maart 2025 waarbij het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het herbouwen van een landbouwschuur in stand is gelaten. Het beroep van eiser is van rechtswege ook gericht tegen het wijzigingsbesluit van 22 oktober 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en vergunninghouder. De gemachtigde van eiser heeft zich op vrijdag 7 november 2025 afgemeld voor de zitting van maandagochtend 10 november 2025 omdat hij griepklachten had. Zoals hij hierbij heeft aangegeven is ook eiser niet verschenen.
1. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar van 18 maart 2025 en het wijzigingsbesluit van 22 oktober 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
3. Vergunninghouder heeft op 13 december 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het slopen en herbouwen van een landbouwschuur op haar perceel dat is gelegen op het adres [locatie] in [plaats] (het perceel).
Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘buitengebied Wijchen’ (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden -2’. De schuur is gesitueerd op gronden die gelegen zijn binnen het bouwvlak.
Het college heeft op 13 augustus 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’ (het primaire besluit) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
In de beslissing op bezwaar van 18 maart 2025 heeft het college het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Op verzoek van vergunninghouder heeft het college de verleende omgevingsvergunning op 22 oktober 2025 gewijzigd (het wijzigingsbesluit). De wijziging betreft verschillende aanpassingen van het uiterlijk van de schuur, zoals een verbreding van de roldeuren en een aanpassing van het materiaal van de dakgoot.
Beroepsgronden
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college ten onrechte besloten dat sprake is van een ondergeschikte wijziging?
5. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de wijziging van de aanvraag heeft aangemerkt als een ondergeschikte wijziging. Eiser voert daartoe aan dat het gehele uiterlijk van de schuur is veranderd door de aangebrachte wijzigingen en dat de werkzaamheden ingrijpend worden gewijzigd.
In het wijzigingsbesluit is het volgende opgenomen:
‘ Aangepast plan
Vanwege voortschrijdend inzicht is op 28 mei 2025 door de vergunninghouder een aangepast plan ingediend.
Het gewijzigd plan voorziet in meerdere visuele aanpassingen, dit betreft:
de plint van de schuur wordt uitgevoerd in betonpanelen met gewassen grind in plaats van metselwerk (baksteen rood/bruin);
het dak wordt uitgevoerd met trapezium sandwich dakpanelen in plaats van golfplaten sandwich dakpanelen;
de dakgoot wordt uitgevoerd met een zware kunststof dakgoot in plaats van een zinken dakgoot;
de sandwich gevelplaat wordt uitgevoerd in de kleurstelling antraciet i.p.v. zwarte sandwich gevelplaat;
de roldeuren worden in een bredere roldeur uitgevoerd.’
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of dit het geval is per concreet geval te worden beantwoord.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen concluderen dat sprake is van een ondergeschikte wijziging. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat door de wijzigingen in de aangepaste aanvraag de functie, locatie en maatvoering van de schuur niet worden gewijzigd. De uiterlijke verschijningsvorm van de schuur is wel gewijzigd, maar deze wijzingen zijn niet zodanig dat deze niet als ondergeschikt kunnen worden aangemerkt. Zo zien de wijzigingen slechts op details van het bouwplan, zoals kleurstelling en materiaalkeuze. Het had op de weg van eiser gelegen om nader aan te voeren waarom het gehele uiterlijk van de schuur is veranderd en de werkzaamheden ingrijpend zijn gewijzigd door het wijzigingsbesluit. De enkele stelling dat dit het geval is, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan?
6. Eiser voert aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat sprake is van een ontbonden beschikking.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij bedoelt een gebonden beschikking. De rechtbank stelt vast dat het college in de beslissing op bezwaar nogmaals heeft besloten dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Met de enkele stelling dat het college ten onrechte heeft besloten dat sprake is van een gebonden beschikking heeft eiser niet onderbouwd waarom de beslissing op bezwaar op dit onderdeel niet rechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de landbouwschuur in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.