RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/442156 / HA ZA 24-510
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
GLOBENERGY OÜ,
gevestigd te Tallinn (Estland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: GlobEnergy,
advocaat: mr. T.G.L.M. Meevis,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GREEN OIL RECYCLING B.V.,
gevestigd te Oldebroek,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Green Oil,
advocaat: mr. J.A. van de Hel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2025,
- de akte uitlating na tussenvonnis van Green Oil,- de akte uitlating na tussenvonnis van GlobEnergy.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 11 juni 2025 (hierna: het tussenvonnis).
verder in conventie
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat de door GlobEnergy op grond van de koopovereenkomst aan Green Oil geleverde producten non-conform zijn in de zin van artikel 35 WKv (r.o. 5.21). In het tussenvonnis heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de koopprijs op grond van artikel 50 WKv mag worden verlaagd omdat de geleverde zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden. Daarbij geldt dat de prijsvermindering het verschil is tussen de waarde die conforme zaken ten tijde en ter plaatse van de aflevering zouden hebben gehad en de waarde van de in werkelijkheid afgeleverde zaken (r.o. 5.26-5.28).
Beoordeeld moet worden of de waardevermindering ertoe leidt dat de koopprijs moet worden verminderd tot een bedrag van € 3.616,20 (exclusief btw), als het bedrag waarvoor Green Oil de producten heeft doorverkocht aan Porkwatt, zoals Green Oil stelt en met facturen onderbouwt. GlobEnergy verzet zich namelijk tegen die koopprijsverlaging, omdat de benaming van de producten op de facturen aan Porkwatt volgens GlobEnergy niet klopt en omdat de duurzaamheidsverklaringen pas na verkoop en levering aan Porkwatt zijn ingetrokken.
In het tussenvonnis is vervolgens bepaald dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over uitsluitend de daarbij genoemde vraagpunten terzake de omvang van de vermindering van de door Green Oil verschuldigde koopprijs (r.o. 5.31). Die vraagpunten houden in:
Wat is de verklaring voor de vermelding “Frituurvetresidue Cat. III” op de facturen van Green Oil aan Porkwatt (productie 12D conclusie van antwoord/eis) in relatie tot de stelling van Green Oil dat het betreft doorverkoop van non-conforme leveringen door GlobEnergy aan Green Oil onder de koopovereenkomst?
Hoe verhouden de data van leveringen aan Porkwatt, de data van de betreffende facturen en de bedragen op de facturen zich tot de datum van intrekking van de duurzaamheidsverklaringen door GlobEnergy op 26 juni 2024, gelet op het gestelde verband tussen de (datum van) intrekking van de duurzaamheidsverklaringen en de omvang van de gestelde schade?
De rechtbank gaat hierna, voor zover van belang, in op wat partijen vervolgens bij akte uitlating na tussenvonnis hebben aangevoerd.
vermelding “Frituurvetresidue Cat. III”
Green Oil stelt dat zij de non-conforme ladingen die zij van GlobEnergy ontving, binnen korte tijd heeft doorgeleverd aan Porkwatt, namelijk op 18, 19, 20 en 24 juni 2024. Green Oil heeft met Porkwatt een doorlopende leveringsrelatie. Uit de facturen van GlobEnergy aan Green Oil blijkt dat het in totaal om 120.620 kg product gaat, terwijl uit de facturen van Green Oil aan Porkwatt blijkt dat 120.500 kg is geleverd, wat een verwaarloosbaar wegingsverschil is van circa 0,1%. De verzamelterm ‘frituurvetresidu’ wordt in de overeenkomst tussen Green Oil en Porkwatt gehanteerd voor al het vet-/olieproduct dat Green Oil aan Porkwatt levert. Daarom staat die term ook op de facturen. De toevoeging ‘Cat. III’ houdt verband met de vermenging die in de opslagtanks van Green Oil kan optreden van plantaardige olie/vetten met dierlijke vetten (frituurresten met vlees/vis) en is in lijn met de regels van de NVWA, aldus Green Oil.
GlobEnergy voert aan dat de facturen van Green Oil aan Porkwatt niet bewijzen dat Green Oil de producten met verlies heeft verkocht. De producten op die facturen komen volgens GlobEnergy niet overeen met de door haar aan Green Oil geleverde producten. De benamingen ‘frituurvetresidu’ en ‘food waste 020304 (…)’ zijn fundamenteel verschillend en inhoudelijk onjuist, omdat frituurvetresidu in de praktijk verwijst naar vetten uit frituurprocessen en niet afkomstig kan zijn van ruwe sojaolie, aldus GlobEnergy. Door deze herbenoeming (herclassificatie) en het wijzigen van het tariefnummer op de factuur gaat bovendien de traceerbaarheid van het product verloren en vervalt op grond van de ISCC-regels dan of na vermenging de mogelijkheid om een duurzaamheidsverklaring te gebruiken, aldus GlobEnergy.
Vaststaat dat Green Oil geen eindafnemer is van het door GlobEnergy geleverde product en dat het product bestemd was voor de productie van biobrandstof (zie onder meer r.o. 5.19 en 5.41 tussenvonnis). Dat het product daadwerkelijk door Green Oil is doorverkocht, is als zodanig niet in geschil en GlobEnergy betwist ook niet dat dit vlot na haar eigen leveringen aan Green Oil is gebeurd. GlobEnergy voert slechts aan dat uit de facturen van Green Oil aan Porkwatt niet blijkt dat deze doorverkoop met verlies plaatsvond omdat de benaming van het product op die facturen volgens GlobEnergy niet klopt. De rechtbank volgt GlobEnergy daarin echter niet. Daarvoor is het volgende van belang.
In de overeenkomst is het door GlobEnergy aan Green Oil geleverde product omschreven als “Food waste veg. - 020304 - crude sunflower oil contaminated or out of specifications No Feed – No Good (…) OR Food waste veg. – 020304 - crude soyben oil contaminated or out of specifications No Feed – No Good (…).”. GlobEnergy verstaat onder “Food waste” etensresten (onder 1 dagvaarding), terwijl Green Oil dit als voedselafval (onder 5 conclusie van antwoord/eis) heeft omschreven. Algemeen bekend is dat “residu” een gangbare term is voor “overblijfsel” of “restant”. Naar het oordeel van de rechtbank is het verschil in benaming van het product in de overeenkomst tussen GlobEnergy en Green Oil en op de facturen van Green Oil aan Porkwatt dus niet zo groot dat het - zoals GlobEnergy aanvoert - als fundamenteel is aan te merken.
Verder onderbouwt GlobEnergy niet waarom sojaolie niet geschikt zou zijn voor frituren en miskent zij dat het onder de overeenkomst te leveren “Food waste”-product niet alleen “soyben oil” maar ook “sunflower oil” betrof. De rechtbank volgt GlobEnergy dus evenmin in haar stelling dat de benaming inhoudelijk onjuist zou zijn.
De rechtbank passeert de stelling van GlobEnergy dat het geleverde product door de herbenoeming en het hanteren van een ander tariefnummer non-conform zou zijn geworden, reeds omdat GlobEnergy dit in te algemene bewoordingen heeft geformuleerd. Zo geeft GlobEnergy niet aan om welke specifieke ISCC-regels het dan zou gaan.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat Green Oil voldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij het door GlobEnergy onder de overeenkomst geleverde product heeft doorverkocht aan Porkwatt, zij het onder de benaming “Frituurvetresidue Cat. III”, zodat dit komt vast te staan.
relatie data leveringen Porkwatt, facturen en intrekking duurzaamheidsverklaringen
Volgens Green Oil heeft zij de facturen aan Porkwatt pas verstuurd nadat GlobEnergy onverwacht en zonder aankondiging op 26 juni 2024 de duurzaamheidsverklaringen introk. Tot dat moment had Green Oil nog geen facturen gestuurd naar Porkwatt voor de leveringen in de periode 18-24 juni 2024. Doordat GlobEnergy de ISCC-certificaten (duurzaamheidsverklaringen) introk, werd het product aangemerkt als niet-duurzaam. Green Oil kon toen niet anders dan Porkwatt factureren voor de levering van niet-gecertificeerd afval ten behoeve van vergisting omdat het product te veel fosfor bevatte en kwalificeerde als niet-duurzaam.
Volgens GlobEnergy is het onjuist dat de producten als non-conform of niet-duurzaam zijn verkocht omdat de eerste levering aan Porkwatt een dag voor de eerste testuitslag plaatsvond en de leveringen aan Porkwatt plaatsvonden voor intrekking van de certificaten. Green Oil heeft volgens GlobEnergy verklaard dat de eerste zending (Moerdijk 14 juni 2024) aan boord van de Volharding 12 was vermengd en aan een andere klant in Amsterdam was verkocht, zodat deze zending niet aan Porkwatt kan zijn geleverd. Toch neemt Green Oil deze zending (23,68 ton) mee in de aan Porkwatt geleverde hoeveelheden: er is een verschil tussen het genoemde totaal van 120.500 kg terwijl elders slechts 96.940 kg wordt vermeld. Deze inconsistentie wijst er volgens GlobEnergy op dat de facturering aan Porkwatt kunstmatig is aangepast. De facturen zijn niet authentiek omdat niet blijkt dat Porkwatt deze heeft betaald, aldus GlobEnergy.
De rechtbank stelt vast dat GlobEnergy niet is ingegaan op de stelling van Green Oil dat de facturen aan Porkwatt zijn opgemaakt nadat GlobEnergy op 26 juni 2024 de duurzaamheidsverklaringen introk en dat Green Oil Porkwatt daardoor voor de leveringen in de periode 18-24 juni 2024 vervolgens een lager bedrag in rekening moest brengen. De facturen die Green Oil Porkwatt op 27 juni 2024, 5 juli 2024 en 31 juli 2024 stuurde, dateren ook van na die intrekking. Ook al hebben de leveringen aan Porkwatt plaatsgevonden vóór de intrekking van de duurzaamheidsverklaringen, de prijs die Green Oil Porkwatt in rekening heeft gebracht, is dus gebaseerd op de (waarde verminderende) gevolgen van die intrekking (zie ook tussenvonnis r.o. 5.20-5.21). Voor vaststelling van de omvang van de waardevermindering neemt de rechtbank als uitgangspunt de prijs die Green Oil blijkens haar facturen aan Porkwatt in rekening bracht, namelijk € 30,00 per ton. GlobEnergy heeft namelijk niet betwist dat een non-conform product als waar het hier om gaat, dat te hoge fosforgehalten kent en waarvan de duurzaamheidsverklaring is ingetrokken, € 30,00 per ton waard is. Het verband tussen de intrekking en de aan Porkwatt gefactureerde bedragen komt daarmee vast te staan.
Wat GlobEnergy wel heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Feitelijk onjuist is namelijk de stelling van GlobEnergy dat de eerste levering aan Porkwatt een dag voor de eerste testuitslag plaatsvond. De eerste levering door Green Oil aan Porkwatt vond plaats op 18 juni 2024. Dit volgt uit de in zoverre niet door GlobEnergy betwiste factuur van 27 juni 2024. In het tussenvonnis is vastgesteld (r.o. 5.9) dat Green Oil op 14 juni 2024 aan GlobEnergy heeft doorgegeven dat de lading die GlobEnergy die dag leverde, volgens het testresultaat te veel fosfor bevatte. De eerste levering aan Porkwatt vond dus plaats na de eerste testuitslag. De rechtbank volgt GlobEnergy evenmin in haar stelling dat Green Oil heeft verklaard dat zij de eerste zending (23,68 ton) aan een andere klant in Amsterdam zou hebben doorgeleverd. GlobEnergy heeft namelijk niet aangewezen waar of wanneer Green Oil in de door GlobEnergy gestelde zin over die verkoop zou hebben verklaard. Voor zover GlobEnergy daarbij heeft gedoeld op de facturen van De Volharding (producties 12A-C conclusie van antwoord/eis), overweegt de rechtbank dat daaruit volgt dat de lading is gelost in Amsterdam. De plaats van lossing zegt echter nog niets over de vraag wie de koper is. De rechtbank volgt GlobEnergy ook niet voor zover zij aanvoert dat het totaal van 120.500 kg inconsistent is omdat - in de woorden van GlobEnergy - elders slechts 96.940 kg wordt vermeld. De rechtbank begrijpt dat GlobEnergy daarbij kennelijk doelt op een passage in de conclusie van antwoord/eis onder 39. De daar genoemde hoeveelheid van 96,94 ton plaatst de rechtbank echter in verband met de hoeveelheid van vervolgladingen met ordernummers 244693, 244784, 244787 en 244785, welke ladingen zijn gelost in twee andere gehuurde tanks vanwege de non-conformiteit van de eerdere lading met ordernummer 244692. Een ‘kunstmatige aanpassing’ van de facturen, zoals GlobEnergy aanvoert, komt dan ook niet vast te staan. Verder heeft GlobEnergy niet onderbouwd waarom een betalingsbewijs geldt als vereiste voor het aannemen van de authenticiteit van een factuur, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat.
conclusie koopprijsvermindering
De rechtbank is, gelet op hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis (r.o. 5.29-5.30) en gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de waarde van het in werkelijkheid door GlobEnergy aan Green Oil geleverde product als gevolg van de non-conformiteit moet worden vastgesteld op het bedrag dat Green Oil aan Porkwatt in rekening heeft gebracht als koopprijs.
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank reeds beslist dat GlobEnergy Green Oil niet kan tegenwerpen dat zij de ladingen niet heeft teruggestuurd (r.o. 5.27) en evenmin dat zij de ladingen heeft doorverkocht zonder overleg met GlobEnergy (r.o. 5.48).
De koopprijs waarop GlobEnergy recht heeft, moet dus worden verminderd tot € 3.616,20. De vordering van GlobEnergy in conventie zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen. In het tussenvonnis is al beslist dat Green Oil wettelijke handelsrente verschuldigd is met ingang van 16 juli 2024 (r.o. 5.37), alsmede dat de vordering van GlobEnergy tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen (r.o. 5.38).
verder in reconventie
In het tussenvonnis is beslist dat de vordering in reconventie van Green Oil uit hoofde van schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 39.637,18 (r.o. 5.45), alsmede dat over dat bedrag wettelijke rente verschuldigd is vanaf 31 juli 2024 (r.o. 5.46).
Verder overweegt de rechtbank nog het volgende. GlobEnergy betrekt in haar akte uitlating na tussenvonnis onder randnummers 13 en 14 stellingen over de eerste lossing in Moerdijk op 14 juni 2024 en op historische AIS-gegevens van Volharding 12 en Volharding 8 terzake bewegingen en havenverblijven. Op grond daarvan stelt GlobEnergy dat er geen feitelijke verklaringen of logboeken zijn die aantonen dat de vertraging in de levering aan de eindklant van Green Oil door GlobEnergy is veroorzaakt. GlobEnergy legt daarbij een productie over, die volgens GlobEnergy ziet op AIS-gegevens voor Volharding 12 en Volharding 8.
De rechtbank stelt vast dat deze stellingen kennelijk betrekking hebben op de reconventionele vordering van Green Oil, strekkend tot schadevergoeding. Op die vordering heeft de rechtbank in de overwegingen van haar tussenvonnis echter al een eindbeslissing genomen. Bovendien vallen deze nieuwe stellingen van GlobEnergy buiten het bereik van de in het tussenvonnis geformuleerde vraagpunten, die betrekking hebben op de koopprijs waar het geschil in conventie over gaat.
Volgens vaste rechtspraak is de rechter die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, hier in beginsel in het verdere verloop van het geding aan gebonden. De uit de eisen van een goede procesorde voortvloeiende bevoegdheid om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, terug te komen van een eerder gegeven bindende eindbeslissing dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat in een rechterlijke uitspraak wordt uitgegaan van incorrect vastgestelde feiten.
De omstandigheid dat GlobEnergy in haar akte buiten het in het tussenvonnis gekaderde procesdebat is getreden, is op zich voldoende reden om aan haar betoog voorbij te gaan. Daar komt bij dat de rechtbank geen reden ziet om het debat op dit onderdeel te heropenen omdat met de betreffende passages in de akte van GlobEnergy niet is gebleken dat de eerdere door de rechtbank in de overwegingen opgenomen eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Wat GlobEnergy aanvoert is namelijk zeer summier terwijl het als productie 5 overgelegde stuk (dat een A4 beslaat) niet meer dan een reeks data bevat die kennelijk betrekking heeft op Volharding 8 en dus niet Volharding 12 en die begint op de avond van 15 juni 2024. Elke vorm van uitleg door GlobEnergy bij die reeks data ontbreekt bovendien. De rechtbank gaat daarom aan deze stellingen van GlobEnergy voorbij.
verder in conventie
GlobEnergy is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Green Oil worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
4.822,50
(2,5 punt × € 1.929,00 Tarief V)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.578,50
verder in reconventie
GlobEnergy is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het aantal punten wordt daarbij gedeeld door twee, omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie. De proceskosten van Green Oil worden begroot op:
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00 Tarief III)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
925,00
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt Green Oil om aan GlobEnergy te betalen een bedrag van € 3.616,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 16 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt GlobEnergy in de proceskosten van € 11.578,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als GlobEnergy niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
veroordeelt GlobEnergy om aan Green Oil te betalen een bedrag van € 39.637,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt GlobEnergy in de proceskosten van € 925,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GlobEnergy niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verder in conventie en in reconventie
wijst af wat meer of anders is gevorderd,
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 3.1. tot en met 3.4. uitvoerbaar bij voorraad.