RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.378290.24
Datum uitspraak : 24 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan de [adres 1] ,
raadsman: mr. T. Yilmaz, advocaat in 's-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 1
oktober 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- een (grote) hoeveelheid stof(fen) (te weten (in totaal) ongeveer)
- 15,8 kilogram, althans een hoeveelheid, procaïne,
- een (grote) hoeveelheid procaïne hcl,
- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton,
- 1980 liter, althans een (grote) hoeveelheid, aceton,
- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of procaïne HC1,
- 100 liter, althans een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of zoutzuur,
- 60 liter, althans een hoeveelheid, ammonia,
- 60 liter, althans een hoeveelheid, zoutzuur en/of
- 55,4 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, lidocaïne,
- een of meer (hennep)tenten,
- een of meer IBC(’s),
- 2, althans een of meer, elektrische kachels (met 15 kilowatt van het merk Telfort),
- een of meer (sneeuw)scheppen,
- een of meer stukken wit laken,
- een of meer emmers,
- 11, althans een of meer, (elektrische) verwarmingselementen,
- 3, althans een of meer, maatbekers,
- 2, althans een of meer, (houten) pollepels,
- 6, althans een of meer, kunststof kuipen (van 125 liter),
- 6, althans een of meer, koolstoffilters,
- 3, althans een of meer, afzuigslangen,
- een of meer slakkenhuizen,
- 2, althans een of meer, centrifuges (van het merk AEG),
- 9, althans een of meer, ijsemmers,
- een of meer (flexibele) aluminium buizen,
- een of meer weegschalen,
- een of meer klemringen,
- een of meer ventilatoren,
- een of meer doos/dozen met (blauwe) latex handschoenen,
- een of meer krachtstroomkabels,
- een of meer compressoren (geel van het merk Stanley) en/of
- een of meer volgelaatsmaskers,
ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit, ten aanzien van de pleegperiode van 23 augustus 2024 tot en met 1 oktober 2024.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken.
Hij heeft betoogd dat verdachte geen weet heeft gehad van de criminele activiteiten in de loods en dat het begrijpelijk is dat hij die activiteiten over het hoofd heeft gezien. Verdachte was zich dan ook niet bewust van de criminele bestemming van de voorwerpen en stoffen in de loods. De enkele aanwezigheid van verdachte in het pand is niet voldoende om betrokkenheid van verdachte aan te nemen. Voorts is geen sprake zijn van medeplegen omdat een bewuste en nauwe samenwerking niet bewezen kan worden.
Beoordeling door de rechtbank
Aantreffen drugslab [adres 2] in Ulft
Toezichthouder [toezichthouder] van de gemeente Oude IJsselstreek controleerde op 1 oktober 2024 omstreeks 21:15 uur het pand aan de [adres 2] in Ulft. Dit gebeurde naar aanleiding van een melding dat er personen in het pand zouden slapen. [toezichthouder] zag in de loods zakken meel staan. Daarachter zag ze een tentje staan. Vanaf boven, vanaf de balustrade, zag ze jerrycans en kookplaten.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen diezelfde dag om 21:35 uur ter plaatse. [verbalisant 1] zag dat er in de loods pallets met zakken stonden die het zicht op de rest van de loods ontnamen. Achter de pallets trof hij honderden blauwe en doorzichtige vaten aan, twee grote IBC-tanks en een kweektent waarin wit poeder op de grond lag.
Op 2 oktober 2024 hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een nader onderzoek uitgevoerd. Zij zagen in het pand, achter de opgestapelde pallets met witte zakken, een grotere witte tent en een kleinere zwarte tent. In het pand was een sterke acetongeur te ruiken.
In de witte tent zagen zij een opstelling van zes kuipen van elk 125 liter en een grote hoeveelheid vervuilde emmers. Een monster van een oranje/bruine substantie uit twee van de kuipen werd door het NFI getest en bevatte procaïne en aceton. Een monster van wit poeder uit de emmers werd indicatief getest als procaïne hcl.
In de tent was een provisorische afzuiginstallatie aanwezig die bestond uit twee koolstoffilters en een slakkenhuis. In de zwarte tent troffen ze twee elektrische kachels aan. Op de grond lagen vervuilde stukken lakens en drie stukken lakens met in elk een hoeveelheid witte brokken. Deze brokken werden indicatief getest als procaïne. In de ruimte tussen de witte tent en de pallets werd een grote hoeveelheid jerrycans aangetroffen, gevuld met onder andere vervuilde aceton, schone aceton, zoutzuur en ammoniak. Ook werden hier twee vervuilde centrifuges aangetroffen met daarin restanten wit poeder. Verder werden er zakken gevonden met onder andere procaïne en lidocaïne.
Daarnaast werden nog aangetroffen: een sneeuwschep, negen elektrische verwarmingselementen, drie maatbekers, twee houten pollepels, zes koolstoffilters, twee afzuigslangen, twee centrifuges, negen ijsemmers, een aluminium buis, weegschalen, klemringen, ventilatoren, een doos met blauwe latex handschoenen, krachtstroomkabels, een gele compressor en een volgelaatmasker.
[verbalisant 3] , [verbalisant 4] en verbalisant [verbalisant 5] hebben het pand nader beschreven. Het pand heeft drie toegangsdeuren. Twee deuren zijn sectionaaldeuren die direct toegang bieden tot de loods. De laatste is een normale toegangsdeur die toegang biedt tot het kantoorgedeelte en opent in de kantine.
Wanneer je de kantine binnenloopt is direct rechts een glazen wand en een toegangsdeur tot de loods gesitueerd. Vanaf hier zijn de meelzakken en een grijze bestelbus te zien, die geparkeerd staat voor de meelzakken. Achter de kantine bevindt zich een wenteltrap naar de eerste verdieping. Daar bevindt zich de ruimte die [verbalisant 5] aanduidt als ‘kantoor’. Door de glazen wand in het kantoor kan redelijk goed over de pallets heen worden gekeken waarbij een groot deel van hetgeen daarachter staat kan worden waargenomen. Vanuit de achterste ruimte die wordt aangeduid als ‘slaapkamer’, is door de glazen wand – alsook door de deuropening aan de achterzijde van deze ruimte – goed zicht op de goederen achter de pallets.
Huur en verhuur van de [adres 2] in Ulft
De eigenaar van het pand betreft [naam 1] . Hij heeft het pand sinds februari 2023 verhuurd aan [naam 2] . Vanaf maart 2024 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het pand ondergehuurd van [naam 2] . [medeverdachte 1] zou € 3.270,16 per maand moeten betalen, maar [naam 2] verklaart dat hij dat bedrag nog geen enkele keer ontvangen heeft. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op enig moment wilde stoppen met het huren van het pand en dat verdachte toen de nieuwe onderhuurder van [naam 2] is geworden.
In het pand is een huurovereenkomst aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte vanaf 1 juli 2024 de onderhuurder is van het pand (kantoorruimte en loods) voor een totaalbedrag van € 3.270,16 per maand. [naam 2] heeft verklaard dat hij van verdachte nog nooit huur ontvangen heeft.
Op het kantoor in het pand werd een document van de Kamer van Koophandel gevonden waaruit blijkt dat verdachte op 18 juli 2024 de eenmanszaak ‘ [bedrijf 1] ’ heeft opgericht met als vestigingsadres de [adres 2] .
Op het moment dat verdachte de nieuwe onderhuurder werd, heeft hij de sloten van het pand vervangen. Verdachte heeft verklaard dat er vanaf dat moment drie sleutels voor de reguliere toegangsdeur waren. Eén sleutel hield hij voor zichzelf. Een tweede sleutel lag in een keukenla in het pand. De derde sleutel lag op een verstopplek ergens buiten het pand. Deze plek hadden verdachte en [medeverdachte 1] samen afgesproken, voor noodgevallen. De roldeur van de loods werd bediend door middel van een afstandsbediening. De inpandige tussendeur tussen de kantine en de loods was dicht, maar de sleutel zat volgens verdachte altijd in het slot en de loods was dus vrij toegankelijk vanaf de kantine.
Zakken meel
In het kantoor heeft de politie een CMR, een vrachtbrief, aangetroffen. Hieruit blijkt dat op 23 augustus 2024 20.340 kilogram ‘maize corn flour’ is gelost op naam van [bedrijf 1] op de [adres 2] . Verdachte heeft getekend voor de ontvangst van het meel.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte hem had verteld dat hij het meel had gekocht.
Aanwezigheid verdachte op de [adres 2] in Ulft
Toen [toezichthouder] op 1 oktober 2024 de [adres 2] controleerde, trof zij in het pand medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan. [medeverdachte 1] opende voor [toezichthouder] de deur en verklaarde dat hij de huurder was en dat een vriend van hem het pand huurde en dat die vriend vlak voor [toezichthouder] arriveerde het pand had verlaten. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat [verdachte] (verdachte) het pand huurde. Volgens [medeverdachte 1] kwam verdachte twee à drie keer in de week langs bij het pand. Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij verdachte in de paar dagen voor 1 oktober enkele malen gezien heeft in het pand.
Tijdens de doorzoeking van het pand is in de tweede ruimte boven (de ‘slaapkamer’) een zwarte koffer aangetroffen met daarin kleding en papieren op naam van verdachte, waaronder diverse pasjes en een kopie van zijn paspoort. Verdachte heeft verklaard dat hij soms in het pand heeft geslapen en dat daar ook nog spullen van hem lagen.
Telefoon
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte onder ‘ [verdachte] ’ in zijn telefoon staat. In de telefoon van [medeverdachte 1] is een contact aangetroffen met de naam ‘ [naam 3] ’. Tussen 15 juli 2024 en 1 oktober 2024 hebben [medeverdachte 1] en ‘ [naam 3] ’ in totaal 57 keer contact met elkaar gehad. Deze ‘ [naam 3] ’ maakte daarbij gebruik van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] .
Uit de analyse van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] blijkt dat het telefoonnummer op 1 oktober 2024, om 01:30 uur, verbinding maakte met de zendmast aan de [adres 3] in Ulft die dekking biedt op de productlocatie, de rechtbank begrijpt de locatie aan de [adres 2] .
Volgens de historische verkeersgegevens heeft het nummer + [telefoonnummer 1] in de bevraagde periode (van 1 mei 2024 tot en met 1 oktober 2024) verbinding gemaakt met de zendmast in Ulft. Er is onderzocht wanneer het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] tegelijk met het telefoonnummer + [telefoonnummer 2] verbinding maakte met de mast in Ulft. Dat was op 22 en 30 augustus en 1, 6, 16, 23, 24, 26 en 29 september 2024. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het nummer + [telefoonnummer 2] bij hem in gebruik is.
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van [naam 4] blijkt dat hij vanaf 9 september 2024 tot 29 september 2024 vrijwel dagelijks contact heeft gemaakt met de mast in Ulft en dat dat met name lange datasessies van acht uur betroffen. Dit was onder andere op 23 en 29 september 2024.
Tussenconclusie
De rechtbank overweegt dat in het pand aan de [adres 2] in Ulft spullen en stoffen zijn aangetroffen bestemd tot het bewerken van procaïne. De rechtbank is ermee bekend dat procaïne een versnijdingsmiddel van cocaïne is. De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën die aangetroffen worden op locaties waar (synthetische) drugs vervaardigd of bewerkt worden. De verschillende ruimtes van het pand waren ingericht en gebruikt voor het op grote schaal bewerken van een versnijdingsmiddel van cocaïne, namelijk procaïne, met behulp van aceton. Precursors en versnijdingsmiddelen vallen ook onder het bereik van het begrip ‘stoffen’ zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Zakken met duizenden kilo’s meel waren zodanig opgesteld dat de spullen aan het zicht van buiten werden onttrokken. Deze stonden op naam van het bedrijf van verdachte en verdachte heeft de zakken in ontvangst genomen.
Verdachte was onderhuurder van het pand. Hij heeft de sloten vervangen en had met de daarbij behorende sleutel vrij toegang tot het pand en tot de loods. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] en uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , die de rechtbank aan verdachte toeschrijft, leidt de rechtbank af dat verdachte daar ook regelmatig is geweest, waaronder op 1 oktober 2024. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook in de slaapkamer boven moet zijn geweest. Zijn spullen zijn daar aangetroffen en verdachte heeft ook verklaard dat hij soms in het pand sliep. Het procaïne-lab en de drugs-gerelateerde spullen waren vanaf de twee ruimtes boven redelijk tot goed te zien en daarnaast hing er een aceton-geur in het pand. De voorgaande feiten en omstandigheden vormen sterke aanwijzingen dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] wisten van en een rol hadden bij de drugsgerelateerde spullen in de loods. In elk geval hadden zij toegang had tot het bedrijfspand en de inpandige loods en konden zij beschikken over de spullen die daar stonden.
Alternatief scenario
Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn beweegredenen om de [adres 2] te huren. Hij zou een kantoor nodig hebben gehad voor de oprichting van zijn nieuwe bedrijf, ‘ [bedrijf 1] ’ maar omdat de loods bij het kantoorgedeelte hoorde moest hij ook de loods huren. Verdachte heeft ook verklaard dat hij een autogarage of autogalerij wilde beginnen met een vriend en dat de loods daarvoor bedoeld was, maar dat de zaken gelijk al slecht liepen. Een andere verklaring die verdachte heeft gegeven, is dat hij met [medeverdachte 1] een bedrijf wilde starten maar dat dat bedrijf nog niet actief was en dat hij daarom de loods niet kon betalen. In ieder geval was het nodig om de loods onder te verhuren.
Verdachte werd vervolgens benaderd door een vriend met de vraag of hij tegen betaling een lading meel tijdelijk kon stallen in de loods. Hij was naar eigen zeggen dus tussenpersoon, maar geen eigenaar van het meel. Dat ‘ [bedrijf 1] ’ volgens de CMR de bestemde ontvanger was van het meel moet een fout zijn, hij heeft het meel alleen aangenomen. Op het moment dat het meel werd geleverd, zou verdachte het als een rij (de rechtbank begrijpt: langs de muur) hebben neergezet. Dat het meel later in een nieuwe opstelling stond, als het ware een scheidingsmuur door de ruimte heen, heeft hij niet gezien.
Verdachte is een maand later benaderd door [naam 5] die geïnteresseerd was in het onderhuren van de loods. Dat er al pallets meel in de loods stonden, maakte [naam 5] niet uit. [naam 5] zou gedurende drie maanden tandartsmedicatie in de loods willen opslaan. Verdachte en [medeverdachte 1] waren het er over eens dat zij alleen de loods zouden onderverhuren en het kantoorgedeelte voor zichzelf zouden houden. Verdachte heeft vervolgens een afstandsbediening van de sectionaaldeuren die toegang tot de loods gaven aan [naam 5] gegeven.
Het ondertekende huurcontract tussen verdachte en [naam 5] zou in het kantoor te vinden zijn. Toen er geen huur werd betaald, heeft verdachte gezegd dat [naam 5] moest vetrekken. Hij en zijn medewerkers zijn toen ook daadwerkelijk weggegaan.
Verdachte heeft wel jerrycans zien staan met een zeil daaroverheen, maar het is hem niet opgevallen dat de spullen geen medicijnen betroffen. Bovendien heeft hij alle andere spullen en de tenten niet gezien. Hij heeft de spullen niet onderzocht omdat hij niet vermoedde dat het in werkelijkheid om drugs-gerelateerde producten ging.
Verwerping alternatief scenario
De rechtbank overweegt dat verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen op verschillende punten niet overeenkomen met de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarnaast is zijn verklaring ook onaannemelijk vanwege de volgende punten.
De rechtbank vindt het ten eerste opmerkelijk dat verdachte de bedrijfsruimte in Ulft heeft gehuurd, gezien het feit dat hij zelf in Den Haag woont en niet over een rijbewijs beschikt.
Verder is het niet aannemelijk dat verdachte een grote bedrijfsruimte voor het aanzienlijke maandbedrag van € 3.270,16 zou huren zonder dat, of voordat, hij die daadwerkelijk nodig heeft of kan betalen. Uit de verschillende verklaringen van verdachte komt steeds naar voren dat hij het pand zou hebben gehuurd voor een bedrijf dat hij in de toekomst wilde beginnen maar dat in ieder geval nog niet opgestart was en ook nog weinig of geen inkomsten genereerde. Volgens papieren die zijn aangetroffen in het kantoor is de eenmanszaak opgericht op 18 juli 2024, terwijl de huur van de loods is aangegaan vanaf 1 juli 2024. Volgens verdachte moet dat een fout in de papieren zijn, maar dat acht de rechtbank onwaarschijnlijk.
Uit het dossier volgt niet dat de loods aan [naam 5] is onderverhuurd. In het kantoor zijn meerdere ondertekende overeenkomsten aangetroffen, maar niet een ondertekende versie van de overeenkomst met [naam 5] . Er is alleen maar een niet ondertekende versie aangetroffen. Op die overeenkomst staat bovendien dat [naam 5] het gehele pand (de gehele 1200 m2) zou gaan huren, wat niet overeenkomt met de verklaring van verdachte. De overeenkomst bevat bovendien geen ingangsdatum. Op de telefoon van verdachte is een kopie van het ID-bewijs van [naam 5] aangetroffen, maar die is hem pas op 9 oktober 2024, dus ruim een week na de inval, toegestuurd. Niet gebleken is dat [naam 5] de bedrijfsruimte wilde huren. [naam 5] heeft verklaard dat hij verdachte en de medeverdachten niet kent en nog nooit in Ulft is geweest.
Een contra-indicatie voor verhuur van de loods is voorts dat in de loods een auto van [medeverdachte 1] is aangetroffen en de aanwezigheid van de pallets meel.
De verklaring van verdachte dat hij dacht dat de voorwerpen tandmedicatie betroffen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Als het daadwerkelijk opslag van tandmedicatie betrof, dan valt niet in te zien waarom werknemers vrijwel dagelijks acht uur lang aanwezig waren in het pand. Dat verdachte wist van de aanwezigheid van de werknemers blijkt uit zijn verhoor.
De verklaring van verdachte dat het meel van een vriend is, is niet concreet en verifieerbaar en in strijd met de gegevens op de CMR. Daaruit blijkt dat verdachte niet alleen getekend heeft voor de ontvangst van het meel, maar dat zijn bedrijf ‘ [bedrijf 1] ’ ook de geadresseerde was. Het meel is duidelijk gebruikt om het procaïnelab te onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Het zicht vanaf de bovenverdieping werd niet belemmerd door het meel of op enige andere wijze. Verdachte kwam in het kantoor en in de slaapkamer. Vanaf het kantoor en de slaapkamer was (redelijk) goed zicht op de spullen. Het is dan ook onaannemelijk dat verdachte het lab en de spullen niet gezien zou hebben.
In het licht daarvan merkt de rechtbank nog het volgende op. Volgens de verklaring van verdachte zouden criminelen heimelijk een drugslab in de loods begonnen zijn. De rechtbank acht het onaannemelijk dat een crimineel een loods zou huren voor de opslag van drugs-gerelateerde spullen en als bewerkings- en versnijdingslocatie, terwijl er vanuit kantoorruimten goed zicht was op deze loods en er regelmatig (niet bij de criminele activiteiten betrokken) mensen aanwezig waren in dat kantoor. Verdachte heeft bovendien verklaard dat de onderhuurder akkoord was gegaan met de aanwezigheid van het meel. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat criminelen een tweede onderhuurder met zijn producten (meel) in de loods geduld zouden hebben. Wanneer buitenstaanders vrij zicht en toegang hebben tot de productielocatie, is er immers een onaanvaardbaar risico op ontdekking.
De verklaring van verdachte dat hij de onderhuurder weg had gestuurd en dat zij ook daadwerkelijk vertrokken waren, komt niet overeen met de feitelijkheid dat alle spullen er nog stonden. Op zijn minst had het verdachte niet kunnen zijn ontgaan dat zijn onderhuurder al zijn spullen had laten staan.
De rechtbank verwerpt gelet op het voorgaande het alternatieve scenario.
Conclusie
Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] wisten van de drugsgerelateerde spullen in de loods. Zij hebben in elk geval de loods met kantoorruimte geregeld, evenals het meel dat de spullen voor passanten aan het zicht onttrok en zij waren regelmatig aanwezig in het pand.
Het gaat om goederen die zijn bedoeld om een feit als in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Daarnaast moet de verdachte hebben geweten of ernstige reden hebben gehad om te vermoeden dat de voorwerpen en stoffen bestemd waren tot het plegen van een dergelijk feit, gelet op de hoeveelheid en aard van de spullen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2024 tot en met 1
oktober 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- een (grote) hoeveelheid stof(fen) (te weten (in totaal) ongeveer)
- 15,8 kilogram, althans een hoeveelheid, procaïne,
- een (grote) hoeveelheid procaïne hcl,
- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton,
- 1980 liter, althans een (grote) hoeveelheid, aceton,
- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of procaïne HC1,
- 100 liter, althans een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of zoutzuur,
- 60 liter, althans een hoeveelheid, ammonia,
- 60 liter, althans een hoeveelheid, zoutzuur en/of
- 55,4 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, lidocaïne,
- een of meer (hennep)tenten,
- een of meer IBC(’s),
- 2, althans een of meer, elektrische kachels (met 15 kilowatt van het merk Telfort),
- een of meer (sneeuw)scheppen,
- een of meer stukken wit laken,
- een of meer emmers,
- negen (elektrische) verwarmingselementen,
- 3, althans een of meer, maatbekers,
- 2, althans een of meer, (houten) pollepels,
- 6, althans een of meer, kunststof kuipen (van 125 liter),
- 6, althans een of meer, koolstoffilters,
- twee afzuigslangen,
- een of meer slakkenhuizen,
- 2, althans een of meer, centrifuges (van het merk AEG),
- 9, althans een of meer, ijsemmers,
- een of meer (flexibele) aluminium buis,
- een of meer weegschalen,
- een of meer klemringen,
- een of meer ventilatoren,
- een of meer doos/dozen met (blauwe) latex handschoenen,
- een of meer krachtstroomkabels,
- een of meer compressoren (geel van het merk Stanley) en/of
- een of meer volgelaatsmaskers,
ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
door twee of meer verenigde personen.
Het bewezenverklaarde levert op:
Een feit, bedoeld in het vierde lid van art. 10, voorbereiden of bevorderen door
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Voorts heeft de officier van justitie bepleit dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een maatregel van kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 4.750,- (een kwart van de totale kosten).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en te volstaan met een straf niet hoger dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Indien er wel een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, verzoekt de raadsman om de schorsing van de voorlopige hechtenis voort te laten duren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het bewerken van procaïne, een versnijdingsmiddel van cocaïne. Cocaïne is een harddrug die zeer verslavend en schadelijk is voor de volksgezondheid. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs en de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en bewerking brengen bovendien grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van harddrugs. Verdachte kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de productie hiervan worden veroorzaakt.
Gelet op het voorgaande, alsmede de oriëntatiepunten van het LOVS, is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om te volstaan met oplegging van de door de raadsman voorgestelde straf.
Ten aanzien van de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat uit het reclasseringsrapport van 10 maart 2025 volgt dat bij verdachte op verschillende leefgebieden sprake is van problemen, namelijk met betrekking tot financiën, dagbesteding en het sociale netwerk. Gelet hierop adviseert de reclassering om bijzondere voorwaarden op te leggen.
Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 24 februari 2025 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Alles afwegend zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen aan verdachte, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Aan de proeftijd zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
Maatregel van kostenverhaal
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp. De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de loods waren namelijk stoffen en andere voorwerpen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en de Staat heeft kosten gemaakt voor de vernietiging hiervan. De rechtbank is van oordeel dat de kosten die zijn opgenomen in de factuur van [bedrijf 2] voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet.
Het totale bedrag van de factuur bedraagt € 19.308,35. Nu het dossier aanwijzingen bevat dat behalve verdachte en diens mededader [medeverdachte 1] nog twee anderen betrokken waren bij de werkzaamheden in de loods, zal de rechtbank het door verdachte te betalen bedrag vaststellen op € 4.750,-.
De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling van voornoemd bedrag aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank zal bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 10 a en 13d van de Opiumwet;
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 4.750,-, ter vergoeding van de kosten van de vernietiging van beslag. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 95 dagen.