ECLI:NL:RBGEL:2025:11037

ECLI:NL:RBGEL:2025:11037, Rechtbank Gelderland, 24-04-2025, 315001

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-04-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 315001
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 47jarige man voor het voorbereiden of bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet door twee of meer verenigde personen. De rechtbank legt aan de man een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden. Oplegging van maatregel van kostenverhaal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.315001.24

Datum uitspraak : 24 april 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Turkije),

wonende aan de [adres 1],

raadsman: mr. O.E. Usma, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 1

oktober 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- een (grote) hoeveelheid stof(fen) (te weten (in totaal) ongeveer)

- 15,8 kilogram, althans een hoeveelheid, procaïne,

- een (grote) hoeveelheid procaïne hcl,

- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton,

- 1980 liter, althans een (grote) hoeveelheid, aceton,

- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of procaïne HC1,

- 100 liter, althans een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of zoutzuur,

- 60 liter, althans een hoeveelheid, ammonia,

- 60 liter, althans een hoeveelheid, zoutzuur en/of

- 55,4 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, lidocaïne,

- een of meer (hennep)tenten,

- een of meer IBC(’s),

- 2, althans een of meer, elektrische kachels (met 15 kilowatt van het merk Telfort),

- een of meer (sneeuw)scheppen,

- een of meer stukken wit laken,

- een of meer emmers,

- 11, althans een of meer, (elektrische) verwarmingselementen,

- 3, althans een of meer, maatbekers,

- 2, althans een of meer, (houten) pollepels,

- 6, althans een of meer, kunststof kuipen (van 125 liter),

- 6, althans een of meer, koolstoffilters,

- 3, althans een of meer, afzuigslangen,

- een of meer slakkenhuizen,

- 2, althans een of meer, centrifuges (van het merk AEG),

- 9, althans een of meer, ijsemmers,

- een of meer (flexibele) aluminium buizen,

- een of meer weegschalen,

- een of meer klemringen,

- een of meer ventilatoren,

- een of meer doos/dozen met (blauwe) latex handschoenen,

- een of meer krachtstroomkabels,

- een of meer compressoren (geel van het merk Stanley) en/of

- een of meer volgelaatsmaskers,

ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit, ten aanzien van de pleegperiode van 23 augustus 2024 tot en met 1 oktober 2024.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft geen voorwaardelijk opzet gehad op de verwerking van cocaïne. Lidocaïne is een stof die ook wel als vervalsing van cocaïne wordt gebruikt en daarmee is daarmee een indicatie van een lab voor nep-cocaïne. Procaïne, lidocaïne en aceton zijn geen stoffen die vallen onder de Opiumwet.

Beoordeling door de rechtbank

Aantreffen drugslab [adres 2] in Ulft

Toezichthouder [toezichthouder] van de gemeente Oude IJsselstreek controleerde op 1 oktober 2024 omstreeks 21:15 uur het pand aan de [adres 2] in Ulft. Dit gebeurde naar aanleiding van een melding dat er personen in het pand zouden slapen. [toezichthouder] zag in de loods zakken meel staan. Daarachter zag ze een tentje staan. Vanaf boven, vanaf de balustrade, zag ze jerrycans en kookplaten.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen diezelfde dag om 21:35 uur ter plaatse. [verbalisant 1] zag dat er in de loods pallets met zakken stonden die het zicht op de rest van de loods ontnamen. Achter de pallets trof hij honderden blauwe en doorzichtige vaten aan, twee grote IBC tanks en een kweektent waarin wit poeder op de grond lag.

Op 2 oktober 2024 hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een nader onderzoek uitgevoerd. Zij zagen in het pand, achter de opgestapelde pallets met witte zakken, een grotere witte tent en een kleinere zwarte tent. In het pand was een sterke acetongeur te ruiken.

In de witte tent zagen zij een opstelling van zes kuipen van elk 125 liter en een grote hoeveelheid vervuilde emmers. Een monster van een oranje/bruine substantie uit twee van de kuipen werd door het NFI getest en bevatte procaïne en aceton. Een monster van wit poeder uit de emmers werd indicatief getest als procaïne hcl.

In de tent was een provisorische afzuiginstallatie aanwezig die bestond uit twee koolstoffilters en een slakkenhuis. In de zwarte tent troffen ze twee elektrische kachels aan. Op de grond lagen vervuilde stukken lakens en drie stukken lakens met in elk een hoeveelheid witte brokken. Deze brokken werden indicatief getest als procaïne. In de ruimte tussen de witte tent en de pallets werd een grote hoeveelheid jerrycans aangetroffen, gevuld met onder andere vervuilde aceton, schone aceton, zoutzuur en ammoniak. Ook werden hier twee vervuilde centrifuges aangetroffen met daarin restanten wit poeder. Verder werden er zakken gevonden met onder andere procaïne en lidocaïne.

Daarnaast werden nog aangetroffen: een sneeuwschep, negen elektrische verwarmingselementen, drie maatbekers, twee houten pollepels, zes koolstoffilters, twee afzuigslangen, twee centrifuges, negen ijsemmers, een aluminium buis, weegschalen, klemringen, ventilatoren, een doos met blauwe latex handschoenen, krachtstroomkabels, een gele compressor en een volgelaatmasker.

[verbalisant 3], [verbalisant 4] en verbalisant [verbalisant 5] hebben het pand nader beschreven. Het pand heeft drie toegangsdeuren. Twee deuren zijn sectionaaldeuren die direct toegang bieden tot de loods. De laatste is een normale toegangsdeur die toegang biedt tot het kantoorgedeelte en opent in de kantine.

Wanneer je de kantine binnen loopt, is direct rechts een glazen wand en een toegangsdeur tot de loods gesitueerd. Vanaf hier zijn de meelzakken en een grijze bestelbus te zien, die geparkeerd staat voor de meelzakken. Achter de kantine bevindt zich een wenteltrap naar de eerste verdieping. Daar bevindt zich de ruimte die [verbalisant 5] aanduidt als ‘kantoor’. Door de glazen wand in het kantoor kan redelijk goed over de pallets heen worden gekeken waarbij een groot deel van hetgeen daarachter staat kan worden waargenomen. Vanuit de achterste ruimte, die wordt aangeduid als ‘slaapkamer’, is door de glazen wand - alsook door de deuropening aan de achterzijde van deze ruimte - goed zicht op de goederen achter de pallets.

Huur en verhuur van de [adres 2] in Ulft

De eigenaar van het pand betreft [naam 1]. Hij heeft het pand sinds februari 2023 verhuurd aan [naam 2]. Vanaf maart 2024 heeft verdachte het pand ondergehuurd van [naam 2]. Verdachte had het pand nodig voor zijn sleepbedrijf, ‘[Bedrijf 1]’. Verdachte verklaart dat hij op enig moment heeft aangegeven te willen stoppen met huren en dat medeverdachte [medeverdachte 1] toen (vanaf 1 juli 2024) de nieuwe onderhuurder van [naam 2] is geworden. De huurprijs voor zowel verdachte als [medeverdachte 1] betrof € 3.270,16 per maand, maar [naam 2] heeft verklaard dat hij van beide mannen nooit huur ontvangen heeft.

Het bedrijf van verdachte, ‘[Bedrijf 1]’ stond op 1 oktober 2024 nog ingeschreven op de [adres 2].

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte zelfstandig toegang had tot het pand. De roldeur van de loods werd bediend door middel van een afstandsbediening. De inpandige tussendeur tussen de kantine en de loods was altijd dicht, maar de sleutel zat volgens [medeverdachte 1] altijd in het slot en de loods was dus vrij toegankelijk vanaf de kantine.

Zakken meel

In het kantoor heeft de politie een CMR, een vrachtbrief, aangetroffen. Hieruit blijkt dat op 23 augustus 2024 20.340 kilogram ‘maize corn flour’ is gelost op naam van het bedrijf van [medeverdachte 1], ‘[Bedrijf 2]’ op de [adres 2]. [medeverdachte 1] heeft getekend voor de ontvangst van het meel.

Verdachte verklaart dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat hij het meel had gekocht.

Aanwezigheid verdachte op de [adres 2] in Ulft

Toen [toezichthouder] op 1 oktober 2024 de [adres 2] controleerde, trof zij in het pand verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] aan. Verdachte opende de deur voor [toezichthouder] en verklaarde dat hij de huurder was.

Verdachte verklaart dat alle kantoorspullen in het pand van hem zijn, evenals een bank, de keukenspullen en twee auto’s (een Volkswagen en een Peugeot). Een van deze voertuigen stond ook in de loods geparkeerd. Hij verklaart ook dat hij wel eens in het pand sliep.

Telefoon

Verdachte heeft verklaard dat zijn telefoonnummer +[telefoonnummer 1] betreft.

De historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte en zijn telefoonnummer zijn onderzocht. Daaruit blijkt dat hij vaak verbinding maakte met een zendmast aan de [adres 3] in Ulft die dekking biedt op de productlocatie, de rechtbank begrijpt de locatie aan de [adres 2]. Het telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan medeverdachte [medeverdachte 1], + [telefoonnummer 2], maakte op verschillende data tegelijkertijd met de telefoon van [verdachte] verbinding met de mast in Ulft. Dat was op 22 en 30 augustus en 1, 6, 16, 23, 24, 26 en 29 september.

Tussenconclusie

De rechtbank overweegt dat in het pand aan de [adres 2] in Ulft spullen en stoffen zijn aangetroffen bestemd tot het bewerken van procaïne. De rechtbank is ermee bekend dat procaïne een versnijdingsmiddel van cocaïne is. De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën die aangetroffen worden op locaties waar (synthetische) drugs vervaardigd of bewerkt worden. De verschillende ruimtes van het pand waren ingericht en gebruikt voor het op grote schaal bewerken van een versnijdingsmiddel van cocaïne, namelijk procaïne, met behulp van aceton. Precursors en versnijdingsmiddelen vallen ook onder het bereik van het begrip ‘stoffen’ zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Zakken met duizenden kilo’s meel waren zodanig opgesteld dat de spullen aan het zicht van buiten werden onttrokken. Deze stonden op naam van het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] en hij heeft die zakken ook in ontvangst genomen.

Verdachte had vrij toegang tot het pand en tot de loods en is daar ook regelmatig geweest, waaronder op 1 oktober 2024. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook in de slaapkamer boven moet zijn geweest. Zijn spullen zijn daar aangetroffen en verdachte heeft ook verklaard dat hij soms in het pand sliep. Het procaïne-lab en de drugs-gerelateerde spullen waren vanaf de twee ruimtes boven redelijk tot goed te zien en daarnaast hing er een aceton-geur in het pand. Dit vormen sterke aanwijzingen dat verdachte en de medeverdachten wisten van en een rol hadden bij de drugsgerelateerde spullen in de loods. In elk geval hadden zij toegang had tot het bedrijfspand en de inpandige loods en konden zij beschikken over de spullen die daar stonden.

Alternatief scenario

Verdachte heeft verklaard dat hij het pand heeft gehuurd omdat hij van plan was om met een compagnon een sleepbedrijf op te zetten. Omdat hij geen compagnon kon vinden en de huur niet meer kon dragen, heeft hij uiteindelijk in samenspraak met [medeverdachte 1] besloten dat [medeverdachte 1] de huur zou overnemen. [medeverdachte 1] zou het pand willen gebruiken voor een groothandel. [medeverdachte 1] besloot toen om de loods onder te verhuren aan een onderhuurder.

Verdachte verklaart dat hij niet weet wie deze onderhuurder zou zijn, maar verklaart ook dat [medeverdachte 1] de gegevens van de onderhuurder naar hem had doorgestuurd en dat de zoon van verdachte het contract had opgemaakt.

Verdachte verklaart dat hij boven alleen in het kantoor kwam en niet in de slaapkamer omdat hij daar niets te zoeken had. Hij heeft vanaf daar alleen het meel zien staan, maar verder niets. Hij heeft niets met het procaïnelab te maken en weet er niets vanaf.

Verwerping alternatief scenario

De rechtbank overweegt dat verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen op meerdere punten niet overeen komen met de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarnaast is zijn verklaring ook onaannemelijk vanwege de volgende punten.

Het is niet aannemelijk dat verdachte een grote bedrijfsruimte voor het aanzienlijke maandbedrag van € 3.270,16 zou huren zonder dat, of voordat, hij die daadwerkelijk nodig heeft of kan betalen. Verdachte verklaart dat hij vooral via de telefoon werkt en eigenlijk geen laptop nodig heeft. De sleepauto parkeert hij normaal gesproken voor zijn woning. Een kantoor of parkeerplekken leek hij dus niet nodig te hebben. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de ruimte zou hebben gehuurd voor een bedrijf dat hij in de toekomst wilde beginnen maar dat in ieder geval nog niet opgestart was (hij had nog geen compagnon gevonden) en nog weinig of geen inkomsten genereerde. De inkomsten van verdachte uit zijn sleepbedrijf betroffen tussen de € 2.500,- en € 4.000,- euro netto en verdachte had bovendien een schuld bij de Belastingdienst van enkele duizenden euro’s. Dat verdachte de loods dus eigenlijk niet kon betalen blijkt wel uit het feit dat hij de huur na een maand heeft moeten opzeggen. [medeverdachte 1] heef de huur van hem overgenomen maar voor hem geldt hetzelfde: hij had de loods niet nodig en kon deze niet betalen.

Het meel is duidelijk gebruikt om het procaïnelab te onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Het zicht vanaf de bovenverdieping werd niet belemmerd door het meel of op enige andere wijze. Verdachte kwam in het kantoor en in de slaapkamer. Vanaf het kantoor en de slaapkamer was (redelijk) goed zicht op de spullen. Het is dan ook onaannemelijk dat verdachte het lab en de spullen niet gezien zou hebben.

Volgens de verklaring van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zou de onderhuurder van [medeverdachte 1], ene [naam 3], verantwoordelijk zijn voor de voorwerpen en stoffen. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring. De verklaring is op geen enkele manier verifieerbaar gemaakt. [naam 3] verklaart dat hij verdachte en de medeverdachten niet kent en nog nooit in Ulft is geweest. Een contra-indicatie voor verhuur van de loods is voorts dat in de loods een auto van [verdachte] is aangetroffen en de aanwezigheid van de pallets meel.

In het licht daarvan merkt de rechtbank nog het volgende op. Volgens de verklaring van verdachte zouden criminelen heimelijk een drugslab in de loods begonnen zijn. Het is onaannemelijk dat een crimineel een loods zou huren voor de opslag van drugs-gerelateerde spullen en als bewerkings- en versnijdingslocatie, terwijl er vanuit kantoorruimtes goed zicht was op deze loods en er regelmatig (niet bij de criminele activiteiten betrokken) mensen aanwezig waren in dat kantoor. [medeverdachte 1] verklaart bovendien dat de onderhuurder akkoord was gegaan met de aanwezigheid van het meel. Het is niet aannemelijk dat criminelen een tweede onderhuurder met zijn producten (meel) in de loods geduld zouden hebben. Wanneer buitenstaanders vrij zicht en toegang hebben tot de productielocatie is er een enorm risico op ontdekking.

De rechtbank verwerpt gelet op het voorgaande het alternatieve scenario.

Conclusie

Verdachte is (voormalig) huurder van de loods. Hij is sleutelhouder van de loods en was daar regelmatig aanwezig. Zijn voertuig stond in de loods, en ook in het kantoorgedeelte stonden spullen van verdachte. Het bedrijf van verdachte stond gevestigd op de [adres 2]. Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] wisten van de drugsgerelateerde spullen in de loods. Die spullen zijn bedoeld om een feit als in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Daarnaast moet de verdachte hebben geweten of ernstige reden hebben gehad om te vermoeden dat de voorwerpen en stoffen bestemd waren tot het plegen van een dergelijk feit, gelet op de hoeveelheid en aard van de spullen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2024 tot en met 1

oktober 2024 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- een (grote) hoeveelheid stof(fen) (te weten (in totaal) ongeveer)

- 15,8 kilogram, althans een hoeveelheid, procaïne,

- een (grote) hoeveelheid procaïne hcl,

- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton,

- 1980 liter, althans een (grote) hoeveelheid, aceton,

- een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of procaïne HC1,

- 100 liter, althans een (grote) hoeveelheid van een substantie bevattende procaïne en/of aceton en/of zoutzuur,

- 60 liter, althans een hoeveelheid, ammonia,

- 60 liter, althans een hoeveelheid, zoutzuur en/of

- 55,4 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, lidocaïne,

- een of meer (hennep)tenten,

- een of meer IBC(’s),

- 2, althans een of meer, elektrische kachels (met 15 kilowatt van het merk Telfort),

- een of meer (sneeuw)scheppen,

- een of meer stukken wit laken,

- een of meer emmers,

- negen (elektrische) verwarmingselementen,

- 3, althans een of meer, maatbekers,

- 2, althans een of meer, (houten) pollepels,

- 6, althans een of meer, kunststof kuipen (van 125 liter),

- 6, althans een of meer, koolstoffilters,

- twee afzuigslangen,

- een of meer slakkenhuizen,

- 2, althans een of meer, centrifuges (van het merk AEG),

- 9, althans een of meer, ijsemmers,

- een of meer (flexibele) aluminium buis,

- een of meer weegschalen,

- een of meer klemringen,

- een of meer ventilatoren,

- een of meer doos/dozen met (blauwe) latex handschoenen,

- een of meer krachtstroomkabels,

- een of meer compressoren (geel van het merk Stanley) en/of

- een of meer volgelaatsmaskers,

ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

door twee of meer verenigde personen.

Het bewezenverklaarde levert op:

Een feit, bedoeld in het vierde lid van art. 10, voorbereiden of bevorderen door

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie bepleit dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een maatregel van kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 4.750,- (een kwart van de totale kosten).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman naast zijn primaire pleidooi tot vrijspraak geen subsidiaire standpunten naar voren gebracht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het bewerken van procaïne, een versnijdingsmiddel van cocaïne. Cocaïne is een harddrug die zeer verslavend en schadelijk is voor de volksgezondheid. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs en de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en bewerking brengen bovendien grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van harddrugs, zeker nu zijn handelen plaatsvond binnen een professioneel verband. Verdachte kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de productie hiervan worden veroorzaakt.

Gelet op het voorgaande, alsmede de oriëntatiepunten van het LOVS, is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om te volstaan met oplegging van de door de raadsman voorgestelde straf.

Ten aanzien van de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat uit het reclasseringsrapport van 18 maart 2025 volgt dat bij verdachte op verschillende leefgebieden sprake was van problemen, namelijk met betrekking tot financiën en het sociale netwerk. Verdachte ontvangt al hulp via de gemeente en Laborijn voor zijn financiële problemen en voor het opbouwen van zijn werk. De reclassering acht bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 24 februari 2025 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.

Alles afwegend, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen aan verdachte, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Maatregel van kostenverhaal

De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp. De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de loods waren namelijk stoffen en andere voorwerpen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en de Staat heeft kosten gemaakt voor de vernietiging hiervan. De rechtbank is van oordeel dat de kosten die zijn opgenomen in de factuur van [bedrijf] voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet.

Het totale bedrag van de factuur bedraagt € 19.308,35. Nu het dossier aanwijzingen bevat dat behalve verdachte en diens mededader [medeverdachte 1] nog twee anderen betrokken waren bij de werkzaamheden in de loods, zal de rechtbank het door verdachte te betalen bedrag vaststellen op € 4.750,-.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling van voornoemd bedrag aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. De rechtbank zal bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:14 Sv, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 10 a en 13d van de Opiumwet;

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 4.750,-, ter vergoeding van de kosten van de vernietiging van beslag. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 95 dagen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.S.W. Lucassen
  • mr. W.H.S. Duinkerke

Griffier

  • mr. M.J.A. Dams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?