RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/333404-24
Datum uitspraak : 18 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
raadsman: mr. B.J. Driessen, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 april 2025.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ,welk geweld en/of een andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk,- zich gedurende enige tijd heeft opgehouden in het voorportaal, ter hoogte van de trap en de damestoiletten in Café [Café] en/of- de damestoiletten is binnengelopen en heeft gevoeld aan de deur van het wc-hokje waar die [slachtoffer] zojuist naar binnen was gegaan en/of- die [slachtoffer] heeft aangesproken en/of heeft gewenkt toen zij uit het damestoilet kwam en/of- een arm om de schouders van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of- die [slachtoffer] heeft bewogen opnieuw de damestoiletten en/of een wc-hokje binnen te gaan en/of- haar daarbij een of meerdere malen een duwtje in de rug heeft gegeven en/of- achter die [slachtoffer] aan het wc-hokje is binnengelopen en/of- de deur van dat wc-hokje heeft (af)gesloten en/of- haar heeft belet om dat wc-hokje te kunnen verlaten en/of- die [slachtoffer] met kracht bij haar nek en/of achterhoofd heeft vastgepakt en/of- (vervolgens) haar hoofd richting zijn geslachtsdeel heeft geduwd/bewogen en/of- zijn geslachtsdeel in haar mond heeft geduwd/gedrukt en/of- (vervolgens) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft omgedraaid en/of- met kracht voorover heeft gedrukt met haar hoofd richting de muur en/of- (vervolgens) zijn geslachtsdeel (met geweld) in haar vagina heeft geduwd/gedrukt en/of- misbruik/gebruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] en/of- meerdere malen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of(aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan, waaraan zij zich niet kon of durfde te onttrekken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte bekent dat hij seks heeft gehad met aangeefster in de nacht van 27 januari 2024, maar dat heeft plaatsgevonden met wederzijdse instemming. Er was geen sprake van dwang. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar. Aangeefster weet veel niet meer. Haar verklaring klopt ook niet. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte de persoon was die haar eerder die avond lastig viel. Dat blijkt onjuist. Om die redenen kan ook niet worden uit gegaan van haar verklaring. Daarnaast is voor haar verklaring geen steunbewijs. De verklaring van getuige [getuige 1] is ook niet betrouwbaar, nu haar verklaring niet overeenkomt met de beelden van de beveiligingscamera die in het voorportaal van de toiletten hing. Voor het overige bestaat haar belastende verklaring uit wat zij van aangeefster heeft gehoord, zodat het afkomstig is van dezelfde bron.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van verkrachting. Verdachte heeft zich tijdens het politieonderzoek op zijn zwijgrecht beroepen. Tijdens de zitting heeft hij verklaard dat de seks met wederzijdse toestemming heeft plaatsgevonden. De vragen die nu voorliggen aan de rechtbank, is of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en zo ja, of deze verklaring op bepaalde punten bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen.
Verklaring aangeefster
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij in de nacht van 26 januari 2024 op 27 januari 2024 uitging met een vriendin (getuige [getuige 1] ) bij café [Café] in Nijmegen. Ze heeft verklaard dat ze op een gegeven moment naar het damestoilet ging en dat ze daar ineens met een jongen in een van de toiletten belandde. De jongen overrompelde haar. In het wc hokje had hij zijn broek op zijn knieën en pakte hij haar vast bij haar nek. Hij had een stijve penis en duwde haar hoofd richting zijn geslachtsdeel. Ze heeft hem gepijpt. Vrij snel daarna duwde hij haar op grove wijze naar de muur, zodat ze boven de wc stond, waarna hij haar vanachter vaginaal penetreerde. Hij was ruw bezig. Hij pakte haar achter bij haar nek en duwde haar voorover. Ze zei dat ze het niet fijn vond, dat hij haar pijn deed en dat hij moest stoppen. Hij stond voor de deur, aangeefster werd klem gezet. De man is uit de wc weggegaan en ze raakte in paniek. Ze is naar boven gelopen (de wc’s bevonden zich in de kelder) en vertelde aan haar vriendin wat er was gebeurd. Daarna is ze samen met haar vriendin naar de politie gegaan.
Betrouwbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster heeft op vier momenten een verklaring afgelegd over de door verdachte gepleegde seksuele handelingen. Direct nadat het was gebeurd is zij samen met haar vriendin naar de politie gegaan om melding te doen. Enkele uren later op 27 januari 2024 vond een informatief gesprek plaats en op 2 februari 2024 heeft ze aangifte gedaan en op 15 februari 2024 is ze aanvullend verhoord. De rechtbank stelt vast dat aangeefster consistent is in hetgeen zij over de gebeurtenissen heeft verklaard, zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Tevens zijn de verklaringen van aangeefster op onderdelen voldoende gedetailleerd en komen op essentiële punten overeen. Ook acht de rechtbank de verklaringen authentiek. Ze geeft aan wanneer ze zich zaken niet meer goed kan herinneren. De rechtbank is van oordeel dat er geen indicaties uit het dossier blijken dat aangeefster niet de waarheid heeft gesproken. Aan de betrouwbaarheid van de aangifte draagt bij dat ze direct na het incident aan haar vriendin heeft verteld wat er was gebeurd, naar de politie is gegaan en een forensisch medisch onderzoek heeft ondergaan. Ook heeft ze haar tante diezelfde ochtend gebeld en verteld wat er was gebeurd. De rechtbank acht daarom de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Deze zal zij tot uitgangspunt nemen. Gelet op het voorgaande doet het enkele feit dat zij zich op enig moment heeft vergist dat de verdachte de persoon was die haar eerder lastig viel, aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af.
Bewijsminimum
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Kenmerkend voor veel zedenzaken is dat het veelal gaat om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en het in de kern gaat om het woord van de aangever tegen dat van verdachte. Volgens de Hoge Raad is niet vereist dat het misbruik of de betrokkenheid van verdachte daarbij, steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar kan het op bepaalde punten bevestigd zien van de verklaring van de aangever in andere bewijsmiddelen, mits afkomstig van een andere bron, eveneens afdoende zijn. Er mag geen te ver verwijderd verband bestaan tussen de aangifte en het overige gebezigde bewijsmateriaal.
De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan het bewijsminimum. De verklaring van aangeefster wordt op cruciale punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bronnen.
Steunbewijs
Aangeefster was op stap met getuige [getuige 1] . Deze heeft verklaard dat aangeefster haar meteen vertelde wat er was gebeurd. Uit de hierna genoemde camerabeelden volgt dat dit – anders dan [getuige 1] heeft verklaard – moet zijn geweest nadat aangeefster de toiletruimte had verlaten. [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster, toen zij vertelde wat er was gebeurd, erg overstuur raakte. Ondanks dat de getuige de waargenomen emoties van aangeefster niet juist in tijd en plaats weet te duiden, gaat de rechtbank uit van haar verklaring dat zij die emoties heeft waargenomen. Toen aangeefster (de rechtbank begrijpt: voor aanvang van het verhoor dat plaatsvond om 07:50 uur diezelfde ochtend) naar de wc ging, zag getuige dat er bloed in de wc lag.
Getuige [getuige 2] , tante van aangeefster, heeft verklaard dat zij op 27 januari 2024 om 05.48 uur een bericht op haar telefoon kreeg van aangeefster, waarin stond dat er ‘iets’ was gebeurd, waardoor ze nu bij de politie/in het ziekenhuis was. Om 07.30 uur heeft getuige [getuige 2] met aangeefster gebeld. Aangeefster begon toen te huilen en vertelde dat zij tijdens het stappen door een jongen op de wc was verkracht.
Camerabeelden
In de kelder waar de toiletten zich bevinden hangt een beveiligingscamera die zicht heeft op de trap naar boven en de ingangen naar de herentoiletten links - en damestoiletten rechts. Daarnaast is een deel van het vrouwentoilet te zien, maar niet de wc hokjes. Een opsporingsambtenaar heeft een proces-verbaal gemaakt van het uitkijken van deze beelden. Daaruit blijkt het volgende:
03:16:43
Verdachte loopt de trap af. Hij maakt contact met de wc-juffrouw.
03:21:19
Verdachte gaat de mannen wc in.
03:23:34
Verdachte komt van de mannen wc af en gaat weer met de wc-juffrouw in gesprek. Hij blijft daar staan/rondhangen en houd opvallend de trap in de gaten en wie er allemaal naar beneden komt en naar boven gaat.
03:25:42
Verdachte loopt naar de trap en maakt aanstalten om de trap naar boven te lopen. Dan stapt hij de trap weer af naar beneden en laat aangeefster voor die naar beneden komt lopen. Aangeefster loopt vervolgens de vrouwen wc binnen en gaat rechtsom een wc-hokje binnen.
03:26:13
Verdachte loop de dames wc binnen en voelt rechts aan het wc-hokje waar aangeefster zojuist binnen gegaan is.
03:26:43
Verdachte komt weer uit de dames wc. Hij kijkt constant wie er de trap af- en op gaat.
03:27:33
Aangeefster komt van wc-hokje af en loop wc-ruimte uit. Ze ziet verdachte, die contact met haar maakt. Hierbij staat aangeefster onvast op haar benen en moet een hand tegen de muur zetten om haar stabiliteit te houden.
03:27:40
Verdachte roept en wenkt aangeefster naar zich toe. Aangeefster gaat bij verdachte staan, hij
spreekt naar haar en slaat zijn arm om haar schouder. Hij wijst vervolgens naar de dames wc-ruimte.
03:28:01
Verdachte wijst naar dames wc en aangeefster loopt voor hem uit naar de dames WC. Verdachte loopt achter haar aan en geeft haar hierbij een duwtje in haar rug.
03:28:10
Verdachte staat bij aangeefster op dames-wc en wijst naar het wc-hokje waar aangeefster zojuist in geweest was. Hij geeft haar hierbij wederom een duwtje in de rug in de richting van genoemd wc-hokje. Aangeefster loopt het wc hokje in, gevolgd door verdachte en de deur gaat dicht.
03:41:53
Verdachte komt uit het wc-hokje, verlaat gelijk de wc-ruimte en loop snel de trap op richting de barruimte. Aangeefster komt hierna ook uit het wc-hokje en staat ietwat te zwalken op haar benen en blijft even in de dames wc-ruimte staan. Ze hangt haar schoudertas goed over haar schouder, slaat haar armen over elkaar en staart voor zich uit.
In de ochtend van 27 januari 2024 heeft aangeefster een forensisch medisch onderzoek ondergaan. Tijdens dat onderzoek is er bloed aangetroffen in de vagina van aangeefster.
De tijdens het onderzoek genomen monsters zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) getest op de aanwezigheid van sperma en DNA. In de bemonstering van de binnenste schaamlippen van aangeefster is mannelijk Y-chromosomaal DNA aangetroffen, waarvan een Y-chromosomaal DNA-profiel is gemaakt. Er was sprake van een mengprofiel. Uit het rapport van het NFI blijkt dat in de bemonstering van de binnenste schaamlippen een Y-chromosomaal DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte. De conclusie van het NFI is dat het zeer veel waarschijnlijker is dat dit DNA afkomstig is van de verdachte (of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte), dan van een willekeurige niet aan verdachte verwante man.
De rechtbank stelt op grond van het forensisch onderzoek en de verklaring van verdachte vast dat het op de binnenste schaamlippen aangetroffen mannelijke celmateriaal van verdachte afkomstig is.
Ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting ondersteunt de verklaring van aangeefster op belangrijke onderdelen. Hij heeft verklaard dat hij aan de klink van het wc-hokje waarvan aangeefster op dat moment gebruik maakte, heeft gevoeld. Hij bekent dat er sprake was van seksueel contact, zowel oraal als vaginaal. Verder heeft hij verklaard dat hij het wc-hokje op slot heeft gedaan en dat hij tussen aangeefster en de deur stond.
Dwang
Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, dient te worden vastgesteld dat verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging daarmee aangever heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Ondanks de ontkenning van verdachte dat hij enige vorm van dwang heeft uitgeoefend, stelt de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat er sprake is geweest van geweld en andere feitelijkheden.
Het geweld en de feitelijkheden hebben in deze zaak bestaan uit het volgende. Op 27 januari 2024 hield verdachte zich gedurende ruim 10 minuten op in het voorportaal van de toiletten van een uitgaansgelegenheid in Nijmegen. Nadat aangeefster in een van de wc-hokjes zat, voelde hij aan de hendel van de deur, kennelijk met de bedoeling om te kijken of de deur op slot zat. Toen dat het geval bleek, wachtte hij aangeefster op in het voorportaal. Na een korte kennismaking van enkele seconden bewoog hij haar richting het wc-hokje, waarbij hij haar tweemaal een duwtje in de rug gaf. Aangeefster ging het wc-hokje binnen, gevolgd door verdachte die de deur op slot deed. Hij stond tussen aangeefster en de deur in op het moment dat hij haar bij haar nek pakte en haar hoofd naar zijn penis bewoog zodat zij hem moest pijpen. Daarna draaide hij haar om, zodat zij met haar rug richting verdachte stond. Hij duwde haar voorover, waarna hij vaginale seks met haar had. Verdachte ging hierbij dusdanig ruw te werk dat aangeefster vaginaal ging bloeden. Aangeefster gaf meerdere malen aan dat zij dit niet wilde, maar hij negeerde haar verzet. Toen hij klaar was, verliet hij snel de wc en liep de trap op. Hij liet aangeefster ontredderd achter.
Conclusie
Op grond van deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte geweld heeft gebruikt en aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ,welk geweld en/of een andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk,- zich gedurende enige tijd heeft opgehouden in het voorportaal, ter hoogte van de trap en de damestoiletten in Café [Café] en/of- de damestoiletten is binnengelopen en heeft gevoeld aan de deur van het wc-hokje waar die [slachtoffer] zojuist naar binnen was gegaan en/of- die [slachtoffer] heeft aangesproken en/of heeft gewenkt toen zij uit het damestoilet kwam en/of- een arm om de schouders van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of- die [slachtoffer] heeft bewogen opnieuw de damestoiletten en/of een wc-hokje binnen te gaan en/of- haar daarbij een of meerdere malen een duwtje in de rug heeft gegeven en/of- achter die [slachtoffer] aan het wc-hokje is binnengelopen en/of- de deur van dat wc-hokje heeft (af)gesloten en/of- haar heeft belet om dat wc-hokje te kunnen verlaten en/of- die [slachtoffer] met kracht bij haar nek en/of achterhoofd heeft vastgepakt en/of- (vervolgens) haar hoofd richting zijn geslachtsdeel heeft geduwd/bewogen en/of- zijn geslachtsdeel in haar mond heeft geduwd/gedrukt en/of- (vervolgens) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft omgedraaid en/of- met kracht voorover heeft gedrukt met haar hoofd richting de muur en/of- (vervolgens) zijn geslachtsdeel (met geweld) in haar vagina heeft geduwd/gedrukt en/of- misbruik/gebruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht over die [slachtoffer] en/of- meerdere malen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of(aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan, waaraan zij zich niet kon of durfde te onttrekken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Verkrachting.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel ex artikel 38v Sr in de vorm van een contactverbod gevorderd voor de duur van 3 jaar, waarbij 7 dagen hechtenis per overtreding kan worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaat gevoerd gelet op de door hem bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten verkrachting van een voor hem onbekende vrouw. Het slachtoffer ging die avond op stap met een vriendin. Verdachte hield zich geruime tijd op in het voorportaal van de toiletten toen het slachtoffer naar de wc ging. Hij heeft aan de deurklink van haar wc-deur gevoeld, terwijl zij daarop zat. Nadat zij uit het hokje kwam, heeft hij haar meegenomen naar het wc hokje, waarna hij de deur op slot deed en voor de deur is gaan staan. Daar heeft hij haar gedwongen seksuele handelingen te verrichten en te ondergaan. Het slachtoffer heeft gezegd dat ze het niet wilde en dat hij haar pijn deed, maar daar heeft verdachte zich niet door laten tegenhouden. Door zijn handelen heeft hij een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit gemaakt.
Het is algemeen bekend dat dit soort feiten langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in deze zaak is dat het geval, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Verdachte heeft slechts oog gehad voor bevrediging van zijn eigen behoeften en heeft niet stilgestaan bij de (ernstige) gevolgen die zijn daad zou kunnen hebben voor het slachtoffer. Verder heeft verdachte op geen enkele wijze berouw getoond of verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte in 2018 is veroordeeld voor aanranding van de eerbaarheid.
De reclassering heeft over verdachte een rapport opgemaakt. Daaruit volgt dat vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte de reclassering niet het risico op recidive kan inschatten. Verdachte zegt geen problemen te hebben en daarom geen reden voor begeleiding of behandeling te zien. Omdat een ambulante behandeling naar verwachting niet van de grond zal komen, adviseert de reclassering om, bij bewezenverklaring, een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf en maatregel
Naar het oordeel van de rechtbank kan op het plegen van ernstige strafbare feiten als de bovengenoemde niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat een verkrachting waarbij sprake is van geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang wordt bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf van 36 maanden opleggen. Om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf, te weten 8 maanden, voorwaardelijk opleggen. De daarbij geldende proeftijd zal de rechtbank bepalen op 5 jaar, gelet op het hoge risico op recidive, gezien de eerdere veroordeling. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel van artikel 38v op in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de verkrachting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 552,95 aan materiële schade en € 9.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De medische kosten (€ 187,45) zijn voldoende onderbouwd en zullen worden toegewezen. Ook de kosten van de kleding die benadeelde die avond droeg (€ 111,99) en de vervoers- en parkeerkosten (€ 159,23) acht de rechtbank voldoende onderbouwd en zal deze dus toewijzen.
Benadeelde heeft gesteld dat zij een aantal weken niet in staat was om voor zichzelf te zorgen. Zij heeft een aantal dagen bij een collega verbleven en aansluitend een aantal dagen bij haar tante, die haar alles uit handen hebben genomen. Voor de hoogte van de schade is aansluiting gezocht bij de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad. De rechtbank wijst deze schadepost af. Een vergoeding voor huishoudelijke hulp kan worden gevorderd als de benadeelde als gevolg van het (de door het bewezen verklaarde feit) veroorzaakte letsel, niet langer in staat was huishoudelijke werkzaamheden zelf te verrichten. Daarnaast kan een vergoeding worden gevorderd als door het letsel de benadeelde niet in staat is om zichzelf te verzorgen. De benadeelde heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het veroorzaakte letsel niet in staat was om huishoudelijke hulp te verrichten of om voor zichzelf te zorgen. De enkele stelling dat zij enkele dagen bij derden is verbleven, is daartoe onvoldoende.
Immateriële schade
Naast toewijzing van een deel van de materiële schade zal de rechtbank de immateriële schade van de benadeelde partij naar billijkheid vaststellen op € 9.500,00.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.958,58, bestaande uit € 458,58 aan materiële schade en € 9.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 januari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 242 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van vijf jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
wijst de vordering tot materiële schade/smartengeld voor het overige af;
veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings, voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 april 2025.