RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/268519-24
Datum uitspraak : 18 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats 1] ,
wonende aan [adres] ,
raadsman: mr. L.P. Quist, advocaat in Dordrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 april 2025.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 september 2023 te Elspeet, gemeente Nunspeet als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Staverdenseweg,terwijl hij beginnend bestuurder was en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl de straatverlichting brandde en/ofterwijl hij haast had,met een te hoge snelheid, te weten 52 kilometer per uur, althans hoger dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, en gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was, heeft gereden en/ofniet of in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is blijven letten op de zich voor hem bevindende weggedeelten en/of de zich daarop/daarlangs bevindende verkeersdeelnemers en/ofzich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en niet of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een voetganger, te weten [slachtoffer] , doende was de voornoemde Staverdenseweg over te steken en/ofin strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/oftegen die [slachtoffer] is gebotst,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 september 2023 te Elspeet, gemeente Nunspeet als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Staverdenseweg,terwijl hij beginnend bestuurder was en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl de straatverlichting brandde en/ofterwijl hij haast had,met een te hoge snelheid, te weten 52 kilometer per uur, althans hoger dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, en gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was, heeft gereden en/ofniet of in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is blijven letten op de zich voor hem bevindende weggedeelten en/of de zich daarop/daarlangs bevindende verkeersdeelnemers en/ofzich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en niet of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een voetganger, te weten [slachtoffer] , doende was de voornoemde Staverdenseweg over te steken en/ofin strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/oftegen die [slachtoffer] is gebotst,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 22 september 2023 omstreeks 20:02 uur heeft op de Staverdenseweg te Elspeet (gemeente Nunspeet) een verkeersongeval plaatsgevonden. De Staverdenseweg is een rechte, openbare weg binnen de bebouwde kom. Bij het ongeval waren verdachte en slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) betrokken. Het was op dat moment donker buiten en het regende. De toegestane maximumsnelheid ter plaatse bedroeg 30 kilometer per uur. Verdachte reed in een bedrijfswagen in de richting van Staverden. Verdachte is een beginnend bestuurder. Slachtoffer stond, vanuit de positie van verdachte gezien, links op de stoep ter hoogte van nummer 43. Zij speelde op die bewuste avond met een groep jongeren een spel. Nadat zij twee, voor het slachtoffer, van links komende auto’s had laten passeren, stak zij de weg over. Voordat zij de overzijde van de weg kon bereiken, werd zij door de linkervoorzijde van de bedrijfswagen van verdachte aangereden. Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval onder meer een hersenschudding, een breuk bij haar rechteroogkas, vijf afgebroken tanden en blijvend zichtbare en ontsierende littekens in het gelaat opgelopen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte reed te hard en lette niet goed op, terwijl het donker was en verdachte nog een beginnend bestuurder. Er is sprake van aanmerkelijke schuld van verdachte. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Hij heeft aangevoerd dat geen sprake is van aanmerkelijke schuld. Het slachtoffer had donkere kleding aan en stak zonder te kijken plotseling de weg over. Verdachte hoefde daarop niet bedacht te zijn. Verdachte dacht dat hij ter plekke 50 km per uur mocht rijden. Ook als hij zich wel aan de ter plaatse geldende snelheid had gehouden, was een aanrijding onvermijdbaar geweest. Verder wordt betwist dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Functioneel herstel kan worden verwacht binnen enkele maanden en het gebit van het slachtoffer is hersteld. Ook kan gebitschade volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet zonder meer worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Snelheid
Het Team Forensische Opsporing Verkeer van de politie heeft onderzoek gedaan naar de snelheid van het voertuig van verdachte. Op basis van de verkregen videobeelden van het incident, is een indicatieve gemiddelde snelheid bepaald. Uit de berekeningen bleek dat verdachte reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 52 km/u en maximaal 57 km/u. Het traject waarover de snelheid werd bepaald, had een lengte van circa 50 meter en eindigde op circa 5 meter voor het botspunt.
De raadsman heeft betoogd dat aan het meetrapport van de politie geen betekenis kan worden toegekend.
De rechtbank overweegt het volgende.
De gemiddelde snelheid is berekend volgens de richtlijn zoals beschreven in het document "Snelheidsberekeningen op basis van videobeelden: Aanbevolen methodiek voor de Politie, versie 4.0, datum 11 mei 2021". De camerabeelden zijn geschikt geacht voor een indicatieve snelheidsbepaling. In het proces-verbaal wordt nauwkeurig toegelicht hoe de snelheid is berekend. Het proces-verbaal geeft – anders dan de raadsman heeft betoogd – geen aanleiding om de bevindingen ervan in twijfel te trekken.
Bovendien wordt deze berekening ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] die bij verdachte in de bedrijfswagen zat ten tijde van het ongeval. Hij heeft verklaard dat ze met een snelheid van ongeveer 55 à 60 kilometer per uur aan kwamen rijden en dat ze net voor de klap ongeveer 40 kilometer per uur reden.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij iets harder reed dan was toegestaan, omdat hij haast had. Hij reed heel vaak over de weg waar het ongeval plaats heeft gevonden. Hij dacht dat hij daar 50 km/u mocht rijden.
Er is ook onderzoek gedaan naar de vraag of het slachtoffer de weg veilig had kunnen oversteken, indien verdachte had gereden met de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 km/u. De politie beantwoordt die vraag bevestigend. Op het moment van de botsing, had het slachtoffer circa 4 meter van de Staverdenseweg, van trottoir tot trottoir, overgestoken. De totale breedte van de weg, bedoeld van trottoir tot trottoir, is circa 6,5 meter. Op het moment van de botsing had het slachtoffer dus ongeveer 62% van de benodigde afstand afgelegd. Daaruit volgt dat indien het slachtoffer ongeveer 1,6 maal langere tijd tot haar beschikking had gehad, zij de oversteek had kunnen voltooien. Indien verdachte had gereden met de toegestane maximum snelheid van 30 km/u, in plaats van de eerder bepaalde 52 tot 57 km/u, had het slachtoffer minimaal 1,7 maal en maximaal 1,9 maal zoveel tijd beschikbaar gehad om de Staverdenseweg over te steken. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het ongeluk ook zou zijn gebeurd ingeval verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden, doordat het slachtoffer donkere kleding aanhad en plots de weg overstak, is de rechtbank van oordeel dat het dossier hiervoor geen enkel aanknopingspunt bevat. Ingeval de verdachte zich aan de toegestane snelheid had gehouden, had hij meer tijd gehad om goed om zich heen te kijken en derhalve meer tijd hebben gehad om te anticiperen op onverwachte situaties. Juist het gegeven dat daar ter plekke 30 kilometer per uur is toegestaan maakt dat van de (gemotoriseerde) weggebruikers extra waakzaamheid wordt gevraagd.
Zwaar lichamelijk letsel
De aard van het letsel van het slachtoffer (gebroken oogkas, vijf afgebroken tanden en ontsierende littekens in het gelaat), de aard van de medische behandeling (er was een gebitsprothese nodig om het gebit te herstellen) en de duur van het herstel zijn zodanig ernstig, dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte met 52 km/u, waar 30 km/u was toegestaan, heeft gereden, zonder zijn snelheid aan te passen aan de verkeerssituatie. Het was donker en het regende, wat het zicht belemmerde. Hij heeft onvoldoende oog gehad voor overstekende voetgangers. Hierdoor is verdachte tegen het slachtoffer gebotst. Verdachte was een beginnend bestuurder. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geheel van gedragingen te kwalificeren als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.
Hierbij merkt de rechtbank wel op dat het slachtoffer kennelijk bezig was met een spel (vossenjacht), georganiseerd door de jeugdvereniging van de plaatselijke kerk. Zij werd vooral in beslag genomen door dat spel en stak onverhoeds, kennelijk zonder goed uit te kijken, de weg over. Daar staat tegenover dat ter plaatse de snelheid was beperkt tot 30 km/uur. Dat op zichzelf duidt al op een situatie die afwijkt van wat normaal is. Het kan duiden op wegwerkzaamheden of de aanwezigheid van extra kwetsbare personen. Dat had voor verdachte aanleiding moeten zijn extra voorzichtig te zijn. Eens te meer nu het donker was en regende, hetgeen het zicht toch al beperkt.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 22 september 2023 te Elspeet, gemeente Nunspeet als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Staverdenseweg,terwijl hij beginnend bestuurder was en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl de straatverlichting brandde en/ofterwijl hij haast had,met een te hoge snelheid, te weten 52 kilometer per uur, althans hoger dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, en gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was, heeft gereden en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is blijven letten op de zich voor hem bevindende weggedeelten en/of de zich daarop/daarlangs bevindende verkeersdeelnemers en/ofzich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en niet of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een voetganger, te weten [slachtoffer] , doende was de voornoemde Staverdenseweg over te steken en/ofin strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/oftegen die [slachtoffer] is gebotst,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de (hoogte van de) straf rekening moet worden gehouden met het feit dat de camerabeelden waarop het ongeval te zien is door de eigenaar daarvan is gedeeld op sociale media. In de hechte gemeenschap waarvan verdachte deel uitmaakt is dit breed besproken, waar verdachte veel last van heeft gehad. Verder was verdachte een jongvolwassene toen het ongeval plaatsvond en heeft het 1,5 jaar geduurd voordat de zaak op zitting is behandeld. Ook heeft verdachte meegewerkt aan het onderzoek, oprecht spijt betuigd aan het slachtoffer en contact met haar en haar familie onderhouden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft binnen de bebouwde kom aanzienlijk harder gereden dan ter plaatse was toegestaan en heeft niet goed genoeg opgelet. Hierdoor zag hij een voetganger die plotseling overstak te laat, waarna het tot een botsing kwam. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Met zijn handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid en die van het slachtoffer in gevaar gebracht. Het ongeval, en dus ook het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer, was vermijdbaar en de rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, als beginnend bestuurder, niet meer oplettendheid heeft betracht.
Persoon van verdachte
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank verder acht geslagen op de justitiële documentatie van 24 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde niet eerder was veroordeeld.
Op te leggen straf
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de op te leggen straf de oriëntatiepunten van het LOVS en wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. De LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting vermelden bij een aanmerkelijke mate van schuld bij overtreding van artikel 6 van de WVW een taakstraf voor de duur van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
De rechtbank zal hier ten gunste van verdachte van afwijken, omdat verdachte niet als enige een rol had bij het ontstaan van het ongeval. Daarnaast getuigt het feit dat hij contact heeft opgenomen met het slachtoffer ervan dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en de gevolgen daarvan.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 80 uren en een geheel voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.