RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.135262.21 en 05.347885.24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 21 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05.135262.21
Feit 1
hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een op de Pomona geparkeerd staande bedrijfsbus (Fiat Doblo, kenteken [kenteken 1] , op naam van [bedrijf] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk terpentine en/of motorbenzine, althans (een) brandversnellend(e) middel(en) over de bodem van die bedrijfsbus, althans in die bedrijfsbus, laten lopen en/of (vervolgens) een stuk textiel in die bedrijfsbus gelegd en/of (vervolgens) het textiel (met een aansteker) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met het (in die bedrijfsbus neergelegde) textiel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die
bedrijfsbus en/of zich in die bedrijfsbus bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
- goederen die zich in die bedrijfsbus bevonden en/of
- andere auto’s die in de buurt van de bestelbus geparkeerd stonden en/of
- het nabij die bedrijfsbus gelegen flatgebouw en/of
- personen die zich in dat nabij gelegen flatgebouw bevonden,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in dat nabij gelegen flatgebouw bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
Feit 2
hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (de buitenkant van) een flatgebouw gelegen aan de Pomona, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan De Woningstichting, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Parketnummer 05.347885.24
hij op of omstreeks 30 september 2023 te Wageningen een voertuig, te weten een bromfiets (Agm Sp 50, kenteken [kenteken 2] ), heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, cocaïne en/of alcohol,terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 72 microgram cocaïne per liter bloed,2,9 microgram THC per liter bloed, en/of 0,9 milligram alcohol/ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05.135262.21
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 17 januari 2020 is er in Wageningen opzettelijk brand gesticht aan een op de Pomona geparkeerd staande bedrijfsbus (Fiat Doblo, kenteken [kenteken 1] op naam van [bedrijf] ). De brandstichter heeft een brandversnellend middel en een stuk textiel gebruikt en het textiel met een aansteker aangestoken. Hierdoor zijn de bedrijfsbus en de goederen die daarin lagen verbrand. De bedrijfsbus is door de brand naar voren gerold, tegen een andere auto (Hyundai Atos) aan, die vervolgens ook vlam heeft gevat. De auto daarnaast (Rode Fiat) heeft ook vlam gevat. De brand heeft een houten deur en het kozijn van een opslagbox beschadigd. Door de brand was er gemeen gevaar voor goederen die zich in die bedrijfsbus bevonden, voor andere auto’s die in de buurt van de bedrijfsbus geparkeerd stonden, voor het nabijgelegen flatgebouw en voor personen die zich in dat flatgebouw bevonden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat op basis van de door verdachte gestuurde e-mails, de anonieme brief, de getuigenverklaring van [getuige 1] en het DNA-verwantschapsonderzoek wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken, omdat niet zonder gerede twijfel kan worden bewezen dat hij de brand heeft gesticht. Allereerst is niet vast te stellen waar het flesje met het DNA-mengprofiel is aangetroffen en dus of met de inhoud van dat flesje de brand is gesticht. Ten tweede is de verklaring van de neef van verdachte, [getuige 1] , onbetrouwbaar. Verdachte en zijn neef hadden in die tijd ruzie en daarom geen contact met elkaar. Verder bevat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte de brand heeft gesticht. Daarnaast waren er in die periode meerdere brandstichtingen in Wageningen. Er kan niet worden uitgesloten dat er een pyromaan actief was.
Beoordeling door de rechtbank
DNA-verwantschapsonderzoek
In het dossier zit een DNA-verwantschapsonderzoek naar DNA-mengprofiel AANU7801NL#01. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen waar dit DNA-mengprofiel is aangetroffen en kan dus niet beoordelen wat de relatie is met betrekking tot de brandstichting. De rechtbank zal daarom het DNA-verwantschapsonderzoek niet gebruiken als bewijsmiddel.
Betrokkenheid verdachte
Op 17 januari 2020 werden tussen de e-mailadressen [email 2] (hierna: S) naar [email 1] (hierna: K) de volgende berichten gestuurd:
Verdachte heeft verklaard dat hij de mails vanuit het e-mailadres [email 2] naar zijn ex-vriendin [ex-vriendin] heeft verstuurd.
In de directe nabijheid van autobrand werden onder meer 2 stuks vuurwerk aangetroffen.
Getuige [getuige 1] , de neef van verdachte, heeft op 14 februari 2020 verklaard dat verdachte hem ongeveer vier weken geleden vertelde dat hij verantwoordelijk was voor de brand aan de Pomona. Verdachte vertelde dat hij daar een bedrijfsbus in brand had gestoken. Hij had benzine gebruikt om de brand aan te steken en hij had twee nitraten onder het busje gelegd, maar die waren niet afgegaan. Ook vertelde hij dat de bedrijfsbus naar voren was gaan rollen. Hij had dat in opdracht gedaan in verband met verzekeringsfraude.
Betrouwbaarheid verklaring [getuige 1]
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar is, omdat verdachte en de getuige in die periode al ruzie hadden. Wat daar ook van zij, de rechtbank ziet hierin in elk geval aanleiding de verklaring van [getuige 1] met enige behoedzaamheid te beoordelen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] in voldoende mate wordt ondersteund door objectief bewijsmateriaal, namelijk de mails die verdachte zelf naar [email 1] heeft verstuurd. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] dan ook betrouwbaar.
Deelconclusie rechtbank
Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de brandstichting. Hij heeft verklaard dat hij de e-mailberichten waarin hij aangeeft de brand te hebben gesticht, heeft verstuurd om enerzijds indruk te maken op zijn ex-vriendin en anderzijds om haar bang te maken. Hij hoopte hierdoor dat zij weer bij hem terug zou komen. De rechtbank overweegt dat de e-mailberichten met daarin de bekennende verklaring van verdachte op zijn initiatief en op dezelfde dag als die van de brand zijn verstuurd. Ook bevatten de berichten gedetailleerde informatie. Daarbij vinden de e-mailberichten en de verklaring van [getuige 1] steun in elkaar en in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank stelt dan ook op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht in de bedrijfsbus aan de Pomona.
Levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel
De vraag of sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel moet ten tijde van het veroorzaken van de brand naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De vraag of dat zo is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
Getuige [getuige 2] was ten tijde van de brand officier van dienst van de brandweer Gelderland-Midden. In zijn verslag van de brand staat dat bij aankomst 3 voertuigen in brand stonden waarbij de vlammen een directe bedreiging vormden voor de begane grond van het (nabijgelegen) flatgebouw. Een deur ter hoogte van de brandhaard stond inmiddels in brand en de vlammen sloegen over de railing van de eerste verdieping. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft hij verklaard dat de vlammen nog niet van dien aard waren dat de bewoners op de eerste verdieping gevaar liepen zolang zij binnen bleven. Het kwam door de snelle aanwezigheid van de brandweer en het snelle optreden dat het goed is gegaan. Er waren namelijk wel risico’s aanwezig. In één van de ruiten naast de kelderboxen zaten al gaten. Het had niet veel langer moeten duren of het raam was opengebroken en dan was de brand naar binnen geslagen. Dat zou een groot risico met zich brengen dat de brand zich door de kelderboxen zou verspreiden. Als de brandweer later ter plaatse was geweest, dan was er een grote kans op een grotere uitslaande brand geweest.
De drie verbrande voertuigen stonden op de parkeerplaats voor de flat. Aan die kant van de flat bevonden zich de galerij, voordeuren, keukenramen en slaapkamerramen van woningen. De Fiat Doblo stond met de rechtervoorzijde op ongeveer 50 centimeter van de flatgevel. Bij deze Fiat was zowel aan de voorkant als aan de achterkant brand gesticht. Tijdens de brand zijn op last van de brandweer diverse woningen ontruimd, omdat de rookontwikkeling ten gevolge van de autobranden zeer hevig was en deze rook diverse woningen introk.
Uit dit alles volgt dat verdachte brand heeft gesticht bij een auto die direct naast de flat geparkeerd stond met in de nabijheid andere auto’s waarvan een deel ook in brand is komen te staan. Indien zo’n brand niet tijdig geblust wordt, kunnen de risico’s heel groot zijn. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat het goed is gegaan dankzij het snelle optreden van de brandweer. Dit is echter een omstandigheid die voor verdachte niet voorzienbaar was tijdens het stichten van de brand. Wat wel voorzienbaar was, is dat er mensen aanwezig waren in de woningen op de eerste verdieping. Ook was voorzienbaar dat bij het branden van één auto, meerdere auto’s kunnen volgen die ernaast stonden en dientengevolge dus ook sprake kan zijn van een grotere brand. Verder was naar het oordeel van de rechtbank voorzienbaar dat deze brand zich kon uitbreiden naar de eerste verdieping van de flat waar woningen waren, omdat de Fiat direct naast de flat geparkeerd stond. Er was daarmee een reële kans op verwezenlijking voor levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor de bewoners van de woningen op de eerste verdieping.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat er niet alleen gemeen gevaar voor goederen was, maar ook zowel levensgevaar als gevaar voor lichamelijk letsel voor bewoners op de eerste verdieping van de nabijgelegen flat.
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 dan ook bewezen.
Parketnummer 05.347885.24
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 7 t/m 9;
- het rapport Alcohol en drugs in het verkeer, p. 21 en 22;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2024.
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte onder invloed heeft gereden.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05.135262.21
Feit 1
hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een op de Pomona geparkeerd staande bedrijfsbus (Fiat Doblo, kenteken [kenteken 1] , op naam van [bedrijf] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk terpentine en/of motorbenzine, althans (een) brandversnellend(e) middel(en) over de bodem van die bedrijfsbus, althans in die bedrijfsbus, laten lopen en/of (vervolgens) een stuk textiel in die bedrijfsbus gelegd en/of (vervolgens) het textiel (met een aansteker) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met het (in die bedrijfsbus neergelegde) textiel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die
bedrijfsbus en/of zich in die bedrijfsbus bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
- goederen die zich in die bedrijfsbus bevonden en/of
- andere auto’s die in de buurt van de bestelbus geparkeerd stonden en/of
- het nabij die bedrijfsbus gelegen flatgebouw en/of
- personen die zich in dat nabij gelegen flatgebouw bevonden,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in dat nabijgelegen flatgebouw bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
Feit 2
hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk (de buitenkant van) een flatgebouw gelegen aan de Pomona, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan De Woningstichting, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Parketnummer 05.347885.24
hij op of omstreeks 30 september 2023 te Wageningen een voertuig, te weten een bromfiets (Agm Sp 50, kenteken [kenteken 2] ), heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, cocaïne en/of alcohol,terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 72 microgram cocaïne per liter bloed,2,9 microgram THC per liter bloed, en/of 0,9 milligram alcohol/ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05.135262.21
Eendaadse samenloop van
feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Parketnummer 05.347885.24
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen straf op te leggen en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. De brandstichting betreft immers een oud feit, artikel 63 is van toepassing en verdachte heeft de afgelopen jaren een positieve draai aan zijn leven gegeven. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat alleen een geheel voorwaardelijke straf op zijn plaats is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft opzettelijk een bedrijfsbus in brand gestoken die geparkeerd stond voor een flatgebouw. Als gevolg hiervan zijn ook twee andere auto’s die in de buurt geparkeerd stonden in brand gevlogen en is er brand ontstaan in de kelderbox van het flatgebouw. De woningen die zich boven de kelderboxen bevonden zijn ontruimd. Door snel en alert ingrijpen van de brandweer is voorkomen dat de brand in de kelderbox verder is uitgeslagen en is verdere schade of menselijk leed afgewend. Dit is een zeer ernstig feit, vanwege de zeer gevaarlijke situatie die de verdachte door het in de brand steken van de bedrijfsbus in het leven heeft geroepen. Ook is er veel schade voor de benadeelde partijen ontstaan. Bovendien zorgt brandstichting in de directe nabijheid van woningen voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid. In het bijzonder in de woonwijk zelf, maar ook in de samenleving in het algemeen. Daarnaast heeft verdachte op een ander moment onder invloed van drugs op een bromfiets gereden, waardoor de verkeersveiligheid in gevaar werd gebracht. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Verdachte heeft tijdens de zitting verteld dat hij de laatste jaren heeft geprobeerd zijn leven in positieve zin een wending te geven. Zijn drijfveren hierbij zijn de vier jonge kinderen van verdachte. Hij is sinds het rijden onder invloed van drugs op de bromfiets in 2023 niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Hij werkt hele dagen, ook in de avonduren, om van de straat af te zijn. Daarbij is het verdachte gelukt om omgangsregelingen voor de omgang met zijn kinderen te treffen. De rechtbank zal deze positieve ontwikkeling bij de strafoplegging meewegen. Ook heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om geen straf of een geheel voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. Daarvoor is met name de opzettelijke brandstichting te ernstig van aard. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf van 120 uren passend en geboden is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Parketnummer 05.135262.21
De vordering van de benadeelde partij [naam 3]
De benadeelde partij [naam 3] heeft in verband met het onder feit 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.436,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met het onder feit 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 21.845,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd. Daarnaast blijkt niet uit de vordering of [naam 1] , die namens [bedrijf] de vordering heeft ingediend, hiertoe wel gemachtigd was.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank overweegt dat [naam 1] aangifte heeft gedaan namens [bedrijf] van brandstichting van de FIAT Doblo bedrijfsbus. In deze aangifte verklaart [naam 1] dat hij eigenaar is van [bedrijf] Daarnaast volgt uit punt 1c van de vordering dat [naam 1] optreedt als vertegenwoordiger van [bedrijf] De rechtbank leidt hieruit af dat [naam 1] gemachtigd is om namens [bedrijf] de vordering in te dienen.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van alle schadeposten onderbouwing deels dan wel geheel ontbreekt. Het staat echter vast dat er schade is opgelopen aan de FIAT Doblo bedrijfsbus omdat deze is uitgebrand. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en acht het gevorderde bedrag van de benadeelde partij redelijk. De rechtbank schat het deel van de kosten dat voor vergoeding in aanmerking komt dan ook op € 6.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de overige materiele schade niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vordering wordt voor een bedrag van € 6.000,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2020.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij]
De benadeelde partij [Benadeelde partij] heeft in verband met het onder feit 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 830,64 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Uit de vordering blijkt dat een deel van de schade vergoed is door de verzekering. Welk deel dit precies is wordt niet duidelijk, waardoor het niet mogelijk is om een restbedrag vast te stellen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Uit de vordering volgt dat de benadeelde partij een deel van de schade vergoed heeft gekregen van zijn verzekeraar. Het is echter niet duidelijk op welk deel van de gevorderde schade dit heeft gezien en welk schadebedrag er dan overblijft. Voor de beantwoording van deze vraag is nader onderzoek nodig. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vordering van de benadeelde partij de Woningstichting
De benadeelde partij de Woningstichting heeft in verband met het onder feit 2 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 2.500,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht
Standpunt officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat niet uit de vordering blijkt of [naam 2] , die namens de Woningstichting de vordering heeft ingediend, hiertoe wel gemachtigd was.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat uit punt 1c van de vordering blijkt dat [naam 2] optreedt als vertegenwoordiger van De Woningstichting. Ook is er bij de ondertekening van de vordering een stempel van de Woningstichting geplaatst. De rechtbank leidt hieruit af dat [naam 2] gemachtigd is om namens de Woningstichting de vordering in te dienen. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en ook niet betwist.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het niet vergoede deel van de schade, zijnde het eigen risico, voor een bedrag van € 2.500,-, kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 17 januari 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 36f, 55, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
- 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
verklaart de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij De Woningstichting
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij de Woningstichting een bedrag te betalen van € 2.500,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.