RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.317838.24
Datum uitspraak : 21 maart 2024
Verstek
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1985 in [geboorteplaats] ,
postadres op [adres] ,
op dit moment zonder vaste- woon of verblijfplaats.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 juni 2022 te Tiel, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2006) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het knijpen in en/of betasten van de billen van die [slachtoffer] , welk geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin heeft bestaan, dat verdachte die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en/of achter die [slachtoffer] langs is gelopen en/of vervolgens op onverhoedse wijze zijn (rechter)hand in de richting haar van de billen heeft bewogen en/of (daarbij) die [slachtoffer] in de billen heeft geknepen, althans haar billen heeft betast;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 juni 2022 te Tiel, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het knijpen in en/of betasten van de billen van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft bij de politie bekend.
De beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 8 en 9;
- het proces-verbaal van bevindingen p. 14;
- het verslag verbatim studioverhoor van verdachte, p. 42.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 25 juni 2022 te Tiel, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2006) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het knijpen in en/of betasten van de billen van die [slachtoffer] , welke geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin heeft bestaan, dat verdachte die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en/of achter die [slachtoffer] langs is gelopen en/of vervolgens op onverhoedse wijze zijn (rechter)hand in de richting haar van de billen heeft bewogen en/of (daarbij) die [slachtoffer] in de billen heeft geknepen, althans haar billen heeft betast.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Het primair ten laste gelegde feit:
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster [slachtoffer] . Aangeefster was aan het werk in de supermarkt toen verdachte achter haar langs kwam en haar plotseling in de bil kneep. Aangeefster was op dat moment 15 jaar. Verdachte heeft grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer. Daarbij komt dat verdachte volgens zijn eigen verklaring al een jaar achter haar aan heeft gelopen en volgens aangeefster is hij eerder met zijn hand over haar hoofd gegaan. Verdachte trekt zich kennelijk niets aan van het onacceptabele leeftijdsverschil tussen hen en de omstandigheid dat aangeefster geen enkele interesse in hem heeft. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit een beangstigende gebeurtenis voor aangeefster moet zijn geweest en vindt het gedrag van verdachte zeer zorgwekkend.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op 28 december 2022 en 15 augustus 2023 is veroordeeld tot een gevangenisstraf en op 19 april 2024 tot een taakstraf. Artikel 63 van het Wetboek van strafrecht is daarom van toepassing.
De reclassering schrijft in haar rapporten van 17 januari 2025 en 14 februari 2025 dat bij verdachte sprake is van ernstige psychische/psychiatrische problematiek en dat het lijkt of verdachte buiten de realiteit leeft. Verdachte staat onder lopend reclasseringstoezicht, maar omdat er sprake is van zodanige psychische problematiek waar verdachte hulp voor nodig heeft, is het lopende reclasseringstoezicht niet toereikend. Behandeling en/of diagnostiek in een ambulant forensisch kader wordt ook niet als toereikend gezien.
De reclassering heeft tweeledig geadviseerd. Indien verdachte ter zitting zou aangeven dat hij wil meewerken aan bijzondere voorwaarden dan adviseert de reclassering een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Wanneer verdachte niet wil meewerken aan de bijzondere voorwaarden dan adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.Een periode van detentie op mogelijk een PPC-afdeling zou een mogelijkheid kunnen bieden om diagnostiek te kunnen doen en toe te werken naar een meer stabiel toestandsbeeld zodat er vanuit detentie toegewerkt kan worden naar een vervolgplek met de benodigde (vrijwillige) hulpverlening.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op wat in vergelijkbare uitspraken wordt opgelegd. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 weken passend en geboden. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en heeft dus niet kunnen aangeven mee te willen werken aan bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom geen voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opleggen.
Verder zal de rechtbank ter voorkoming van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte opleggen voor de duur van twee jaren. Deze maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met aangeefster [slachtoffer] .
De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt één week per overtreding, met een totale duur van maximaal 26 weken, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen richting aangeefster, gelet op de aard en omstandigheden van de feiten en gelet op aanwijzingen in het dossier dat verdachte ook vóór het tenlastegelegde zich vaker belastend heeft gedragen richting aangeefster en dat hij bij de politie heeft verklaard verliefd op haar te zijn. De rechtbank zal daarom bevelen dat de maatregel duidelijk uitvoerbaar is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat:
- contactverbod:verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod;
beveelt dat vervangende hechtenis van één week wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste 26 weken;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.