RECHTBANK GELDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser], uit [plaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1855
in de zaak tussen
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
(gemachtigde: T. Akkermans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats], vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Procesverloop
1. Op 21 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfsruimte voor de verkoop van streekproducten aan de [locatie] in [plaats]. Eiser heeft aan dezelfde weg een fruitstal waar hij seizoensfruit verkoopt.
Het college heeft op 28 oktober 2024 de omgevingsvergunning verleend.
In het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en [persoon A] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat eiser wel belanghebbende is. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende is. Een onderneming heeft slechts een concurrentiebelang als zij in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment bedrijfsactiviteiten ontplooit als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Eiser heeft een concurrentiebelang omdat zowel hij als vergunninghouder in hetzelfde verzorgingsgebied – de Betuwe – en hetzelfde marktsegment werkzaam zijn. Hoewel de activiteiten van vergunninghouder ruimer zijn dan die van eiser, is niet in geschil dat zij beiden in een bepaalde periode van het jaar hetzelfde fruit (kersen) verkopen. Daarmee is er een sprake van een zekere overlap van het marktsegment waarin eiser en vergunninghouder opereren. Eiser wordt door het besluit dan ook in zijn concurrentiebelang geraakt. Het college had daarom inhoudelijk naar de beroepsgronden van eiser moeten kijken. De rechtbank zal dat hierna alsnog doen.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de verleende vergunning niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie. De vergunning leidt tot een gemiddelde toename van 52 verkeersbewegingen per etmaal en de weg kan die extra hoeveelheid volgens het college aan. Er is geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat er toch gevaarlijke situaties kunnen ontstaan, bijvoorbeeld omdat een auto laat richting aangeeft of plotseling remt om naar het vergunde bedrijfsgebouw af te slaan, is weliswaar niet uit te sluiten maar betekent niet dat de vergunning een gebrek vertoont, omdat die situaties in dat geval veroorzaakt worden door onveilig rijgedrag.
Ten aanzien van de beroepsgronden over de mogelijke aanwezigheid van een bever op het perceel en de mogelijke ligging van de bedrijfsruimte op minder dan 50 meter van een spuitzone voor gewasbeschermingsmiddelen, geldt dat de normen waarop eiser zich beroep kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. De regels uit de Wet natuurbescherming strekken tot bescherming van planten en dieren en zijn niet bedoeld om concurrentiebelangen te beschermen. Eiser erkent ook dat hij meer dan 100 meter van de beoogde bedrijfsruimte woont. Daarmee is er ook geen sprake van verwevenheid tussen zijn belang bij behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving en de bescherming van de volgens hem op het perceel aanwezige bever. De regels over spuitzones zijn bedoeld ter bescherming van de belangen van gebruikers van gevoelige functies en kennelijk niet voor de bescherming van de concurrentiebelangen. Omdat in de wet staat dat een besluit niet kan worden vernietigd vanwege strijd met een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.
Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025 door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.