RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11971829 \ VV EXPL 25-196
Vonnis in kort geding van 18 december 2025
in de zaak van
1.
de commanditaire vennootschap
EDE WONINGEN C.V.
en2.
de stichting
STICHTING EDE PROPERTY,
beiden gevestigd te Ede,
eisende partijen,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: huurder,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 24 november 2025 met zes producties.
De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Verhuurder verhuurt met ingang van 23 oktober 2023 aan huurder de woning aan het adres [adres 1] (hierna: het gehuurde).
In artikel 3.1 van de huurovereenkomst is het volgende bepaald:
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een duur van maximaal twee (2) jaar of korter (zelfstandige woonruimte, te weten 2 jaar , ingaande op 23 oktober 2023 en lopende tot en met 22 oktober 2025 .
Bij brief van 20 augustus 2025 heeft verhuurder het volgende aan huurder bericht:
(…)
U huurt een woning aan [adres 1] . U bent een huurovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd die conform artikel 3 van de door u getekende huurovereenkomst afloopt per 22-10-2025. Aangezien de huurovereenkomst binnenkort afloopt informeren wij u over de vervolgstappen.
Wij houden u aan de einddatum van de huurovereenkomst. Dit betekent dat u de woning per 22-10-2025 weer aan ons op moet leveren. Na deze datum kunt u geen gebruik meer maken van het gehuurde.
(…)
Bij e-mail van 23 oktober 2025 heeft verhuurder aan huurder bericht:
(…)
Op 20 augustus 2025 heeft u een aanzegging ontvangen met betrekking tot de beëindiging van uw huurovereenkomst voor de woning aan [adres 1] (zie onderstaande
e-mail en bijlage). Conform de bepalingen in de huurovereenkomst is deze op 22 oktober 2025 beëindigd. Op die datum diende u de woning aan ons op te leveren.
Wij hebben vernomen dat de woning tot op heden niet is opgeleverd en dat u heeft aangegeven niet voornemens te zijn de woning te verlaten. Wij geven u hierbij een laatste mogelijkheid om de woning alsnog aan ons op te leveren.
Indien de oplevering van de woning niet vóór of op 6 november 2025 heeft plaatsgevonden, zullen wij ons genoodzaakt zien een gerechtelijke procedure te starten. De kosten die hieruit voortvloeien zullen wij op u verhalen.
(…)
3. Het geschil
Verhuurder verzoekt, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, huurder te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres 1] te ontruimen met al diegenen die zich vanwege huurder in het gehuurde bevinden, en al hetgeen zich vanwege huurder in het gehuurde bevindt, en het gehuurde leeg en ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt en onder afgifte van alle sleutels aan verhuurder ter beschikking te stellen, althans een zodanige beslissing te nemen als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van huurder in de proceskosten.
Op hetgeen verhuurder aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
In dit kader stelt verhuurder, onweersproken, dat zij de huurovereenkomsten met alle bestaande huurders in het complex heeft beëindigd en het complex moet opleveren aan de nieuwe huurder, [bedrijf 1] . Door het gehuurde niet te verlaten, maakt huurder inbreuk op het eigendomsrecht van verhuurder en is een snel oordeel noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter dan ook vast dat sprake is van een spoedeisend belang, nu dit voortvloeit uit de aard van de vordering van verhuurder.
Ontruiming
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
In dit kader overweegt de kantonrechter als volgt.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 van de huurovereenkomst hebben partijen een tijdelijke huurovereenkomst gesloten voor de duur van maximaal twee jaar.
Partijen hebben hun huurovereenkomst gesloten voor 1 juli 2024, de datum waarop de zogenoemde Wet vaste huurcontracten (volledig: ‘wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in verband met het afschaffen van tijdelijke huurcontracten voor zelfstandige woonruimten’) in werking is getreden.
Als gevolg hiervan is artikel 7:271 lid 1 BW van toepassing, zoals dat gold ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst.
Uit artikel 7:271 lid 1 BW (oud) volgt dat de verhuurder niet eerder dan drie maanden, maar uiterlijk een maand voordat de bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop die huur verstrijkt schriftelijk informeert. In dit geval betekent dit dat de verhuurder niet eerder dan 23 juli 2025 en niet later dan 23 september 2025 huurder had moeten informeren dat de huurovereenkomst tussen partijen per 23 oktober 2025 zou eindigen. Hieraan is voldaan, nu verhuurder de aanzegging op 20 augustus 2025 per aangetekende post, gewone post en e-mail naar huurder heeft verzonden. Verhuurder heeft het einde van de huurovereenkomst dan ook binnen de wettelijke termijn aangezegd aan huurder, zodat de huurovereenkomst per 23 oktober 2025 is geëindigd.
Nu de huurovereenkomst tussen partijen per 23 oktober 2025 is geëindigd, verblijft huurder op dit moment zonder recht of titel in het gehuurde. Als gevolg hiervan komt de door verhuurder gevorderde ontruiming dan ook voor toewijzing in aanmerking. Bij deze beoordeling heeft de kantonrechter rekening gehouden met het feit dat de drie kinderen van huurder niet hun hoofdverblijf in het gehuurde hebben.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft huurder verklaard dat hij het gehuurde graag weer ter beschikking aan verhuurder wil stellen en sinds een jaar op zoek is naar een andere woning, maar tot op heden niks gevonden heeft. De kantonrechter ziet hier aanleiding in om huurder te veroordelen het gehuurde te ontruimen op een termijn van vier weken na betekening van dit vonnis. Dit biedt huurder iets langer de gelegenheid om alsnog vervangende woonruimte te vinden en is naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen.
Proceskosten
Huurder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van verhuurder worden begroot op
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
957,47
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt huurder om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres 1] te ontruimen met al diegenen die zich vanwege huurder in het gehuurde bevinden, en al hetgeen zich vanwege huurder in het gehuurde bevindt, en het gehuurde leeg en ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt en onder afgifte van alle sleutels aan verhuurder ter beschikking te stellen,
veroordeelt huurder in de proceskosten van € 957,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als huurder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
48073 53854