RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/448403 / HA ZA 25-96
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W. van Dijk,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [bedrijf 1],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers LLM..
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juni 2025
- de akte vermeerdering van eis en overleggen producties van [eiser]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] exploiteert een bouwbedrijf. [gedaagde] drijft een eenmanszaak in installatiewerk.
In opdracht van [betrokkene 1] heeft [eiser] een woonhuis gerealiseerd in Amersfoort. De levering en installatie van de elektrotechnische en werktuigbouwkundige voorzieningen van deze woning is opgedragen aan [gedaagde] , voor respectievelijk bedragen van € 13.718,63 en € 61.827,11 inclusief btw.
[gedaagde] heeft ter zake van het hem opgedragen werk in de periode van september 2023 tot en met mei 2024 bedragen van € 11.559,55, € 18.589,98, € 26.434,50, € 3.444,85, en € 14.776,72 inclusief btw bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft in ieder geval het tweede, vierde en vijfde bedrag voldaan.
Vanaf mei 2024 heeft [eiser] herhaaldelijk haar zorgen over de voortgang van het werk met [gedaagde] gedeeld. Bij brief van 2 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat hij zijn werkzaamheden uiterlijk op 13 september 2024 deugdelijk moet hebben afgerond, bij gebreke waarvan [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld voor de schade. Daarbij is opgemerkt dat [eiser] zich het recht voorbehoudt om vervangende schadevergoeding te verlangen, in welke geval een derde zal worden ingeschakeld om de werkzaamheden af te ronden en de kosten daarvan op [gedaagde] zullen worden verhaald.
[gedaagde] heeft het hem opgedragen werk niet afgerond.
Bij brief van 23 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat zij geen nakoming meer wenst, dat zij de overeenkomst met [gedaagde] ontbindt en dat zij aanspraak maakt op aanvullende schadevergoeding, bestaande uit de kosten die [eiser] zal moeten maken om het werk door derden te laten afronden en om eventuele gebreken aan het al wel uitgevoerde werk te laten herstellen.
3. Het geschil
[eiser] vordert ‒ na vermeerdering van eis en vermindering van eis ter zitting ‒ kort gezegd dat de rechtbank [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 64.571,63, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting uit een overeenkomst van onderaanneming van werk met [eiser] , dat [eiser] deze overeenkomst terecht heeft ontbonden voor zover het overeengekomen werk nog niet was verricht en dat [gedaagde] daarom tot schadevergoeding is gehouden. De schade bestaat uit de kosten die [eiser] heeft moeten maken om het opgedragen werk vrij van gebreken af te (laten) ronden, in totaal € 57.271,57 inclusief btw, te vermeerderen met de verschenen wettelijke rente en een bedrag van € 1.318,61 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De dagvaarding is niet nietig
Volgens [gedaagde] vermeldt de dagvaarding niet de juridische grondslagen van de hoofdvordering en is dit exploot daarom nietig op de voet van art. 120 lid 1 Rv. Daarin wordt hij niet gevolgd. De dagvaarding vermeldt wel degelijk de gronden van de eis. Of deze toereikend zijn is een inhoudelijke vraag die in dit vonnis zal worden beantwoord.
[eiser] heeft met [gedaagde] gecontracteerd
[gedaagde] betwist dat hij met [eiser] een overeenkomst van onderaanneming van werk heeft gesloten. Hij heeft rechtstreeks met [betrokkene 1] gecontracteerd, aldus [gedaagde] . Daarvoor pleit dat de twee offertes van [gedaagde] van 15 oktober 2023 met [betrokkene 1] zijn besproken, zijn gericht aan [betrokkene 1] en ook aan [betrokkene 1] zijn toegezonden. [betrokkene 1] heeft de offertes echter bij e-mail van 16 oktober 2023 aan [eiser] doorgestuurd. [gedaagde] heeft niet opgeworpen dat [betrokkene 1] de offertes voor akkoord heeft ondertekend en ook overigens niet toegelicht hoe de overeenkomst met [betrokkene 1] tot stand zou zijn gekomen. Volgens [gedaagde] heeft [betrokkene 1] in de e-mail van 16 oktober 2023 de offertes geaccordeerd. Deze e-mail is echter zoals gezegd niet aan [gedaagde] maar aan [eiser] gericht. Bovendien staat daar slechts in dat het wat [betrokkene 1] betreft de definitieve offertes zijn. Het doorzenden wijst er dan op dat [betrokkene 1] ervan uitging dat [eiser] de opdracht aan [gedaagde] zou geven.
[gedaagde] is vervolgens al zijn facturen gaan richten aan [eiser] . Het merendeel van deze facturen vermeldt het nummer van de offertes die [gedaagde] aan [betrokkene 1] had toegezonden. [eiser] heeft deze facturen voldaan. [gedaagde] advocaat heeft dit weliswaar ter zitting betwist ter zake van de facturen van € 11.559,55, en € 26.434,50, maar slechts op de grond dat [eiser] geen bewijs van betaling op de rekening van [gedaagde] heeft overgelegd, maar alleen transactiedetails zonder namen van de ontvangers. [eiser] heeft toegelicht dat de betalingen deel uitmaken van batchbetalingen, dus betalingen aan meerdere ontvangers en dat zij inmiddels vanwege het tijdsverloop geen individueel bankafschrift van de tot deze batches behorende betalingen aan [gedaagde] meer kan overleggen. Mede gelet erop dat [gedaagde] niet daadwerkelijk heeft weersproken dat hij ook deze twee bedragen van [eiser] heeft ontvangen, wordt daarvan als onvoldoende gemotiveerd betwist uitgegaan. Dat [gedaagde] zijn werk bij [eiser] in rekening heeft gebracht en [eiser] deze rekeningen betaalde is een zwaarwegende aanwijzing dat [gedaagde] in opdracht van [eiser] werkte.
Buiten rechte heeft [gedaagde] nimmer betwist dat hij in onderaanneming voor [eiser] aan het werk was, terwijl dat, zeker na de brieven van 2 september en 23 oktober 2024, in zijn lezing wel voor de hand zou hebben gelegen.
In de correspondentie tussen partijen en ook met [betrokkene 1] waarop [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord nog concreet heeft gewezen, ziet de rechtbank geen aanwijzingen voor twijfel aan de gestelde rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] . Dat een werknemer van [eiser] op 23 augustus 2024 schrijft dat hij de betalingscondities niet precies kent, wijst in tegendeel juist erop dat [eiser] inderdaad een overeenkomst met [gedaagde] had.
Als onvoldoende gemotiveerd weersproken stelt de rechtbank dan vast dat het [eiser] is geweest die [gedaagde] het werk in onderaanneming heeft opgedragen.
[gedaagde] is schadeplichtig
Vast staat dat [gedaagde] het hem opgedragen werk niet heeft voltooid. Zijn advocaat heeft dit ter zitting verklaard. Het beroep van [gedaagde] op een opschortingsrecht onderstreept dat. Dit beroept slaagt niet. [gedaagde] heeft in een app van 22 augustus 2024 weliswaar aangegeven dat hij, vanwege late betaling van zijn facturen, zijn werkzaamheden neerlegt, maar op 26 augustus 2024 heeft [gedaagde] telefonisch aan [eiser] toegezegd dat hij vanaf 2 september 2 weken heeft ingepland om alle werkzaamheden op te pakken en af te ronden en dat dus uiterlijk op vrijdag 13 september 2024 alles afgerond zal zijn. Dit blijkt uit de e-mail van [eiser] aan [gedaagde] van 28 augustus 2024 en dit is door [gedaagde] erkend in randnummer 13 van de conclusie van antwoord. [gedaagde] heeft de toezegging bovendien nog eens bevestigd in zijn app van 3 september 2024: “Zoals gezegd ben ik dingen aan het afronden en heb je aangegeven dat ik het afmaak”. Aldus heeft [gedaagde] een beroep op opschorting prijsgegeven. Op deze toezegging stuit ook het beroep van [gedaagde] op schuldeisersverzuim af. [gedaagde] achtte zich immers in staat om het werk te voltooien.
Omdat [gedaagde] niet op het werk verscheen op 2 september 2024 heeft [eiser] toen de in 2.4. bedoelde brief met ingebrekestelling aan [gedaagde] gestuurd. Daarin is de door [gedaagde] opgegeven termijn voor afronding van het werk aangehouden. Zoals gezegd heeft [gedaagde] het werk niet voltooid. Hij was dan ook op 14 september 2024 in verzuim met de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst van onderaanneming van werk. [eiser] kon daarom de overeenkomst ontbinden, zoals zij heeft gedaan. Ter zitting is gebleken dat het een gedeeltelijke ontbinding betreft, ter zake van de op dat moment nog niet nagekomen verplichtingen. [gedaagde] is dan verplicht de schade te vergoeden die [eiser] lijdt doordat geen volledige nakoming, maar partiële ontbinding plaatsvindt. Voor zover het wel uitgevoerde werk gebreken vertoonde, is [gedaagde] vanwege wanprestatie tot schadevergoeding gehouden. Ter zake van de schade is het volgende van belang.
Wat is de schade?
Wat de ontbinding betreft, komt voor vergoeding in aanmerking het verschil in het vermogen van [eiser] tussen enerzijds de situatie bij een in alle opzichten onberispelijke nakoming en anderzijds de situatie waarin zij feitelijk na gedeeltelijke ontbinding verkeert. In de eerste situatie zou [eiser] met bijbetaling van een bedrag van € 740,69 (de som van de twee offertes ad € 75.545,74, verminderd met de som van de bedragen die zij aan [gedaagde] heeft betaald, te weten € 74.805,05) het voltooide werk hebben verkregen. Zij stelt dat zij in de tweede situatie feitelijk daarvoor nog een bedrag van € 57.271,57 aan kosten heeft moeten maken. Dit bedrag ziet volgens [eiser] op kosten om het werk te (laten) voltooien en op kosten van herstel van gebreken, is gespecificeerd in productie 17 en onderbouwd met facturen van derden en een specificatie van haar eigen kosten.
[gedaagde] betwist de juistheid van dit laatste bedrag en werpt op dat het werk bijna af was en alleen nog moest worden afgerond. Hij wijst daartoe op zijn facturen waarop is vermeld dat 95% van het werk is afgerond. Geconstateerd moet echter worden dat zijn laatste factuur van 6 mei 2024 vermeldt dat de warmtepomp voor 0% is afgerond. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat deze post een bedrag van € 15.000,00 vertegenwoordigt. Deze factuur vermeldt wel dat de airco’s voor 95% zijn afgerond. Dat [gedaagde] voor het leveren en monteren hiervan niet heeft gefactureerd, zoals hij opwerpt, klopt dus niet. Hij erkent daarmee in wezen bovendien dat hij dit werk niet heeft verricht, zoals [eiser] stelt. Dat ook met deze post een bedrag van enkele duizenden euro’s is gemoeid, heeft [gedaagde] niet weersproken. Dat het werk bijna af was, kan dan zeker niet worden aangenomen.
[gedaagde] betwist verder dat facturen die [eiser] ter staving van de schade heeft overgelegd, zien op kosten om het werk deugdelijk af te maken, en wel op de grond dat op deze facturen geen werkadres is vermeld of als werkadres het vestigingsadres van [eiser] en niet dat van het woonhuis in Amersfoort, en ook omdat op een factuur [betrokkene 2] staat in plaats van [betrokkene 1] . Geconstateerd moet echter worden dat op facturen waarop als werkadres het adres van [eiser] staat ook is vermeld “Projectnaam Fam. [betrokkene 1] Amersfoort” en “Projectteam [betrokkene 1] Amersfoort” en voorts dat de factuur van 13 februari 2025 “ [adres+woonplaats] ” vermeldt. Niet in geschil is dat op de factuur voor de airco’s “Amersfoort” staat. Aldus is genoegzaam gebleken dat het hier gaat om werk aan het woonhuis van [betrokkene 1] . Dat deze achternaam niet steeds correct is gespeld doet daaraan niet af. De betwisting is onvoldoende toegelicht om af te kunnen doen aan de gestelde schade.
[gedaagde] betwist dat de facturen van [bedrijf 2] van 2 september 2025, ter hoogte van € 1.527,76 en € 527,35 exclusief btw, kosten betreft die [eiser] heeft moeten maken om het aan [gedaagde] opgedragen werk alsnog (deugdelijk) gedaan te krijgen. De eerste factuur ziet op het maken van aparte groepen in de tuin en dat werk heeft hij niet geoffreerd. De tweede factuur betreft het aansluiten van de waterleiding en dat heeft hij gedaan, aldus [gedaagde] . [eiser] heeft niet meer toegelicht waarom dit niet klopt, maar volstaan met de opmerking dat de groepen in de tuin zien op elektra en niet op water. [eiser] heeft bovendien niet duidelijk gemaakt waarom deze facturen dateren van vele maanden nadat het werk eind 2024 was opgeleverd. Als onvoldoende gemotiveerd gesteld, komen deze bedragen dan niet voor vergoeding in aanmerking.
[gedaagde] werpt verder op dat in zijn offerte staat dat [betrokkene 1] zelf de elektra (de verlichting en stopcontacten) zal afmonteren en dat daarom de kosten om dit werk door een derde te laten verrichten niet tot de te vergoeden schade behoren. Ter zitting heeft [eiser] de afspraak met [betrokkene 1] erkend, maar onbetwist gesteld dat van de kosten van dit afmonteerwerk ook geen vergoeding wordt gevorderd, omdat [betrokkene 1] daadwerkelijk zelf de stopcontacten, schakelaars en spots/lampen heeft aangebracht of heeft laten aanbrengen. Als onvoldoende gemotiveerd betwist, staat dit laatste dan vast.
[eiser] vordert dat [gedaagde] ook opslagen voor algemene kosten (9%), winst en risico (6%) en CAR-verzekering (0,5%) en voorts omzetbelasting (21%) over de netto-kosten vergoedt. Deze posten zijn niet toewijsbaar. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van opslagen betwist en ter zitting onweersproken opgeworpen dat [eiser] deze opslagen bij [betrokkene 1] in rekening zal hebben gebracht. Dat [eiser] de opslagen twee keer betaald zou moeten krijgen ligt niet in de rede. In het licht van de betwisting heeft [eiser] dan onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de opslagen tot haar schade moeten worden gerekend. Het verweer dat [gedaagde] aansprakelijkheid voor deze schadeposten heeft uitgesloten in zijn algemene voorwaarden behoeft dan geen bespreking. Ter zitting is genoegzaam gebleken dat [eiser] de btw die de derden bij hem in rekening hebben gebracht kan verrekenen. Dan lijdt zij dus ook in zoverre geen schade.
Ter zake van de eigen kosten van [eiser] is het volgende van belang. [gedaagde] merkt terecht op dat de opgevoerde kosten van bezoeken en afspraken (€ 1.590,50 exclusief btw) niet zodanig zijn gespecificeerd dat daaruit valt op te maken dat deze kosten zijn gemaakt voor werk dat [gedaagde] had moeten doen. De kosten voor rioolontstopper (€ 344,00 exclusief btw) zijn niet met een factuur onderbouwd, zoals [gedaagde] opwerpt. [eiser] heeft zich in dit verband niet meer uitgelaten. Daarmee heeft zij onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij in zoverre schade lijdt. Deze bedragen zijn dus niet toewijsbaar.
Voor het overige is de gevorderde hoofdsom niet betwist en toewijsbaar. Concreet gaat het dan om een bedrag van € 36.545,28. Dit is het totaal van de bedragen die zijn vermeld op het overzicht dat als productie 17 in het geding is gebracht ad € 41.275,58, verminderd met € 1.527,76 en € 527,35 (r.o. 4.12.), met € 1.590,50 en € 344,00 (r.o. 4.15.) en met € 740,69 (r.o. 4.9.).
Rente, incassokosten en proceskosten
[eiser] heeft ter zitting haar eis in die zin verminderd dat zij niet de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vordert, maar de gewone wettelijke rente. Deze vordering is niet afzonderlijk weersproken en toewijsbaar vanaf 23 oktober 2024, toen [eiser] voor het eerst aanspraak is gaan maken op vergoeding van wettelijke rente.
Ook de niet afzonderlijk weersproken vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar, zij het voor slechts het bedrag van € 1.140,45. Dit bedrag past volgens de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende besluit bij de toe te wijzen hoofdsom, bij welke wet [eiser] heeft beoogd aan te sluiten.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld, aan de zijde van [eiser] op basis van het toe te wijzen bedrag begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,16
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.868,16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 37.685,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 36.545,28, met ingang van 23 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.868,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.