RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05.069355.21
Datum uitspraak : 24 april 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Raadsman: aanvankelijk mr. A.A. Boersma, advocaat in Amsterdam,
nu: mr. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht.
1. De inhoud van de vordering
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde op 24 en 25 september 2024 heeft de officier van justitie ook een vordering tot ontneming (hierna: vordering tot ontneming) van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht ingesteld. De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 798.110,-.
2. De procedure
Ter zitting van 25 september 2024 is op verzoek van de verdediging van veroordeelde de behandeling van deze vordering aangehouden en is afgesproken dat de raadsman en officier van justitie nog schriftelijke conclusies zouden nemen.
Veroordeelde heeft op 4 november 2024 zijn conclusie van antwoord genomen.
De officier van justitie heeft op 18 november 2024 hierop gereageerd in een conclusie van repliek.
Veroordeelde heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid een conclusie van dupliek te nemen.
Ten slotte heeft op 27 maart 2025 de inhoudelijke behandeling van de vordering tot ontneming plaatsgevonden. Op deze openbare terechtzitting hebben de officier van justitie en de verdediging (voor veroordeelde trad zijn nieuwe advocaat op) de mogelijkheid gehad tot het maken van aanvullende opmerkingen.
3. De standpunten
De officier van justitie heeft in repliek de vordering verminderd en heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op een bedrag van € 546.690,-.
De verdediging heeft zich, mede gelet op de reactie van de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de chatsessies onder nummer 15 en 58 niet langer worden meegenomen bij het berekenen van het voordeel. Ten aanzien van chatsessie 5 stelt de verdediging zich op het standpunt dat ook, gelet op een WODC rapport, de transportkosten meegenomen dienen te worden. Hiervoor geldt een percentage van 40%. Dit levert uiteindelijk, als het gedeeld wordt door 3, een voordeel op van € 149.725. Ten aanzien van de chatsessies 117 en 131 is veroordeelde enkel veroordeeld voor het afleveren en afleveren levert nog geen geld op. Ten aanzien van chatsessie 99 blijkt niet dat er enig strafbaar feit is gepleegd waarbij veroordeelde betrokken is geweest en als er al een kilogram is afgeleverd dan blijkt niet dat er ook (direct) voor betaald is en er dus voordeel is genoten. Ten aanzien van chatsessie 150 blijkt niet er enig strafbaar feit is gepleegd en dat veroordeelde daarbij betrokken is. Daarnaast blijkt uit de chat niet dat de beweerde cocaïne is afgeleverd, het lijkt eerder te zijn opgehaald. Dan gaat het over inkoop in plaats van verkoop. Ten aanzien van chatsessie 195 blijkt niet dat het gaat om cocaïne en dus enig strafbaar feit is gepleegd, dus kan het niet worden betrokken bij het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft in voorwaardelijke zin verzocht om de tegencontacten, te weten [account 1] , [account 2] en [account 3] , te horen. Tot slot dient de onderschepping van het transport van 102 kilogram op 22 september 2020 en het verbeurd verklaarde bedrag in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. De beoordeling van de vordering
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen indien daarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door een veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 22 oktober 2024 tegen veroordeelde gewezen vonnis (hierna: het strafvonnis) waarbij hij voor de volgende feiten is veroordeeld:
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.
Aan veroordeelde is een gevangenisstraf van 8 jaren opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, onder meer gelet op het strafvonnis.
Voorwaardelijk verzoek
Voor het geval de rechtbank zal overgaan tot vaststelling van enig bedrag aan genoten voordeel, heeft de raadsman van veroordeelde ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de tegencontacten van de chatgesprekken, om te achterhalen of de feiten echt zijn gebeurd én of er is betaald. Verzocht wordt om de personen te horen, die achter de volgende accounts zitten:
[account 1]
[account 2] (gelet op het dossier zal zijn bedoeld: [account 2] )
[account 3] (gelet op het dossier zal zijn bedoeld: [account 3] ).
Veroordeelde heeft zelf niets willen verklaren over de inhoud van de gesprekken, dus heeft ook geen aanknopingspunten aangereikt voor een alternatief scenario dat onderzocht zou moeten worden. Daarnaast is het verzoek in een dermate laat stadium gedaan (na de conclusiewisseling tot en met dupliek), dat het ook in strijd met de goede procesorde is.
De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Overigens merkt de rechtbank op dat uit het onderzoek in de strafzaak is gebleken dat de persoon achter account [account 1] tot nu toe onbekend is gebleven en dat de twee andere accounts toebehoren aan medeveroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] .
Inhoudelijke beoordeling, uitgangspunten
Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de politie Oost-Nederland opgemaakte berekening (hierna: het rapport).
De in de – inzichtelijke en duidelijke – berekening gerelateerde feiten zijn door de rechtbank gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken. De in het proces-verbaal getrokken conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal.
De uitgangspunten van de geschatte opbrengst van de cocaïne en de inkoopkosten van deze drugs zijn in het rapport onderbouwd door te verwijzen naar het “Drugsprijzenoverzicht van het Cluster Synthetische Drugs van de Dienst Landelijke Recherche”. Die onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.
Als geschatte verkoopprijs van 1 kilogram cocaïne zal € 26.000,- worden gehanteerd.
Voor de inkoopkosten wordt in datzelfde overzicht € 7.125,- gehanteerd.
De raadsman van veroordeelde heeft ter zitting gewezen op een rapport uit 2005 (Instituut voor onderzoek naar leefwijzen & verslaving te Rotterdam, getiteld: Impressies van deelnemers aan drugsdistributienetwerken, 2005). Hieruit zou volgen dat er voor wat betreft de kosten van het transport van cocaïne naar Nederland met een hoger bedrag zou moeten worden gerekend dan het bedrag van € 7.125,-, waar de ontnemingsvordering van uit gaat. In een paragraaf die gaat over met partijen cocaïne “meelopen” wordt beschreven dat buitenlandse transporteurs zich ook wel laten uitbetalen in een deel van de partij cocaïne. In die paragraaf wordt daarbij vermeld dat “degene die het transport verzorgt, daarvoor bijvoorbeeld rond 40 procent van de koopprijs rekent.” Omgerekend naar deze strafzaak zouden de kosten dan € 10.400,- per kilogram cocaïne bedragen. De auteurs van het rapport hebben met 61 uiteenlopende personen (waaronder ex-gedetineerden) gesproken, maar waar het percentage van 40 vandaan komt, wordt niet duidelijk gemaakt.
Aan de andere kant wordt in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel ook niet duidelijk gemaakt wat afgezien van het Drugsprijzenoverzicht (dit overzicht zelf ontbreekt in het dossier en is ook elders niet vindbaar) de bron is van het bedrag van € 7.125,- per kilogram.
De rechtbank dient het genoten voordeel te schatten. Voor de te verrekenen kosten zal de rechtbank in het midden gaan zitten van de twee bedragen en uitgaan van € 8.763,- per kilogram cocaïne.
Geschat genoten wederrechtelijk voordeel
De rechtbank zal hierna per chatsessie beoordelen hoeveel kilogram cocaïne er is verhandeld. In het daarna volgende overzicht zal de rechtbank het aandeel van veroordeelde in het genoten voordeel bepalen aan de hand van het aantal deelnemers aan de chatsessie.
Chatsessie vanaf 5
Officier van justitie en verdediging zijn het erover eens dat het hier gaat om 53 kilogram cocaïne die verkocht is.
Chatsessie vanaf 15 De communicatie, waarvan het rapport uitgaat, kan zien op verkoop, maar net zo goed op het laten ophalen van geld. De rechtbank volgt de verdediging en zal de oorspronkelijke
6 kilogram niet meenemen in het voordeel.
Chatsessie vanaf 58
Gelet op de vrijspraak van dit onderdeel, zal de oorspronkelijke 18 kilogram ook niet worden meegerekend.
Chatsessie vanaf 99 Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat het hier om een kilogram hublo (= cocaïne) gaat. De rechtbank verwerpt het verweer dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel is vast te stellen, omdat niet uit de chatberichten blijkt dat er ook voor betaald is. Uitgangspunt is immers dat er voor geleverde cocaïne betaald is. Uit het dossier of de verklaring van veroordeelde is niet af te leiden dat het hier anders zou zijn.
Chatsessies vanaf 117 en 131 In het vonnis is het afleveren van 7 en 10 kilogram bewezen, terwijl er al eerder 2 kilogram is weg gedaan. Dat uit de bewijsmiddelen niet expliciet blijkt van “verkopen”, heeft ertoe geleid dat de rechtbank verkopen niet bewezen heeft verklaard. Ook hier geldt echter dat uitgangspunt is dat er voor geleverde cocaïne betaald is. Uit het dossier of de verklaring van veroordeelde is niet af te leiden dat het hier anders zou zijn.
Chatsessie vanaf 150 De verdediging heeft aangevoerd dat hier niet blijkt dat het om cocaïne gaat. Met de officier van justitie vraagt de rechtbank zich af, waar het dan over gaat. Bezien tegen de achtergrond van het gehele dossier en zonder verklaring van veroordeelde, is aannemelijk dat het wel om cocaïne gaat. Daarom zal ook deze 13 kilogram worden meegerekend bij het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Chatsessie vanaf 195 Hier geldt hetzelfde als wat hiervoor bij chatsessie 150 werd opgemerkt. Wel lijkt het hier om een mindere verkoopprijs te gaan, namelijk € 19.000,- per kilogram. Daarmee zal de rechtbank rekening houden bij het te berekenen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 586.523,-, als volgt gespecificeerd:
chat
datum
kg.
soort
bedrag
delen
aandeel
kosten
€ 26.000/kg
door
€ 8.763/kg
5
9-2-2020
53
cocaïne
€ 1.378.000
3
€ 459.333
€ 154.813
15
18-2-2020
0
cocaïne
€ 0
3
€ 0
€ 0
58
11-4-2020
0
cocaïne
€ 0
3
€ 0
€ 0
99
30-5-2020
1
cocaïne
€ 26.000
3
€ 8.667
€ 2.921
117
30-5-2020
9
cocaïne
€ 234.000
2
€ 117.000
€ 39.434
131
2-6-2020
10
cocaïne
€ 260.000
3
€ 86.667
€ 29.210
150
5-6-2020
13
cocaïne
€ 338.000
3
€ 112.667
€ 37.973
195
20-9-2020
13
cocaïne
€ 247.000
2
€ 123.500
€ 56.960
€ 907.834
€ 321.311
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 586.523
In dit onderzoek is een bedrag van € 378.900,- onder veroordeelde in beslag genomen. De rechtbank heeft dat in de hoofdzaak verbeurd verklaard, omdat dit is verkregen door middel van de bewezen verklaarde strafbare feiten. In zoverre hebben alle vier veroordeelden dit bedrag uiteindelijk niet als voordeel genoten, omdat het weer is afgepakt. Overigens lag er ook conservatoir beslag op dit geld, bestemd voor de verrekening met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien het bedrag niet verbeurd zou zijn verklaard, dan zou het hebben gediend als verhaal voor het te ontnemen bedrag.
Het totale in beslag genomen bedrag dient in beginsel evenredig over de vier veroordeelden te worden verdeeld. In de gelijktijdig met deze uitspraak uitgesproken uitspraak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] , heeft de rechtbank beslist dat zijn aandeel in dit bedrag beperkter is dan dat van de andere drie veroordeelden. De rechtbank heeft zijn aandeel vastgesteld op € 47.362,-. Het resterende bedrag van € 331.538,- zal pondspondsgewijs over de andere drie veroordeelden worden verdeeld.
Het bedrag waartoe veroordeelde zal worden veroordeeld, wordt daarom met
(€ 331.538 / 3 =) € 110.513,- verminderd.
Daarnaast dient ook het bedrag dat onder veroordeelde zelf in beslag is genomen en dat verbeurd is verklaard, in mindering te komen op het bedrag het genoten voordeel. Dat betreft in totaal € 8.795,-.
De rechtbank zal daarom veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling
aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
(€ 586.523 -/- € 110.513 -/- € 8.795 =) € 467.215,-.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 586.523,-;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 467.215,-;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen.
Aldus gegeven door mr. L.J. Saarloos (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2025.
Mr. Schoo is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.