RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458100 / HA ZA 25-427
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J. van der Putt te Haarlem,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
[eiseres] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
[eiseres] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen, met ingang van 14 september 2025, tot de dag van volledige betaling.
[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, met uitzondering van de nog niet vastgestelde kosten van de deurwaarder en het gevorderde salaris advocaat voor zover dat uitgaat boven het liquidatietarief. De beslagkosten worden vastgesteld op:
- kosten deurwaardersexploten
€
701,41
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
Totaal
€
1.818,41.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.043,00
(€ 1.374,00 - € 331,00)
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.152,45.
3. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 28.702,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, vastgesteld op € 1.818,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres] gehouden is tot betaling van alle schulden van de v.o.f. [gedaagde] - [eiseres] aan de belastingdienst,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.152,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en op 26 november 2025 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. I.W.M. Olthof.