RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1110, ARN 23/1140 en ARN 23/1141
in de zaak ARN 23/1110 (over 144 bomen) tussen
[naam stichting/eiser 1] , gevestigd in de gemeente Renkum, (de stichting)
[eiseres 1] , uit [plaats 1] , (eiseres 1)
[eiser 2] , uit [plaats 1] , (eiser 2) en
[eiseres 3] , uit [plaats 1] , (eiseres 3)
(gezamenlijk ook te noemen eisers)
(gemachtigde: mr. J.E. Dijk)
in de zaken ARN 23/1140 (over 144 bomen) en ARN 23/1141 (over 38 bomen) tussen
[eiseres 2] , uit [plaats 1] , (eiseres 2)
(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer)
en
(gemachtigde: L.M.J. Brouns).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).
1. Deze uitspraak gaat over drie beroepen tegen de twee verleende omgevingsvergunningen voor het kappen van 144 en nog eens 38 bomen aan de [locatie] in [plaats 1] . Het kappen van de bomen hangt samen met de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van 52 woningen aan de [locatie] waartegen ook een beroepsprocedure bij deze rechtbank loopt (ARN 23/7667) en waarin op dezelfde uitspraak wordt gedaan. Vergunninghouder kan de bomen pas kappen als het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ in werking is getreden. Vaststaat dat het bestemmingsplan sinds 28 juni 2023 in werking is getreden. Na aankondiging van het kappen van de bomen heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank eerst een ordemaatregel opgelegd en op 30 november 2023 de ordemaatregel weer opgeheven. Vervolgens heeft vergunninghouder de bomen in december 2023 gekapt. Partijen verschillen van mening over de opgelegde herplantplicht.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet heeft onderkend dat de stichting geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Wat betreft de inhoud concludeert de rechtbank dat de opgelegde herplantplicht voldoet en dat de omgevingsvergunningen voor het kappen van de bomen in stand kan blijven. Het college heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat zij bij de herplantplicht inzet op kwaliteit en niet op kwantiteit van bomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 7 februari 2022 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het kappen van 144 bomen. Bij besluit van 27 juni 2022 heeft het college een tweede omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het kappen van nog eens 35 bomen.
Bij afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 17 januari 2023 (de bestreden besluiten 1) heeft het college het primaire besluit voor het kappen van 144 bomen in stand gelaten met aanvulling van de motivering over de herplantplicht en met toevoeging van een aanvullend voorschrift dat pas gebruik gemaakt mag worden van de vergunning voor zover het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ in werking is.
Bij beslissing op bezwaar van eveneens 17 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het primaire besluit voor het kappen van 35 bomen herroepen voor zover vergunning is verleend voor 35 bomen in plaats van voor 38 bomen. Voor het overige heeft het college de vergunning in stand gelaten met aanvulling van dezelfde motivering over de herplantplicht en met toevoeging van hetzelfde aanvullende voorschrift als voor de kapvergunning van de 144 bomen.
Eisers en eiseres 2 hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1, en alleen eiseres 2 heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep tegen de omgevingsvergunning van het bouwproject voor 52 woningen (zaaknummer ARN 23/7667). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers samen met [eiseres 1] en [persoon A] , de gemachtigde van het college samen met [persoon B] en [persoon C] en de gemachtigde van de vergunninghouder samen met [persoon D] en [persoon E] .
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de twee omgevingsvergunningen voor het kappen van bomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers en eiseres 2. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt, zal zij eerst de vraag moeten beantwoorden of eisers en eiseres 2 belang hebben bij hun beroep.
Zijn eisers en eiseres 2 belanghebbenden?
4. De rechtbank beoordeelt de belanghebbendheid van eiseres 1, eiser 2, eiseres 3 en eiseres 2 afzonderlijk van de belanghebbendheid van de stichting.
Eiseres 1, eiser 2, eiseres 3 en eiseres 2
Eiseres 1, eiser 2 en eiseres 3 en eiseres 2 zijn belanghebbenden omdat voldoende vaststaat dat zij vanaf hun perceel enig zicht hadden op een deel van de – inmiddels gekapte – bomen.
De stichting
Ook van de stichting moet de rechtbank beoordelen of zij belanghebbende is bij het in deze zaak ter beoordeling voorliggende bestreden besluit. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepalend of de rechtspersoon volgens zijn statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.
De stichting heeft volgens haar statuten als doel het bevorderen van het behoud van flora, fauna en woongeluk in de buurt van [naam buurt] in [plaats 1] en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. De rechtbank oordeelt dat het procederen tegen de kapvergunningen binnen de statutaire doelstelling van de stichting past.
Naast deze algemene statutaire doelstelling van de stichting is relevant of de stichting met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het moet daarbij gaan om werkzaamheden die los staan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. Bij de feitelijke werkzaamheden kijkt de rechtbank naar de periode voorafgaand aan het indienen van het bezwaarschrift, in dit geval 2 maart 2022. Wat betreft de feitelijke werkzaamheden van de stichting sluit de rechtbank aan bij haar oordeel in de zaak over de omgevingsvergunning voor het realiseren van de woningen (ARN 23/7667) waarin op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan. De stichting heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat feitelijke werkzaamheden worden verricht ter verwezenlijking van haar statutaire doelstelling. Daarom is de stichting geen belanghebbende bij het besluit.
Conclusie
Omdat de stichting en eiseres 1, eiser 2 en eiseres 3 gezamenlijk dezelfde beroepsgronden hebben ingediend, komt de rechtbank wel toe aan de inhoud van het beroep, evenals aan de inhoud van het beroep van eiseres 2. Omdat de beroepsgronden inhoudelijk vrijwel overeenkomen, zullen alle resterende eisers hierna gezamenlijk ‘eisers’ worden genoemd.
Inhoudelijke beoordeling
5. De rechtbank stelt vast dat eisers de beroepsgrond over het kappen van de bomen hebben ingetrokken. Wel moet de rechtbank nog oordelen over de opgelegde herplantplicht.
Voldoet de herplantplicht van de omgevingsvergunningen?
6. Eisers betogen dat de opgelegde herplantplicht tekortschiet. Hun grootste zorg is dat het ecosysteem dat werd gevormd door al de gekapte bomen nooit terugkomt met een herplantplicht van 64 bomen van geringe grootte. De gekapte bomen vormden gezamenlijk een bosgebied met grote natuurwaarde voor flora en fauna. Ook droegen zij bij aan het tegengaan van wateroverlast bij hevige regenval en vermindering van uitstoot van broeikasgassen. Met de huidige klimaatveranderingen is het van belang om bomen in stand te houden en hun aantal niet terug te brengen. De herplantplicht herstelt de natuurwaarde onvoldoende omdat de hoeveelheid van de her te planten bomen in geen verhouding staat tot het aantal gekapte bomen. Bovendien staan de her te planten bomen aan de [locatie] te dicht bij de gevels en is er door de bestrating te weinig ruimte voor stamontwikkeling.
Voor zover in deze zaak van belang geldt dat een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen slechts kan en moet worden verleend als de vergunning noodzakelijk is voor de realisering van een bouw- of civieltechnisch werk. Dat staat in artikel 5, tweede lid, onder d, van de ‘Bomenverordening gemeente Renkum 2009, wijziging 2016’ (bomenverordening). Artikel 8, eerste lid, van de bomenverordening bepaalt vervolgens dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Een voorschrift kan zijn dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Het bevoegd gezag bepaalt de omvang van de herplantplicht.
De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte heeft bij de toepassing en de invulling van de herplantplicht. Dat betekent in dit geval dat het college de keuze heeft of hij een herplantplicht oplegt. Ook betekent het dat het college beslist hoe de herplantplicht er uit ziet. De bomenverordening verplicht niet dat er kwalitatief gelijkwaardige bomen als de te kappen bomen moeten worden herplant. Verder begrenst het inmiddels onherroepelijke bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ dat woningbouw mogelijk maakt op het perceel de mogelijkheden van herplant, omdat de voor bomen beschikbare ruimte is afgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid tot de herplantplicht van de omgevingsvergunningen heeft kunnen komen. Het college heeft voldoende toegelicht dat hij inzet op kwaliteit in plaats van op kwantiteit van bomen om de gekapte bomen in het plangebied te compenseren. Het aantal bomen in het plangebied neemt weliswaar af maar omdat de her te planten bomen verder uit elkaar komen te staan, krijgen zij de kans om breed uit te groeien. Het college heeft verder in redelijkheid het standpunt ingenomen dat de gekapte bomen onderling weliswaar een soort bosachtige clustering vormden, maar dat de ecologische waarde daarvan beperkt was, omdat veel bomen te dicht op elkaar stonden er zij daardoor onderontwikkelde boomkronen hadden. De inheemse her te planten bomen kunnen ieder individueel een brede kroonprojectie ontwikkelen wat bijdraagt aan de biodiversiteit. Dat bepaalde bomen geen reële mogelijkheid hebben uit te groeien omdat zij te dicht op de weg en bestrating komen, onderbouwen eisers niet nader. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college de aanvragen voldoende getoetst aan de natuurbeschermingsregelgeving?
7. Eiseres 2 betoogt dat bij beide omgevingsvergunningen een onvolledige natuurtoets is uitgevoerd. Zij wijst op de aanwezigheid van een kraamkolonie vleermuizen en achter haar woning heeft een uil zich gevestigd. De bomen dienden verder als route en foerageergebied van de vleermuizen. Volgens haar zijn de bomen gekapt in strijd met de regels uit de Wet natuurbescherming. Eiseres 2 voert verder aan dat het stikstofrapport/de voortoets van 12 november 2020 zoals uitgevoerd in de bestemmingsplanprocedure onvoldoende is. Ook maakt het advies van de commissie rechtsbescherming van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland in de handhavingszaak duidelijk dat het onderzoek naar beschermde diersoorten ondeugdelijk is en dat er vervolgonderzoek nodig is.
De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat hij de omgevingsvergunningen heeft moeten verlenen vanwege het beperkte toetsingskader. Artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen enkel kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de bomenverordening. In de bomenverordening is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen moet worden verleend als de vergunning noodzakelijk is voor de realisering van een bouw- of civieltechnisch werk (artikel 5 van de bomenverordening). Niet in geschil is dat het kappen van de bomen noodzakelijk is voor het realiseren van het bouwproject waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld en een omgevingsvergunning voor het realiseren van 52 woningen is verleend. Voor zover eiseres 2 verwijst naar de voortoets in de bestemmingsplanprocedure en het advies van de commissie rechtsbescherming van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland geldt dat die in deze procedure niet aan de orde kunnen worden gesteld, maar onderdeel zijn van aparte procedures. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Omdat het college de stichting ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt, verklaart de rechtbank het beroep in de zaak met nr. ARN 23/1110 gegrond voor zover het is ingesteld door de stichting en vernietigt zij het aan haar gerichte bestreden besluit 1, voor zover de stichting daarin als belanghebbende is aangemerkt. In dit geval kan de rechtbank finaal beslissen op het bezwaar van de stichting omdat er na vernietiging van het bestreden besluit 1 maar één uitkomst mogelijk is. De rechtbank verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover dat is ingediend door de stichting en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond voor zover het is ingesteld door eiseres 1, eiser 2 en eiseres 3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt de stichting de proceskosten vergoed. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Voor het verschijnen ter zitting wordt al een kostenveroordeling toegekend in de uitspraak in de zaak met nummer ARN 23/7667. De rechtbank bepaalt ook dat het college het door de stichting betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.
De beroepen van eiseres 2 (de zaken met de nummers ARN 23/1140 en ARN 23/1141) zijn ongegrond. Dat betekent dat de beslissingen op bezwaar en de omgevingsvergunningen ten aanzien van haar ongewijzigd in stand blijven. Eiseres 2 krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.