RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.006220.25
Datum uitspraak : 1 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
raadsvrouw: mr. J.A. Aaldijk, advocaat in 's-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
3. De bewezenverklaring
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Warnsveld, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals (met kracht) met de vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Warnsveld, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals (met kracht) met de vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat met het slaan of stompen de aanmerkelijke kans is ontstaan dat er zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Er kan enkel worden vastgesteld dat verdachte met een vuist heeft geslagen, maar verder zijn er te weinig omstandigheden bekend. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 28 december 2024 op de Bieshorstlaan in Warnsveld fietste. Hij zag [verdachte] uit de tegenovergestelde richting komen. [verdachte] kwam met zijn fiets tegen de zijkant van de fiets van aangever, waardoor hij ten val kwam. [verdachte] stapte ook af en liep naar aangever toe. Aangever voelde dat [verdachte] direct een paar rake vuistslagen op zijn hoofd gaf. Aangever lag toen nog op de grond. [verdachte] heeft zeker acht keer tegen zijn hoofd en oog geslagen. Hij voelde dat de klappen hard aankwamen en voelde zich weerloos op de grond liggen, waardoor hij ook niet weg kon lopen of enige andere weerstand kon bieden. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat op 7 januari 2025, aangever nog een wond onder zijn linker oog heeft en een hematoom rond het oog.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij van aangever hoorde dat hij wel vier keer was geslagen door [verdachte] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever een paar vuistslagen heeft gegeven. Hij is fors en slaat misschien wat harder dan een ander.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever met kracht meerdere vuistslagen in het gezicht heeft gegeven terwijl aangever op dat moment op de grond lag. Dat dit met kracht heeft plaatsgevonden baseert de rechtbank op de eigen verklaring van verdachte dat hij harder slaat dan een gemiddeld persoon. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Het hoofd is een lichaamsdeel met vitale organen. Door meermalen met kracht met een vuist op het gezicht te slaan terwijl het slachtoffer op de grond ligt bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het optreden van dit gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank acht hiermee het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Warnsveld, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals (met kracht) met de vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel of een straf gelijk aan het voorarrest. Verdachte verbleef ten tijde van het incident bij [kliniek] in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden, maar door dit incident kan hij hier niet terugkomen. Er is tot op heden geen andere kliniek gevonden waar hij kan worden opgenomen. Daardoor zit hij nu in het huis van bewaring zonder enige vorm van behandeling.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een andere bewoner van [kliniek] meerdere malen in het gezicht te slaan. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel aan zijn oog opgelopen, waardoor hij wazig ziet. Het is nog niet duidelijk of dit zal herstellen.
Uit de justitiële documentatie van 13 maart 2025 blijkt onder andere dat verdachte op 25 juli 2023 is veroordeeld voor een poging tot doodslag. Hij heeft hiervoor een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd gekregen en de tbs-maatregel met voorwaarden. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tegen deze straf heeft verdachte hoger beroep ingesteld.
In het reclasseringsadvies van 2 april 2025 staat beschreven dat bovengenoemde zaak op 20 februari 2025 door het gerechtshof is behandeld. Daar is bepaald dat er door de eerdere rapporteurs een actualisatie van de Pieter Baan Centrum-rapportage uitgevoerd moet worden. Ondertussen heeft de DIZ (Divisie Individuele Zaken) alle passende en minder passende plaatsingsmogelijkheden onderzocht op basis van de door het IFZ (Indicatiesteling Forensische Zorg) gedane indicatiestelling. Er is geen kliniek bereid gevonden een behandeling vorm te geven binnen het huidige strafrechtelijk kader. DIZ ziet geen mogelijkheden meer om, gezien de complexe problematiek, de casus elders voor te leggen. De reclassering kan in de onderhavige zaak geen advies uitbrengen, omdat de uitkomsten van de actualisatie voor de reclassering indicatief zijn om een advies af te geven.
Alles afwegende acht de rechtbank de straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden en zal de rechtbank dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, opleggen. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf. De advocaat van het slachtoffer heeft verzocht om een contactverbod op te leggen. De rechtbank ziet daar, mede gelet op het bevel gevangenneming in de zaak waar de tbs-maatregel met voorwaarden is opgelegd, geen aanleiding toe.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 898,12 aan materiële schade en € 20.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade dient gematigd te worden tot een bedrag van € 1.000,-, omdat op dit moment nog niet duidelijk is of sprake is van blijvende schade aan het oog. De officier van justitie verzoekt daarbij om de wettelijke rente toe te kennen en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging refereert zich ten aanzien van de gevorderde kosten van het eigen risico, de jas en de fiets aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de kosten voor de keuringen door de psychiater en neuroloog en de kosten voor het aanvragen van het rijbewijs is er onvoldoende rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en het strafbare feit. De verdediging verzoekt om dit deel van de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren. De verdediging verzoekt de rechtbank om de gevorderde immateriële schade flink te matigen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat de schadeposten die zien op het eigen risico, de fiets en de jas voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen. De rechtbank zal dit deel van de vordering (tot een bedrag van € 327,22) dan ook toewijzen.
De schadeposten die zien op de keuringen bij de psychiater, de keuring bij de neuroloog en het aanvragen van het rijbewijs zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken blijkt immers niet dat de benadeelde partij gedurende de volledige geldigheidsduur van het rijbewijs geen auto meer kan rijden en dat de kosten dus tevergeefs zijn gemaakt.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de tweede categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de poging zware mishandeling heeft de benadeelde immers letsel aan zijn oog opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Bij het bepalen van de hoogte heeft de rechtbank eveneens rekening gehouden met dat uit de stukken niet blijkt dat sprake is van een medische eindsituatie wat betreft zijn gezichtsvermogen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtwintig (120) dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;
Benadeelde partij [slachtoffer]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;