De procedure
De meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken van deze rechtbank heeft bij vonnis van 7 juni 2022 betrokkene veroordeeld voor een poging tot doodslag. De rechtbank heeft onder andere aan betrokkene opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) voor de duur van drie jaren. De beslissing van de rechtbank tot oplegging van de PIJ-maatregel is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd in het arrest van 11 april 2023.
De termijn van de maatregel is ingegaan op 26 april 2023.
De officier van justitie heeft op 27 februari 2025 de vordering ingediend tot verlenging van de PIJ-maatregel met achttien maanden.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de processtukken, waaronder:
- het advies van RJJI [verblijfplaats] van 20 februari 2025;
- een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van betrokkene.
Tijdens de zitting van 29 april 2025 zijn gehoord:
- betrokkene;
- zijn raadsman;
- de deskundige mw. F. van Doorn;
- de officier van justitie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en heeft deze gehandhaafd.
Het standpunt van betrokkene
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Betrokkene heeft verklaard dat hij begrijpt waarom de deskundige achttien maanden verlenging nodig vindt en dat hij zich wil blijven inzetten om aan zichzelf te werken.
Het advies van de deskundigen
Uit het adviesrapport van RJJI [verblijfplaats] volgt dat het risico op recidive op basis van de systematiek van de SAVRY en SAPROF als matig-hoog wordt gezien. De kernproblematiek van betrokkene bestaat uit een complexe voorgeschiedenis en cognitief functioneren op een zwakbegaafd/moeilijk lerend niveau. Er is sprake van een algehele onderontwikkeling in de zin van een neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Vanwege deze problematiek vindt betrokkene het lastig om op de aangeboden hulpverlening te vertrouwen. Hierin is inmiddels wel een voorzichtige omslag gekomen. [betrokkene] is overwegend goed begeleidbaar en heeft een prettige werkrelatie met zijn behandelaars. Sinds eind 2024 zijn er geen positieve UC’s meer binnengekomen met als effect dat een actievere en enthousiastere jongen wordt gezien.
De aanwezige risicofactoren zijn echter de afgelopen periode nog onvoldoende verminderd. De ontwikkeling van betrokkene is voorzichtig van start gegaan en moet nog verder uitgebreid worden. De komende periode zal de focus liggen op dit proces en het verstevigen en versterken van de geleerde vaardigheden zodat het risico op recidive verminderd wordt. Daarna zal er toegewerkt kunnen worden naar een STP-traject. Betrokkene is pas gestart met de eerste begeleide verlofstappen. Een verlenging van de PIJ-maatregel met achttien maanden is daarom volgens de deskundigen noodzakelijk.
De toelichting van de deskundige op zitting
De deskundige heeft op zitting verklaard dat betrokkene de in de rapportage beschreven prille positieve ontwikkelingen heeft doorgezet.
Hij gaat inmiddels tweemaal per week op begeleid verlof en loopt drie dagen per week mee met een schilder. Hij laat positieve groei zien en heeft (daardoor) een toekomstperspectief. Hij wil met een BBL-opleiding starten komende zomer en werkt goed mee met de hulpverlening. Er is sprake van een goede behandelrelatie. De onbegeleide verlofstatus zal op korte termijn worden aangevraagd. Als deze status wordt toegekend, wil de deskundige betrokkene minimaal zes maanden de kans geven om te laten zien dat onbegeleid eendaags verlof ook goed verloopt. Na die zes maanden kan het onbegeleid verlof worden uitgebreid naar een meerdaags onbegeleid verlof. Als dat ook zes maanden goed gaat, kan het STP-traject van zes maanden starten. In de tussentijd zal de deskundige gaan uitzoeken of betrokkene bij zijn moeder kan gaan wonen of dat een andere plek zoals begeleid wonen passender is. De deskundige vindt gelet op de termijnen van de verlofstappen een verlenging van achttien maanden nodig.
De beoordeling door de rechtbank
Voor een verlenging van de PIJ-maatregel is vereist dat:
Op basis van het verlengingsadvies en de toelichting van de deskundige ter zitting is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten is voldaan en dat verlenging van de PIJ-maatregel is geïndiceerd.
Betrokkene heeft zich de afgelopen periode heel positief ontwikkeld. Het is nu van belang dat betrokkene deze positieve ontwikkeling door gaat zetten. Als alle begeleiding en hulpverlening die betrokkene krijgt nu weg valt, is er nog een hoog risico op recidive. Het is daarom belangrijk dat alle ingezette hulpverlening zoals therapie de komende periode door kan gaan en dat betrokkene de geleerde vaardigheden kan bestendigen. Zeker nu betrokkene door het (onbegeleid) verlof meer vrijheden gaat krijgen en ook in situaties terecht zal komen waarin de hulpverlening hem niet direct kan ondersteunen. De rechtbank vindt het belangrijk dat betrokkene de komende periode de tijd krijgt om zich verder te ontwikkelen. Gelet op de termijnen voor (onbegeleid) verlof en STP die door de deskundigen zijn genoemd, vindt de rechtbank een verlenging voor de duur van achttien maanden nodig. Een kortere verlenging zal alleen maar druk op betrokkene en de instelling leggen. Dit is niet in het belang van betrokkene. Bovendien kunnen de behandelaren van betrokkene zelf actie ondernemen als betrokkene toch sneller met de volgende stap in zijn behandeling kan beginnen.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de PIJ-maatregel conform het advies moet worden verlengd met een termijn van achttien maanden.
Op grond van artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet de rechtbank in de beslissing tot verlenging van de maatregel aangeven wanneer de maatregel (na verlenging) onvoorwaardelijk eindigt. De maatregel begon op 26 april 2023 en eindigt zonder verdere verlenging voorwaardelijk op 25 april 2025. De rechtbank verlengt de maatregel nu met achttien maanden. Als de maatregel daarna niet opnieuw wordt verlengd en zich geen situaties voordoen waardoor de termijn van de maatregel tijdelijk wordt stopgezet (bijvoorbeeld weglopen), eindigt de maatregel voorwaardelijk op 17 oktober 2026 en onvoorwaardelijk op 17 oktober 2027. De rechtbank merkt op dat zij bij de berekening van deze data heeft aangesloten bij artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht, waaruit volgt dat onder een maand wordt verstaan 30 dagen en dat zij zich bij die berekening heeft gebaseerd op de stukken die zich nu in het dossier bevinden.
De rechtbank neemt bij haar beslissing de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
De beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [betrokkene], voornoemd, voor een periode van achttien maanden.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.W. Stoet, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A.A.M. Bögemann en mr. M.G.J. Post, als kinderrechters in tegenwoordigheid van mr. E. Duis – van Grol, griffier, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2025.
Mr. M.W. Stoet en mr. E. Duis – van Grol zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.