RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11883616 \ CV EXPL 25-2618
Vonnis van 12 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MB Parts Velddriel B.V.
gevestigd te Velddriel
eisende partij
hierna te noemen: MB Parts
gemachtigde: mr. E.F.M. Baert (JARI Rechtspraktijk B.V.)
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
vertegenwoordigd door [naam]
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 8;- de conclusie van antwoord met 4 ongenummerde producties;- de conclusie van repliek met producties 9 en 10;- de conclusie van dupliek met zes ongenummerde producties.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.
2. De feiten
MB Parts heeft in opdracht van [gedaagde] verschillende auto-onderdelen geleverd.
MB Parts heeft de volgende facturen aan [gedaagde] gezonden:
Factuurdatum
Factuurnummer
Bedrag
7-9-2024
2024410468
€
733,73
24-9-2024
2024411072
€
346,56
25-11-2024
2024413634
€
69,58
Totaal
€
1.149,87
[gedaagde] heeft de facturen niet binnen de betalingstermijn van 30 dagen betaald.
De gemachtigde van MB Parts heeft [gedaagde] bij brieven van 23 mei en 2 juni 2025 gesommeerd om de facturen, de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten binnen 5 dagen te betalen.
Op 1 september 2025 is de inleidende dagvaarding aan [gedaagde] betekend, waarin [gedaagde] is opgeroepen te verschijnen voor de eerste rolzitting op 19 september 2025.
Op 18 september 2025 heeft [gedaagde] € 1.149,87 (het totaal van de facturen) aan MB Parts betaald.
3. Het geschil
MB Parts vordert, na vermindering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de onderhavige facturen (opgesomd onder r.o. 2.2.) vanaf de respectievelijke betaaldata tot 18 september 2025, de buitengerechtelijke kosten van € 172,48, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
MB Parts legt aan de vordering het volgende ten grondslag. MB Parts heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] verschillende auto-onderdelen geleverd. Op grond daarvan heeft MB Parts drie facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 1.149,87. [gedaagde] heeft ondanks sommatie de factuurbedragen niet tijdig voldaan, als gevolg waarvan zij de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Door de wanbetaling van [gedaagde] zag MB Parts zich uiteindelijk genoodzaakt een gerechtelijke procedure te starten, als gevolg waarvan [gedaagde] ook de proceskosten verschuldigd is.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van MB Parts.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de factuurbedragen op 18 september 2025 volledig heeft betaald.
MB Parts vordert de wettelijke handelsrente over de factuurbedragen vanaf de vervaldatum van de facturen. Omdat [gedaagde] de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente niet heeft betwist en hij deze op grond van artikel 6:119a BW verschuldigd is, wordt dit deel van de vordering toegewezen.
MB Parts vordert € 172,48 aan buitenrechtelijke kosten. [gedaagde] betwist deze kosten verschuldigd te zijn en voert daarvoor aan dat (de gemachtigde van) MB Parts niet adequaat op zijn berichten en verzoeken heeft gereageerd. Dit verweer kan niet slagen.
Omdat sprake is van een handelsovereenkomst is, is [gedaagde] op grond van artikel 6:96 lid 4 Burgerlijk Wetboek al buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd vanaf het moment dat de betaaltermijn op de facturen is verstreken. Het versturen van een aanmaning is hiervoor geen vereiste. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de facturen niet binnen de betalingstermijn heeft betaald, als gevolg waarvan zij dus buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Daar komt bij dat MB Parts kosten heeft moeten maken om haar betaling te ontvangen. Ook is het van belang dat MB Parts dan wel haar gemachtigde [gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de hoofdsom te betalen. De gevorderde vergoeding van € 172,48 is conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en is op grond van het voorgaande toewijsbaar.
[gedaagde] betwist dat hij de proceskosten verschuldigd is omdat hij een dag voor de eerste rolzitting de hoofdsom heeft betaald, als gevolg waarvan MB Parts de zaak had kunnen intrekken. Aangezien MB Parts desondanks ervoor heeft gekozen de zaak door te zetten, dienen de proceskosten voor haar rekening te komen, aldus [gedaagde] . Hoewel het juist is dat [gedaagde] de hoofdsom voor de eerste rolzitting heeft betaald, was hij op dat moment ook de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] die bedragen ook heeft betaald. MB Parts heeft daarom met recht kunnen beslissen de procedure voort te zetten. Aangezien [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld moet hij de proceskosten dragen.
De proceskosten van MB Parts worden begroot op:
- dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
204,00
(2 punt × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
794,04
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan MB Parts te betalen de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over het bedrag van € 1.149,87 vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling, te weten 18 september 2025;
veroordeelt [gedaagde] om aan MB Parts te betalen een bedrag van € 172,48 aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 794,04 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als MB Parts niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
40140 \ 560