[eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem
(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Volkshuisvesting Arnhem uit Arnhem (vergunninghoudster).
Inleiding
1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het verkameren van de woning aan het [locatie] in [plaats] (hierna: de huisvestingslocatie) ten behoeve van de huisvesting van drie jonge statushouders.
Bij besluit van 4 december 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
Verzoekers wonen in het pand naast de huisvestingslocatie. Verzoekers zijn het niet eens met het plan om statushouders naast hun woning te huisvesten en vrezen met name voor overlast. Ze hebben daarom bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning hangende bezwaar bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Kramer (in plaats van mr. T.E.P.A. Lam), [persoon A] en [persoon B]. Namens vergunninghoudster hebben [persoon C] en [persoon D] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?
3. Verzoekers hebben in bezwaar aangevoerd dat zij beter betrokken hadden willen worden bij het plan om statushouders te huisvesten in de naburige woning. Ook hebben zij erop gewezen dat er geen draagvlak is in de buurt. Verzoekers hebben in dat kader handtekeningen overgelegd van verschillende omwonenden die ook tegen het plan zijn.
In de Omgevingswet staat dat de gemeenteraad – kort gezegd – kan bepalen dat vergunninghoudster verplicht aan participatie moet doen. De gemeenteraad van [plaats] heeft participatie verplicht gesteld.
Als participatie verplicht is, dan hangt het vervolgens van het project en de impact op de omgeving af wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. In dit geval zijn beide buren aangeschreven voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. In de aanschrijvingsbrief staat ook aangegeven dat de omwonenden met vragen bij vergunninghoudster terecht kunnen. De voorzieningenrechter vindt dat voor dit project voldoende. Verzoekers hebben nog aangevoerd dat de participatie verder had moeten gaan en dat het plan alleen door zou mogen gaan als er ook draagvlak voor is in de buurt. Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Het doel van participatie is om burgers in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de besluitvorming, maar participatie gaat niet zó ver dat de inbreng van omwonenden vervolgens ook van beslissende betekenis is. De wet verplicht daar ook niet toe.
De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.
Past het project in de buurt?
4. Verzoekers hebben op zitting toegelicht dat zij menen dat het project niet past in de buurt. Zij vrezen voor problemen, omdat er in de omgeving geen voorzieningen zijn voor jongeren. Verzoekers zijn daarom bang voor overlast.
De voorzieningenrechter deelt deze vrees niet. Het college heeft namelijk toegelicht dat het beleid waaraan de vergunning is getoetst juist is bedoeld om huisvesting van statushouder ook in rustige wijken mogelijk te maken. Daar komt bij dat niet de hele straat van verzoekers is aangewezen, maar dat de vergunning alleen betrekking heeft op één woning. Ook weegt mee dat de bewoners van de huisvestingslocatie gescreend worden en leren hoe ze op zichzelf moeten wonen. Vergunninghoudster houdt verder een oogje in het zeil (zoals elke verhuurder doet) en neemt daarnaast in dit geval ook extra maatregelen, zoals het aanstellen van een begeleider die wekelijks contact heeft met de jongeren en de buurt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het project tot onaanvaardbare overlast zal leiden.
De bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
5. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: