RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/455348 / HA ZA 25-325
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T. Kroes te Utrecht,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd te [adres] , Duitsland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
[eiser] is woonachtig in Nederland en [gedaagde] is gevestigd in Duitsland. Het geschil is een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). Artikel 17 en 18 lid 1 Brussel I-bis bepalen dat bevoegd is het gerecht van de plaats waar de consument (in dit geval [eiser] ) woonplaats heeft, indien die consument een rechtsvordering instelt tegen de wederpartij bij een overeenkomst en die wederpartij commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woont. [eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft [eiser] een rechtsvordering jegens [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] ontplooit commerciële of beroepsactiviteiten in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd. Deze rechtbank is ingevolge het bepaalde in het Wetboek van rechtsvordering absoluut en relatief bevoegd.
Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 (hierna: de verordening). Op grond van het bepaalde artikel 6 lid 1 van de verordening is Nederlands recht van toepassing.
Verdere beoordeling
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
[eiser] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf datum verzuim. [eiser] voert aan dat [gedaagde] op 8 oktober 2024 in verzuim is komen te verkeren. Aangezien de rechtbank een vordering tot vervangende schadevergoeding toewijst, is [gedaagde] op het moment van het ontstaan van deze verbintenis tot vervangende schadevergoeding in verzuim komen te verkeren en vanaf dat moment wettelijke rente verschuldigd (artikel 6:83 sub b BW). De verbintenis is ontstaan op het moment van omzetting. Daarom wijst de rechtbank wettelijke rente over de hoofdsom toe vanaf de datum van de omzettingsverklaring, namelijk 28 januari 2025. De wettelijke rente over de kosten van de deskundige is toewijsbaar per 24 december 2024 (datum waarop de kosten bij [eiser] in rekening zijn gebracht).
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Daarom zal een bedrag van € 1.107,56 worden toegewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.483,45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 33.444,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.228,15 aan gemaakte kosten voor een deskundige, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.107,56 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.483,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2025.