RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeenteraad van de gemeente Buren(gemachtigde: N. van Staaden)
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1417
in de zaak tussen
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
(gemachtigde: M.N. van Prooijen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een woning. [eiseres] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht geweigerd heeft. Het beroep is ongegrond en [eiseres] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende onderwerpen: de verklaring van geen bedenkingen, het overgangsrecht, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. [eiseres] heeft op 16 december 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor handelen in strijd met het bestemmingsplan. Met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure heeft het college met het besluit van 11 februari 2025 deze aanvraag afgewezen.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarop heeft het college nog een aanvulling gedateerd 3 juni 2025 ingediend, die bij de rechtbank op 5 juni 2025 is binnengekomen.
[eiseres] heeft op 12 november 2025 gereageerd op het (aanvullende) verweer van het college. Hierbij heeft zij ook een kopie van een brief gericht aan de heer P. Neven, werkzaam bij de gemeente, meegestuurd waarin zij hem oproept om als getuige deskundige naar de zitting te komen om onder ede te worden gehoord.
In reactie hierop heeft het college [eiseres] gemotiveerd laten weten dat aan deze oproeping geen gevolg zal worden gegeven. De rechtbank heeft een kopie van deze brief van 14 november ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [gemachtigde] namens [eiseres], de gemachtigde van het college en de gemachtigde van gemeenteraad.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is in 2021 (mede)eigenaar geworden van twee percelen in [plaats 2], kadastraal bekend als [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2]. Op perceel [perceelnummer 1] staan een woning met als huisadres [locatie 1] en diverse bijgebouwen. Eén van die bijgebouwen wordt gebruikt als woning en heeft het adres [locatie 2]. Eiseres wil een woning bouwen op perceel [perceelnummer 2]. Om dat te kunnen realiseren wil eiseres de ‘tweede woning’ op perceel [perceelnummer 1] (of het daarbij horende woonrecht) verplaatsen of overhevelen naar perceel [perceelnummer 2]. Zie hierna een uitsnede van de plankaart.
In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Buren 2008’ geldt voor beide percelen de bestemming ‘Agrarisch-oeverwalgebied’. Op gronden met deze bestemming is grondgebonden agrarische productie het toegestane gebruik. Gelet op de aanduiding daarvoor op de plankaart mag op perceel [perceelnummer 1] worden gewoond; daar is één woning toegestaan. Dat geldt niet voor perceel [perceelnummer 2] omdat daarvoor een nadere aanduiding ontbreekt. Op perceel [perceelnummer 2] is ook de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorisch waardevol gebied” van kracht.
Eiseres is naar aanleiding van een principeverzoek meerdere maanden met het college in overleg geweest over de (on)mogelijkheden van het verzoek. Op 3 november 2022 heeft het college een negatief principebesluit genomen. Omdat eiseres het hier niet mee eens is, maar niet tegen een principebesluit kan opkomen, heeft zij op 16 december 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het ‘in gebruik nemen van gronden in strijd met een bestemmingsplan’. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het realiseren van een woning op perceel [perceelnummer 2] niet is toegestaan, omdat de betreffende gronden niet bestemd zijn voor woningbouw of voor woonfuncties. Bovendien is er op het perceel geen bouwperceel aanwezig. De gemeenteraad van de gemeente Buren heeft een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven voor het niet verlenen van een omgevingsvergunning voor de nieuwe woning. Hoewel de formulering ongebruikelijk is, is voor partijen duidelijk dat de gemeenteraad bezwaren heeft tegen een woning op perceel [perceelnummer 2] en om die reden geweigerd heeft om een vvgb als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) te verlenen. Vanwege (onder meer) deze weigering heeft het college geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Eiseres is het niet eens met de weigering om haar een omgevingsvergunning te verlenen.
Opmerking vooraf
4. Tijdens de zitting is met alle betrokkenen besproken en niet betwist dat door eiseres alleen een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’. Om die reden is bij de vergunningaanvraag ook geen concreet bouwplan ingediend. Desondanks heeft het college op basis van de aanvraag van eiseres ook een vergunning voor de activiteit ‘bouwen’ geweigerd. Op de zitting heeft het college erkend dat het zich daar ten onrechte over heeft uitgelaten. De rechtbank zal, nu eiseres zich hiertoe ook heeft beperkt, de beoordeling van deze zaak daarom beperken tot de weigering van de vergunning voor het afwijkend gebruik van het bestemmingsplan.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, namelijk op 16 december 2023, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing.
Toetsingskader
6. Gelet op artikel 2.20a van de Wabo moet het college een omgevingsvergunning voor een activiteit weigeren, als de gemeenteraad weigert een voor die activiteit benodigde vvgb af te geven. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan een vvgb alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad over de vvgb wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning. De gemeenteraad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een vvgb te geven, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiseres neerkomt op een toevoeging van een vrijstaande woning op een agrarisch perceel, waar geen bouwvlak is opgenomen. Zowel het college als de gemeenteraad achten het een ongewenste ontwikkeling om bebouwing toe te staan in het onbebouwde agrarisch gebied. Bovendien is in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen aandacht besteed aan de externe veiligheid, archeologisch beleid, de cultuurhistorische waarden, het agrarische bouwvlak en milieuzonering en ontbreken een flora-en fauna quickscan en een stikstofonderzoek. In verband hiermede komen zowel het college als de gemeenteraad tot de conclusie dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Gebruiksovergangsrecht
8. Eiseres betoogt dat het college heeft miskend dat het strijdige gebruik van het bijgebouw [locatie 2] als woning, dat al sinds 1968 aaneengesloten gebeurt, onder het overgangsrecht valt van artikel 65 van het bestemmingsplan. Daardoor is er juridisch gezien sprake van een rechtsgeldige (tweede) woning en had het college de gemeenteraad kunnen voorstellen om de vvgb af te geven.
Het college en de gemeenteraad betwisten het ontstaan van het overgangsrecht voor het gebruik van het bijgebouw [locatie 2] als woning en de voortdurende onafgebroken bewoning ervan. Bovendien kan verplaatsing van een vermeend overgangsrecht de toets van een goede ruimtelijke ordening niet doorstaan. Er is immers sprake van de nieuwbouw op een nu onbebouwd agrarisch perceel, hetgeen niet gewenst is.
Op grond van artikel 65 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Buren’ mag een bestaand gebouw dat afwijkt van het in het bestemmingsplan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het bouwwerk tot gevolge heeft. Deze bestaande afwijkingen mogen ook naar aard niet worden vergroot. Daarnaast mag het bestaande gebruik van gronden, anders dan voor bebouwing, en het bestaande gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het plan, worden voortgezet, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Hieruit volgt dat voortzetting van het gebruik alleen betrekking kan hebben op gebruik van opstallen die reeds bestonden op de peildatum. Een andere opvatting zou tot effect hebben dat nieuwe bebouwing zou kunnen worden opgericht mede ten behoeve van met de bestemming strijdig gebruik dat wordt gedekt door het overgangsrecht. Dit is echter in strijd met doel en strekking van het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik.
Nog daargelaten of het gebruik van bijgebouw [locatie 2] als woning op perceel [perceelnummer 1] op grond van het gebruiksovergangsrecht is toegestaan, behelst het gebruiksovergangsrecht niet de mogelijkheid om dit te verplaatsen naar een ander perceel. Hiermee miskent eiseres doel en strekking van het overgangsrecht dat tot doel heeft een situatie te beëindigen. Wat eiseres beoogt is dat een geheel nieuwe situatie zou ontstaan waarbij op perceel [perceelnummer 2], waar geen opstallen aanwezig zijn, nieuwe bebouwing opgericht zou kunnen worden ten behoeve van met de bestemming strijdig gebruik. Bovendien kan er niet aan voorbij worden gegaan dat eiseres weliswaar eigenaar is van perceel [perceelnummer 2], maar sinds 15 juli 2021 niet meer van perceel [perceelnummer 1], waarop bijgebouw [locatie 2] is gesitueerd. Dit perceel is aan derden verkocht waarbij eiseres naar eigen zeggen heeft bedongen dat het bijgebouw [locatie 2] op haar verzoek zal worden gesloopt indien zij haar plannen op perceel [perceelnummer 2] kan realiseren. Niet valt in te zien hoe eiseres zich kan beroepen op een gebruiksovergangsrecht met betrekking tot een gebouw op een perceel dat niet langer in haar eigendom is.
Het betoog van eiseres slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
9. Eiseres betoogt dat het college inbreuk op het vertrouwensbeginsel heeft gemaakt door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren en de gemeenteraad voor te stellen om de benodigde vvgb te weigeren. Volgens haar had het college het door hem gewekte vertrouwen dat de aangevraagde vergunning verleend zou worden, via toezeggingen en bevestigingen daarvan door wethouders, moeten honoreren.
Om te beoordelen of een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, moet de rechtbank in beginsel drie stappen doorlopen.
Is er sprake van een toezegging?
Kan de toezegging worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan?
Als de eerste twee stappen bevestigend worden beantwoord dan betekent dit dat er gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt.
3. Zijn er zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen honorering van het opgewekte vertrouwen.
Met betrekking tot de eerste stap heeft het college in het verweerschrift uiteengezet dat uit de door eiseres overgelegde stukken geen concreet bewijs is overgelegd dat er ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eiseres in de verkennende fase een positieve grondhouding bij de wethouder heeft bespeurd, niet betekent dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat een vergunning zou worden verleend. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgegaan dat uitspraken van wethouders niet bindend zijn voor de gemeenteraad bij het al dan niet afgeven van een vvgb (stap 2). Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de (democratisch gekozen) gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad alleen binden als hij daarmee instemt. Het staat de gemeenteraad vrij om over het toestaan van de functie ‘wonen’ op perceel [perceelnummer 2] een eigen ruimtelijke afweging te maken en de vvgb te weigeren. De gemeenteraad heeft hierin een eigen bevoegdheid en is niet gebonden aan eventuele toezeggingen van (leden van) het college.
Op grond van artikel 2.20a van de Wabo is het college vervolgens verplicht om de gevraagde omgevingsvergunning, bij het ontbreken van een vvgb van de raad, te weigeren. Het college heeft niet de bevoegdheid om desondanks de omgevingsvergunning toch te verlenen vanwege eventuele toezeggingen om medewerking te verlenen aan de realisatie van een woonrecht op perceel [perceelnummer 2].
Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Gelijkheidsbeginsel
10. Eiseres betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren en de gemeenteraad voor te stellen om de benodigde vvgb te weigeren. Daartoe voert eiseres aan dat het college eerder wel medewerking heeft verleend aan het bestemmen van een bijgebouw tot tweede woning op een perceel en wijst daarbij op de situatie aan de [locatie 3]/[locatie 4] in [plaats 3].
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de twee situaties aan de [locatie 1]/[locatie 2] en de [locatie 3]/[locatie 4], waar eiseres naar heeft verwezen, anders kunnen beoordelen. In het geval van de [locatie 3]/[locatie 4] is het strijdige gebruik van een bijgebouw als woning, met toepassing van het overgangsrecht gelegaliseerd, omdat aard en omvang van de strijdigheid hiermee niet werden vergroot. Dat is een andere situatie dan die van de [locatie 1]/[locatie 2]. Daar is het namelijk de bedoeling van eiseres om het bijgebouw [locatie 2] te slopen en op het naastliggende perceel, met een agrarische bestemming, een woning te bouwen. In alinea’s 7.2 tot en met 7.4 heeft de rechtbank al overwogen dat van “verplaatsing” van het overgangsrecht in deze situatie niet van toepassing kan zijn. Om die reden heeft het college terecht geoordeeld dat van gelijke gevallen geen sprake is zodat aan de situatie aan de [locatie 3]/[locatie 4] geen precedentwerking kan worden ontleend. Bovendien kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel nooit leiden tot een besluit dat in strijd is met de wet. Het college was dus niet gehouden om de gemeenteraad te adviseren om de vvgb op grond van het gelijkheidsbeginsel af te geven.
Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Overige beroepsgronden
11. In hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing te kort schiet op de punten van externe veiligheid (aanwezigheid hoofdgasleiding op het perceel), archeologisch beleid, de cultuurhistorische waarden, het agrarische bouwvlak en milieuzonering (gebruik gewasbeschermingsmiddelen en in acht te nemen afstand tot gevoelige functies zoals wonen), omdat deze punten niet of niet voldoende zijn onderbouwd. Bovendien ontbreken een flora-en fauna quickscan en een stikstofonderzoek zodat het college niet kan beoordelen of sprake is van een zogenaamde aanhaakverplichting.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht niet heeft verleend. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […].
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft […].
Besluit omgevingsrecht
Artikel 6.5
[…].
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Buren 2008’
Artikel 9 AGRARISCH – OEVERWALGEBIED
BESTEMMINGSOMSCHRIJVING
2. De op de plankaart voor "Agrarisch- Oeverwalgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
grondgebonden agrarische productie;
het weiden van dieren;
bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag;
instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied;
watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
extensief dagrecreatief medegebruik.
(…)
Artikel 60 ALGEMENE GEBRUIKSBEPALINGEN
3. Het is verboden, behoudens het bepaalde in artikel 65 (Overgangsbepalingen), de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouw werken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de in dit plan aan de gronden gegeven bestemming.
4. Onder strijdig gebruik volgens het bepaalde in lid 1wordt in ieder geval verstaan:
Artikel 65 OVERGANGSBEPALINGEN
BOUWEN
(…)
GEBRUIK
3. Het bestaande gebruik van gronden, anders dan voor bebouwing, en het bestaande gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het plan - behoudens het in dit artikellid bepaalde - mag worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan naar aard en om vang niet wordt vergroot.
4. Het bepaalde in lid 3 is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het bestemmingsplan dat ter plaatse geldend was tot op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van het eerstgenoemde plan.