RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst
Samenvatting
Achtergrond en omvang van het geding
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2567
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. J. de Vet),
en
(gemachtigde: mr. F.H. van Sintmaartensdijk).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [plaats] (de derde-partij)
(gemachtigde: mr. M.A. Patandin).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 15 maart 2024 waarbij het college heeft besloten niet handhavend op te treden de aanwezigheid van een stapel boomstammen. Eisers zijn het daar niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hierna wordt eerst de achtergrond van de zaak geschetst, gevolgd door het procesverloop. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
2. Deze zaak maakt onderdeel uit van een langlopend geschil waarbij partijen en andere omwonenden zijn betrokken. Dat geschil gaat met name over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de erfinrichtings- en landschapsmaatregelen die waren voorzien bij de ontwikkeling van de percelen aan de [locatie] nrs. [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] in [plaats]. Eisers wonen aan de [locatie] [nummer 2], de derde-partij woont aan de [locatie] [nummer 1]. Met betrekking tot het geschil zijn al verschillende besluiten genomen en zijn al meerdere gerechtelijke procedures doorlopen.
Hoewel er dus meerdere zaken hebben gespeeld en nog steeds spelen, gaat deze zaak uitsluitend over het besluit van 15 maart 2024. Nadat het college eerder had besloten om handhavend op te treden is het daar in het besluit van 15 maart 2024 op teruggekomen. De beslissing van 15 maart 2024 gaat ook over de aanwezigheid van een houthok op het perceel van de derde-partij. Eisers hebben tijdens de zitting toegelicht dat het beroep alleen nog ziet op de boomstammen. Deze uitspraak gaat daarom alleen over de boomstammen en dus niet over het houthok.
Aangezien de omvang van het beroep beperkt is tot de boomstammen, kan de rechtbank zich in deze uitspraak niet uitlaten over de andere zaken die partijen verdeeld houden en biedt deze uitspraak daarom geen oplossing van het bredere geschil tussen partijen. Zoals ook tijdens de zitting met partijen is besproken, is het aan partijen zelf om hier gezamenlijk stappen in te zetten.
Procesverloop
3. Bij brief van 17 november 2022 hebben de bewoners van [locatie] [nummer 3] in [plaats] het college verzocht handhavend op te treden tegen de op het perceel van eisers opgeslagen stapel boomstammen.
Bij besluit van 27 januari 2023 heeft het college besloten om het verzoek om handhavend op te treden tegen de stapel boomstammen af te wijzen.
Eisers en de bewoners van [locatie] [nummer 3] hebben bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 6 juni 2023 gegrond verklaard.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat de op het perceel opgeslagen boomstammen uiterlijk 6 juli 2023 dienen te zijn verwijderd en verwijderd dienen te worden gehouden.
De derde-partij heeft beroep ingesteld. Op 15 maart 2024 heeft het college hangende deze beroepsprocedure een vervangingsbesluit genomen, waarin het college is teruggekomen op haar besluit om handhavend op te treden. Het college heeft de beslissing op bezwaar van 6 juni 2023 herroepen en de bezwaren van eisers alsnog ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het college de last onder dwangsom van 8 juni 2023 ingetrokken.
Hierna heeft de derde-partij het aanhangig gemaakte beroep tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom ingetrokken. Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2024.
De derde-partij heeft een schriftelijk reactie ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij. Verder zijn de bewoners van [locatie] [nummer 3] als belangstellenden verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Zijn eisers belanghebbende?
4. De derde-partij betoogt dat eisers ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard in de bezwaarfase. Zij legt daaraan ten grondslag dat eisers niet degenen zijn geweest die hebben verzocht om handhaving. Dit verzoek is namelijk ingediend door de bewoners van [locatie] [nummer 3]. Het besluit van 27 januari 2023 waarbij het verzoek om handhaving is afgewezen, was volgens de derde-partij dan ook niet tot eisers gericht en het college had eisers al om die reden in bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid, dat geen handhavingsverzoek is ingediend door degene die beroep heeft ingesteld, op zichzelf niet maakt dat deze niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit over het al dan niet toepassen van handhavingsmaatregelen, aangezien een dergelijk besluit niet slechts op verzoek maar ook ambtshalve door het bevoegd gezag kan worden genomen. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat eisers alsnog een verzoek om handhaving zou kunnen doen, waarna na een bezwaarprocedure materieel hetzelfde geschil in een aparte procedure aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd. Dit is uit een oogpunt van effectieve geschilbeslechting onaantrekkelijk. De omstandigheid dat het handhavingsverzoek niet mede namens eisers is ingediend, leidt daarom op zichzelf niet tot de conclusie dat zij geen bezwaar konden maken tegen het besluit van het college van 27 januari 2023.
Verder stelt de derde-partij dat eisers geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de boomstammen op hun perceel. Zij stellen dat het perceel van eisers niet grenst aan dat van de derde-partij en eisers vanuit hun woning geen zicht hebben op de boomstammen. Zij kunnen daarom volgens de derde-partij niet als belanghebbenden worden aangemerkt en het beroep had ook om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Dit betoog volgt de rechtbank niet. Daarbij is van belang dat eisers, samen met de bewoners van het adres [locatie] [nummer 2] ook mandelig eigenaars zijn van het perceel dat feitelijk wordt gebruikt als erf, dat ligt tussen het perceel van eisers (met daarop hun woning) en het perceel van de derde-partij met daarop de boomstammen. Dit tussenliggende erf grenst aan het perceel van de derde-partij met daarop de boomstammen. Dit maakt eisers in beginsel belanghebbend. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanuit hun woning, op ongeveer 30 meter afstand van de achtertuin van de derde-partij, zicht hebben op een deel van de stapel boomstammen. Weliswaar wordt dit zich deels ontnomen door het houthok en de haag die voor de stapel boomstammen groeit, maar dat neemt niet weg dat er, zeker als er minder blad aan de haag zit, aannemelijk is dat er beperkt zicht is. Hoewel twijfel mogelijk is over de vraag of de gevolgen daarvan van enige betekenis zijn, moeten eisers naar het oordeel van de rechtbank het voordeel van de twijfel krijgen nu zij, zoals hiervoor is overwogen, in beginsel belanghebbend moeten worden geacht, er beperkt zicht is en de woning van eisers op korte afstand van de boomstammen staat.
Biedt de woonbestemming een grondslag voor handhaving?
5. Volgens eisers is het opslaan van boomstammen ook in strijd met de bestemming wonen. Eisers stellen zich op het standpunt dat de boomstammen leiden tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast hebben ze geen functie als openhaardhout. Hiervoor worden zij volgens eisers niet gebruikt en zijn ze ook niet geschikt. Volgens eisers zijn de bomen opgeworpen als visuele afscheiding met de buren.
Volgens het college is de houtopslag niet in strijd is met de woonbestemming en biedt het bestemmingsplan geen grondslag om te handhaven. Het college brengt naar voren dat de stapel boomstammen een geringe omvang heeft en dat deze verscholen ligt achter de haag. Volgens het college is houtopslag bij een woning in het buitengebied gebruikelijk. Ook is het volgens het college gebruikelijk dat deze opslag mede wordt gebruikt door fauna, zoals egels. Dit gebruik is volgens het college niet in strijd met de woonbestemming.
Volgens het bestemmingsplan [locatie] [nummer 1] (bestemmingsplan) zijn de gronden met de bestemming “wonen”, voor zover van belang, bestemd voor “wonen” en “bij deze bestemming horende voorzieningen zoals tuinen, paden, verhardingen, water en parkeerplaatsen”. In het bestemmingsplan is niet nader gedefinieerd wat hier onder moet worden verstaan. De vraag of de houtopslag in strijd is met de woonbestemming, dient in dat geval te worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel.
De rechtbank ziet in dat wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwezigheid van boomstammen in strijd is met de doeleindenomschrijving in het bestemmingsplan. De uitstraling van de stapel boomstammen is niet van dien aard dat deze planologisch niet meer te rijmen is met de woonfunctie. Hoewel het gaat om een forse stapel boomstammen over een lengte van 6,5 meter bij een breedte van circa 2,5 meter, is de uitstraling in de achtertuin en verscholen achter bebouwing en beplanting ook gezien het landelijke karakter van de omgeving niet groot. In relatie tot de omvang van het gedeelte van het perceel van de derde-partij met een woonbestemming (meer dan 1.200 m²) wordt slechts een relatief klein deel daarvan voor de opslag van boomstammen gebruikt.
De beroepsgrond slaagt niet.
Kon het college afzien van handhaving op grond van het erfinrichtingsplan?
6. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze bepaling regelt dat bouwwerken overeenkomstig de bestemmingsomschrijving van de bestemming “wonen” mogen worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 5 jaar na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de erfinrichtings- en landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 van deze regels opgenomen “Erfinrichtingsplan Groenelementen”. Hiervan kan worden afgeweken als andere erfinrichtings- of landschapsmaatregelen worden getroffen, die voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden. Ten behoeve van de bescherming van landschappelijke en/of natuurwaarden kunnen aan deze afwijking voorwaarden worden verbonden.
Op 10 oktober 2021 heeft de derde-partij een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om af te mogen wijken van de voorwaardelijke verplichting uit het omgevingsplan. Op 14 januari 2022 heeft het college deze vergunning verleend. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en het college heeft deze bezwaren op 7 juli 2022 ongegrond verklaard. Op 2 november 2023 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de beroepsprocedure en de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Na deze uitspraak heeft het college op 27 december 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen over de omgevingsvergunning voor de uitvoering van een gewijzigd erfinrichtingsplan. Daartegen is ook beroep ingesteld. Dit beroep wordt behandeld bij de Afdeling met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Hangende het beroep heeft het college, gelijktijdig met het in deze procedure bestreden besluit, op 15 maart 2024, gewijzigde voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning voor het gewijzigde erfinrichtingsplan. Het vijfde voorschrift luidt sindsdien als volgt:
het gebruik van de gronden als stort- en opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken
voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover deze opslag geschiedt in het kader van het
normale onderhoud, is niet toegestaan.
De rechtmatigheid van dit voorschrift ligt ook ter beoordeling voor bij de Afdeling, als onderdeel van de hoger beroepsprocedure tegen het besluit van 27 december 2023 tot wijziging van het gewijzigde erfinrichtingsplan.
Eisers betogen dat het college in het besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat de handhavingsgrondslag is komen te vervallen. Ook wordt daarin volgens eisers ten onrechte overwogen dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat de aanwezigheid van boomstammen geen opslag is. Volgens eisers is het opslaan van boomstammen wel in strijd met de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het erfinrichtingsplan en de daaraan verbonden voorschriften.
Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de aanwezigheid van de boomstammen inderdaad in strijd is met het gewijzigde voorschrift 5 van het gewijzigde erfinrichtingsplan. Ook heeft het college erkend dat de rechtbank zich tot dusver niet heeft uitgelaten over de voorschriften bij het gewijzigde erfinrichtingsplan.
Uit het voorgaande volgt dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is al om die reden gegrond. Voor de gevolgen hiervan is het volgende van belang.
De derde-partij is het niet eens met het gewijzigde standpunt van het college en stelt dat het college niet heeft toegelicht waarom sprake is van verboden opslag die niet onder normaal onderhoud valt.
De rechtbank stelt vast dat het gewijzigde erfinrichtingsplan en het gewijzigde voorschrift nummer 5 tijdens de hoger beroepsprocedure niet zijn geschorst. Voorschrift nummer 5 is daarom van kracht en de rechtbank dient in beginsel van de rechtmatigheid van dat voorschrift uit te gaan. De rechtbank is verder van oordeel dat voorschrift nummer 5, anders dan de derde-partij stelt, een grondslag biedt om handhavend op te treden tegen de boomstammen. De bepaling voorziet, rekening houdend met hetgeen in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan, in een algemeen verbod op het opslaan van voorwerpen, stoffen en materialen. Opslagplaats betekent volgens Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal immers “plaats, terrein, waar materialen of goederen zijn (of kunnen worden) opgeslagen”. Niet in geschil is verder dat de boomstammen liggen op de gronden waarop het gewijzigde erfinrichtingsplan betrekking heeft. Daarnaast heeft het college in het besluit van 8 juni 2023, al toegelicht wat volgens het college onder normaal onderhoud wordt verstaan, namelijk “werkzaamheden die erop gericht zijn om te behouden wat er is”. De rechtbank begrijpt het voorschrift aldus, dat het college daarmee slechts heeft willen voorzien in een uitzondering op het verbod voor het in verband met uit te voeren onderhoudswerkzaamheden tijdelijk opslaan van materialen. De rechtbank kan dit volgen, gelet op wat in het normale spraakgebruik onder “normaal onderhoud” kan worden verstaan. Daarvan is in dit geval geen sprake. De boomstammen zijn al jaren aanwezig en worden kennelijk niet gebruikt voor onderhoudswerkzaamheden.
Hoewel tegen de houtopslag volgens het college wel kan worden opgetreden op grond van het gewijzigde voorschrift van het erfinrichtingsplan, heeft het college zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat handhaving ervan bij nader inzien onevenredig is in verhouding tot de te beschermen belangen.
De rechtbank kan dit niet volgen. Indien sprake is van een overtreding, dan dient het bestuursorgaan daartegen in beginsel op te treden. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met de handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, namelijk in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts in bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Het college heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting helemaal niet toegelicht welke bijzondere omstandigheden maken dat handhaving van het aan het erfinrichtingsplan verbonden voorschrift in dit geval onevenredig is in verhouding tot de te beschermen belangen. Dit klemt te meer, daar het college dit voorschrift gelijktijdig met het bestreden besluit aan het gewijzigde erfinrichtingsplan heeft verbonden. Daaruit kan worden afgeleid dat het college belang hecht aan het voorschrift ten behoeve van de bescherming van landschappelijke en/of natuurwaarden. Het college kan niet tegelijkertijd van mening zijn dat een voorschrift ten behoeve van de bescherming van landschappelijke en/of natuurwaarden moet worden gesteld, maar naleving van dit voorschrift onevenredig is.
Met de aanvullende motivering in het verweerschrift en tijdens de zitting is het onder 6.5 geconstateerde gebrek niet hersteld. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Eisers krijgen gelijk. Het besluit van 15 maart 2024 wordt vernietigd. Dit betekent dat het college opnieuw dient te beslissen op de bezwaarschriften van partijen naar aanleiding van het besluit van 27 januari 2023.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 15 maart 2024;- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften naar aanleiding van het besluit van 27 januari 2023, met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. B. van Riel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.