ECLI:NL:RBGEL:2025:11563

ECLI:NL:RBGEL:2025:11563, Rechtbank Gelderland, 22-12-2025, 11971995

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer 11971995
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Nijmegen

Samenvatting

Verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet toegewezen, medegedeelde reden fixeert de ontslagreden, vanwege uiteenlopende verklaringen komen de aanleiding, de precieze toedracht en de ernst van het conflict niet vast te staan. Ook geen sprake van instemming door de werknemer met het ontslag op staande voet. Tegenverzoek werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, gedragingen werknemer houden in overwegende mate verband met pshychose werknemer, opzegverbod wegens ziekte. Loonvordering werknemer toegewezen ondanks het ontbreken van een deskundigenverklaring (artikel 7:629a BW), geen matiging loonvordering op grond van artikel 7:680a BW.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer / rekestnummer: 11971995 \ HA VERZ 25-83

Beschikking van 22 december 2025

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. M.P.J. Rubens,

tegen

[verweerder] ,

gevestigd te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. H.M.M. van den Elzen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- het verweerschrift met tegenverzoek,

- de akte wijziging tegenverzoek en overlegging nadere producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2025, waar beide partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 1 maart 2024 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is “Hovenier A”. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het hoveniersbedrijf (hierna: de cao) van toepassing.

[verzoeker] heeft een bipolaire stoornis.

Op 16 september 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de tweede, tevens definitieve, versie van de schriftelijke bevestiging van dit ontslag is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Hierbij delen wij u mede dat wij u met **onmiddellijke ingang ontslaan op staande voet**.

De reden voor dit ontslag is dat u zich eerder vandaag, dinsdag 16 september 2025 schuldig hebt gemaakt aan ernstig wangedrag door met een buitenstaander in een conflictsituatie te komen en hierdoor andere collega’s in gevaar te brengen. Dit is volstrekt onacceptabel en levert een **dringende reden** op in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.

Wij wijzen u er ook op dat dit incident niet op zichzelf staat. Op maandag 1 september jongstleden vond een situatie plaats waarin u met een andere collega in een conflict raakte. U bent destijds aangesproken op uw gedrag en gewaarschuwd dat herhaling niet getolereerd zou worden.

Door uw handelen heeft u het vertrouwen van de werkgever ernstig en onherstelbaar geschonden. Wij achten voortzetting van het dienstverband onder deze omstandigheden onmogelijk.

Dit ontslag op staande voet betekent dat uw arbeidsovereenkomst per direct eindigt. U heeft hierdoor geen recht op een opzegtermijn of transitievergoeding. Daarnaast wijzen wij u erop dat dit gevolgen ken hebben voor uw eventuele recht op een WW-uitkering.

U ontvangt een eindafrekening met betrekking tot nog openstaande vakantiedagen en overige looncomponenten waarop u recht heeft.

Hierbij verklaart u dat u instemt met dit ontslag op staande voet.

Tegen dit ontslag kunt u zich wenden tot de kantonrechter.”

[betrokkene 1] , een collega van [verzoeker] , (hierna: [betrokkene 1] ) heeft achteraf, voor zover hier van belang, het volgende schriftelijk verklaard over de gang van zaken op 16 september 2025:

6.2 Incident met gemeentemedewerker

• Toen ik van het lagergelegen werkgebied naar boven liep, zag ik dat [verzoeker] ruzie had met een gemeentemedewerker.

• Vanwege zijn gedrag die hele dag voelde ik mij totaal niet veilig.

• Ik heb op afstand (met een hek tussen ons) naar [verzoeker] geroepen dat hij moest vertrekken.

• Hij riep terug dat hij dat zelf wel bepaalde, maar vertrok uiteindelijk toch.

Weqvluchten

• Toen [verzoeker] wilde wegrijden zag ik dat [betrokkene 2] net aankwam.

• Ik probeerde [verzoeker] nog te laten wachten, maar hij negeerde mij en reed met veel gas weg (bandensporen zichtbaar in het gras).

Contact met qemeentemedewerker

• De gemeentewerker kwam naar mij toe en was zichtbaar aangeslagen.

• Hij verklaarde dat [verzoeker] hem uit zijn auto wilde trekken en dat hij alleen zijn werk stond te doen toen [verzoeker] verhaal kwam halen.

• Ik heb dit niet gezien omdat ik op het project aan het werk was.

De heer [betrokkene 3] , eveneens een collega van [verzoeker] , (hierna: [betrokkene 3] ) heeft achteraf, voor zover hier van belang, het volgende schriftelijk verklaard over de gang van zaken op 16 september 2025:

3. Dag van het ontslag van [verzoeker] 16 september 2025

Ik was ook aanwezig op de dag dat [verzoeker] werd ontslagen. Die ochtend had ik gehoord dat hij moeilijk deed en collega [betrokkene 4] “dik” had genoemd.

’s Middags was ik met [betrokkene 2] op pad, [betrokkene 2] werd gebeld door [betrokkene 4] en daarom zijn we naar hun toegegaan. We kwamen net op tijd op de locatie waar ruzie was. Een gemeentemedewerker was vriendelijk, maar boos en wilde de politie inschakelen. [betrokkene 2] moest hem tot rust brengen. Als [betrokkene 2] er niet was geweest, was het waarschijnlijk uit de hand gelopen, niet door de gemeentewerker, maar door [verzoeker] . Ik ben in de bus gebleven.”

Op 21 september 2025 is [verzoeker] aangehouden door de politie, waarna hij tot 6 november 2025 bij Pro Persona heeft verbleven. Sinds 6 november 2025 woont [verzoeker] weer thuis.

In het bericht na crisisinterventie van Pro Persona van 23 september 2025 staat voor zover hier van belang het volgende:

Reden aanmelding

Politie vraagt acute beoordeling i.v.m. verward gedrag en verdenking psychiatrische ontregeling.

Patiënt is in de avond van 21-09 staande gehouden door de politie nadat omstanders melding hadden gemaakt van bizar/gevaarlijk gedrag (rotonde blokkeren en later dreigen met een potentieel vuurwapen). Patiënt zou onder invloed van alcohol zijn geweest. Tijdens verhoor geen sprake van inzicht/reflectief vermogen en spreekt verhoogd associatief. 19-09 Heeft consultatie plaatsgevonden met huisarts van patiënt en crisisdienst. Hierbij beschrijft huisarts een manisch-psychotisch beeld (bij eerder vastgestelde bipolaire I stoornis), waarbij patiënt onder andere de overtuiging zou hebben dat hij werkzaam is bij de politie en een criminele bende zou moeten oprollen. Vanuit daar zou hij eerder ook bij buren zijn binnengedrongen die toen ook politie hebben ingeschakeld.

Conclusie en diagnose

59-jarige man, die in het verleden gediagnosticeerd is met een bipolaire I stoornis (jaren stabiel met Carbamazepine), sinds een halfjaar gestopt is met zijn medicatie en die nu manisch psychotisch ontregeld is. Patiënt wordt door politie aangemeld voor een acute beoordeling t.a.v. verplichte zorg. Patiënt is gister aangehouden nadat hij in verwarde toestand het verkeer ophield in Malden. Toen een fietsen contact met hem probeerde te maken was hij erg geagiteerd en werd een vuurwapen gezien. Nadat politie betrokken werd, weigerde patiënt o.a. zijn handen in de lucht te doen en zijn waarschuwingsschoten gelost. Patiënt bleek twee balletjespistolen en een set handboeien in zijn auto te hebben, waarop hij is meegenomen naar het bureau. Ook bleek hij opnieuw onder invloed van alcohol; is een week geleden ook aangehouden wegens rijden onder invloed. Bij beoordeling op het bureau wordt een geagiteerde man gezien, die dominant en denigrerend is in het contact naar onderzoekers. Het denken is verhoogd associatief. Er is sprake van zelfoverschatting en problemen worden gebagatelliseerd. Patiënt weegt zijn woorden nauwkeuring en probeert zijn verhaal oppervlakkig te houden en laat zich niet uit over zijn belevingen t.a.v. zijn omgeving. De stemming is dysfoor. In diagnostische zin lijkt sprake van een manische episode (mogelijk ook psychotische kenmerken) bij een man met eerder gediagnosticeerde bipolaire I stoornis. Er is gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen (o.a. verbale agressie naar omgeving, rijden tijdens manische periode en onder invloed

van alcohol, gevaarlijk rijgedrag, wapenbezit en zou vorige week vanuit achterdocht het huis van de buren binnengedrongen zijn) Maatschappelijke teloorgang (heeft vanuit grootheid ideeën zijn baan opgezegd, verbreekt vriendschappen, arrestatie is gefilmd en staat op facebook-site van [plaats 1] , in het dorp wordt veel over patiënt gesproken), Gevaar dat hij met zijn gedrag agressie over zich afroept (is huis van buren binnengedrongen, maakt grensoverschrijdende en seksuele opmerkingen t.a.v. vrouwen en racistische opmerkingen over Turken en Marokkanen en volgde instructies van politie niet op, waarbij hij neergeschoten had kunnen worden). Patiënt zegt voornemens te zijn geweest om, door huisarts voorgeschreven, Olanzapine te gaan gebruiken maar dat de apotheek deze niet had. Wil in eerste instantie niet meewerken aan vrijwillige zorg en / of klinische behandeling. Na gesprek met zijn advocaat besluit patiënt toch te kiezen voor een vrijwillige opname en behandeling bij Pro Persona. Een vriend zal hem van het politiebureau naar

de Langenberg brengen en kleding voor hem regelen.

Vervolg afspraken

In eerste instantie patiënt aangezegd dat wij een Crisis Maatregel zullen aanvragen, aangezien er geen motivatie is voor vrijwillige behandeling. Na een gesprek met zijn advocaat kiest patiënt toch voor een vrijwillige klinische behandeling. Een vriend zal hem van het politiebureau ophalen en naar de Langenberg brengen en kleding regelen.

Op woensdag 24-9 gaf patiënt aan toch met ontslag te willen, werd hij opnieuw beoordeeld voor Verplichte zorg en werd een Crisis Maatregel aangevraagd en afgegeven, waarmee hij momenteel nog opgenomen is op de HIC.”

Op 15 oktober 2025 heeft [verweerder] een brief van het UWV ontvangen. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op 10 oktober 2025 ontvingen wij het bericht dat uw (ex-)werknemer De heer [verzoeker] vanaf 16 september 2025 ziek is.

Niet nagekomen verplichting

Omdat het dienstverband van uw (ex-)werknemer afliep tijdens de ziekte, had u op de

laatste werkdag een ziekteaangifte moeten doen bij UWV. Dit heeft u niet of nog niet

gedaan.

Heeft u eerder een ziekteaangifte in de 42e week gedaan? Ook dan bent u verplicht om een

ziekteaangifte te doen, als uw werknemer ziek uit dienst gaat.

(…)

Mogelijk heeft u een goede reden. In dat geval krijgt u geen, of een lagere boete. Op

bijgaand formulier kunt u aangeven waarom u ons te laat, onjuist of niet heeft geïnformeerd.”

[verweerder] heeft hierop richting het UWV gereageerd. Vervolgens heeft het UWV op 20 oktober 2025 aan [verweerder] te kennen gegeven dat de brief van 15 oktober 2025 ten onrechte aan [verweerder] is verzonden.

Op 29 oktober 2025 verklaart de huisarts van [verzoeker] het volgende:

“Op basis van medisch dossier van patient kan ik bevestigen dat patient al jarenlang (meer dan 10 jaar) 3-4 x per jaar op medicatiecontrole komt op onze huisartspraktijk en dat hij tot een halfjaar geleden voor zover wij dat kunnen beoordelen altijd zijn medicatie gebruikte. Tijdens de controles hebben we tot de recente ontregeling niet eerder tekenen van psychiatrische ontregeling gezien en werkte patient actief mee aan zijn behandeling door zelf ook zijn vervolgafspraken te maken na drie tot vier maanden.”

[verzoeker] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 10 november 2025 geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet, en verzocht om de bevestiging dat [verweerder] het ontslag zou intrekken. [verweerder] heeft bij brief van 11 november 2025 laten weten het verleende ontslag op staande voet te handhaven.

3. Het verzoek en de tegenverzoeken

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Voorwaardelijk (na inzet van switch) verzoekt [verzoeker] [verweerder] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoek [verzoeker] [verweerder] in de proceskosten te veroordelen.

Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft een bipolaire stoornis als gevolg waarvan hij eind augustus 2025 ontregeld is geraakt en in een psychose is beland. Van [verweerder] mocht worden verwacht dat het afwijkend gedrag dat [verzoeker] vanaf begin september 2025 vertoonde werd gesignaleerd en dat er verder navraag zou zijn gedaan en dit reden had gegeven voor zorg en begeleiding. Naar aanleiding van een incident op 1 september 2025 is echter slechts volstaan met het geven van een waarschuwing. Er was volgens [verzoeker] dus sprake van arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] kan zich niets herinneren van het incident op 16 september 2025. Zijn gedrag was het gevolg van zijn ziekte. Uit de ontslagbrief blijkt voor hem onvoldoende duidelijk welke dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Daar komt nog bij dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan dat zij niet bekend was met de bipolaire stoornis en/of psychose. Ten tijde van het incident op 16 september 2025 waren er ook geen tekenen dat [verzoeker] ziek was. Ook uit latere correspondentie blijkt zulks niet. Pas op 10 november 2025 wordt door [verzoeker] melding gemaakt van ziekte/arbeidsongeschiktheid.

Voor het geval de kantonrechter de opzegging vernietigt, verzoekt [verweerder] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

te verklaren voor recht dat [verzoeker] heeft ingestemd met het ontslag op staande voet op 16 september 2025,

de loondoorbetalingsverplichting te matigen als bedoeld in artikel 7:680a BW,

de wettelijke verhoging te matigen tot nihil,

[verzoeker] te veroordelen in de proceskosten,

subsidiair:

voor het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] niet reeds is geëindigd, verzoekt zij om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden en te bepalen dat [verzoeker] gelet op zijn verwijtbaar handelen geen recht heeft op enige transitievergoeding, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

Op de stellingen en standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna in de beoordeling ingegaan.

4. De beoordeling

Verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet; geen switch

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Een werknemer, die vindt dat zijn arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd door zijn werkgever, moet in een procedure een keuze maken tussen het verzoek tot vernietiging van de opzegging en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding. [verzoeker] heeft primair gekozen voor de vernietiging van de opzegging en heeft geen switch gemaakt. [verzoeker] heeft er dus voor gekozen het verzoek tot vernietiging van het ontslag en de daarbij behorende nevenverzoeken te laten beoordelen en niet het voorwaardelijke verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding.

Ontslag op staande voet

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden.

Blijkens de ontslagbrief van 16 september 2025 heeft [verweerder] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich op 16 september 2025 schuldig heeft gemaakt “aan ernstig wangedrag door met een buitenstaander in een conflictsituatie te komen en hierdoor andere collega’s in gevaar te brengen”. De hier bedoelde conflictsituatie ziet op het conflict met een gemeentemedewerker. In het verweerschrift is nog melding gemaakt van andere incidenten die dag, waaronder een incident waarbij [verzoeker] op een gevaarlijke manier en in de buurt van kinderen een bosmaaier heeft gebruikt, maar die worden in de ontslagbrief niet genoemd en kunnen daarom niet worden meegenomen in de beoordeling of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

Uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] (zoals opgenomen onder r.o. 2.4. en 2.5.) en hetgeen de heer [verweerder] (hierna: [verweerder] ) ter zitting heeft verklaard, blijkt weliswaar dat sprake is geweest van een conflict tussen [verzoeker] en een gemeentemedewerker, maar vastgesteld moet worden dat die verklaringen uiteenlopen als het gaat over de ernst van het conflict. Daarnaast geven de verklaringen geen inzage in de aanleiding en de precieze toedracht van het conflict; geen van hen heeft het conflict zien gebeuren. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij zag dat “ [verzoeker] ruzie had met een gemeentemedewerker” en dat de gemeentemedewerker “zichtbaar aangeslagen” was. Zij heeft niet zelf gezien dat “ [verzoeker] hem uit zijn auto wilde trekken”. Op het moment dat [betrokkene 3] en [verweerder] bij [verzoeker] arriveerden, was [verzoeker] al in de auto gestapt om weg te rijden. Zij zijn dus geen getuige geweest van het ontstaan van het conflict. [betrokkene 3] heeft verklaard dat sprake was van een “ruzie”. De gemeentemedewerker was volgens hem “vriendelijk, maar boos” en “als [betrokkene 2] er niet was geweest, was het waarschijnlijk uit de hand gelopen”. Dit is niet zonder meer te rijmen met dat [verweerder] ter zitting heeft verklaard dat hij met gevaar voor zichzelf tussen [verzoeker] en de gemeentemedewerker is moeten komen omdat beiden in opgewonden toestand waren en hij ze uit elkaar moest halen en tot rust moest brengen.

Vanwege deze uiteenlopende verklaringen omtrent de ernst van het conflict en nu de verklaringen geen inzage geven in de aanleiding en de precieze toedracht van het incident, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Niet gebleken is van zodanig wangedrag van [verzoeker] dat dit een dergelijk ontslag rechtvaardigde. [verweerder] heeft ter zitting nog aangegeven dat zij reeds het openlijk in conflict raken met een derde als werkgever niet kan tolereren, maar dat enkele gegeven is onvoldoende. Het geven van een waarschuwing zou in die situatie meer in de rede hebben gelegen.

Dan resteert nog het verwijt dat [verzoeker] met zijn handelen andere collega’s in gevaar heeft gebracht. Hiervan is echter onvoldoende gebleken. Niet geconcretiseerd is wat [verweerder] hierbij precies voor ogen heeft. Voor zover het zou gaan om gevaar dat [verweerder] zou hebben gelopen, geldt bovendien dat dit gezien de uiteenlopende verklaringen geenszins is komen vast te staan. Dit verwijt kan daarom geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.

Nu de verweten gedragingen niet vast zijn komen te staan dan wel naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet, heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW opgezegd. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag zal daarom op grond van artikel 7:681 lid 1 BW worden toegewezen.

Ondertekening ontslag op 16 september 2025

Omdat het ontslag op staande voet is vernietigd, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het primaire voorwaardelijke verzoek van [verweerder] om voor recht te verklaren dat [verzoeker] heeft ingestemd met het ontslag op staande voet.

De kantonrechter gaat hier niet in mee. [verzoeker] heeft het schrijven van 16 september 2025 getekend in het kader van een aan hem gegeven ontslag op staande voet, waarvan nu is vastgesteld dat dit ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Bovendien staat er in het schrijven “Tegen dit ontslag kunt u zich wenden tot de kantonrechter”. Dit geeft er blijk van dat geen sprake is van een duidelijke en onvoorwaardelijke instemming van [verzoeker] met het ontslag. De ondertekening kan daarom niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen. De arbeidsovereenkomst is dan ook niet geëindigd met instemming van [verzoeker] . De verzochte verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

Ontbinding

Omdat ook de verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen, komt de kantonrechter toe aan het subsidiaire voorwaardelijke verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond is, in de zin lid 3 van voornoemd artikel, en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, of niet in de rede ligt.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat, gelet op de verklaring van Pro Persona van 23 september 2025 (zie r.o. 2.7.), voldoende vast dat [verzoeker] eind augustus/begin september 2025 psychotisch ontregeld is geraakt en dat [verzoeker] als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is. Weliswaar heeft [verweerder] getracht dit in twijfel te trekken door aan te geven dat geen medische verklaring is overgelegd, dat de verklaring van Pro Persona enkel spreekt van “mogelijk ook psychotische kenmerken”, en dat [verzoeker] zich rustig gedroeg en normaal aanspreekbaar was, maar deze feiten en omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Uit de verklaring van Pro Persona blijkt genoegzaam dat het stoppen met medicatie bij [verzoeker] een proces van ontregeling op gang heeft gebracht. Volgens [verweerder] zelf heeft [verzoeker] bovendien op 1 september 2025 in een gesprek aangegeven dat hij zich ‘in de gaten gehouden/achtervolgd’ voelde. Hoewel dat toen wellicht voor [verweerder] onvoldoende signaal is geweest dat er iets met [verzoeker] aan de hand was, kan nu worden vastgesteld dat een dergelijke uitlating past bij een psychotische ontregeling. De stelling dat - kort gezegd - [verweerder] in de periode na het ontslag geen signalen heeft gekregen die wezen op arbeidsongeschiktheid geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover daarbij is verwezen naar correspondentie tussen [verweerder] en het UWV in oktober 2025, wordt daarbij nog opgemerkt dat de gemachtigde van [verzoeker] ter zitting heeft aangegeven dat [verzoeker] op 3 december 2025 bericht heeft ontvangen dat aan hem met terugwerkende kracht een ziektewetuitkering is toegekend.

Dit betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW) in beginsel aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Dat is alleen anders als het verzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft (artikel 7:671b lid 6 onder a BW), dan wel sprake is van omstandigheden waardoor de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen (artikel 7:671b lid 6 onder b BW). Voor toewijzing van een ontbindingsverzoek dient er geen oorzakelijk verband te bestaan tussen een bepaalde situatie, gebeurtenis of beperking en de onmogelijkheid of verminderde mogelijkheid om arbeid te verrichten. Alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en díe omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is.

In het kader van het ontbindingsverzoek verwijt [verweerder] [verzoeker] , naast het conflict met een collega op 1 september 2025, een incident met een fiets tijdens werkzaamheden op 15 september 2025 en de incidenten met de bosmaaier en de gemeentemedewerker op 16 september 2025 en dat hij haar niet heeft geïnformeerd over de bipolaire stoornis bij de sollicitatie en het afbouwen van danwel stoppen met de medicatie. De kantonrechter oordeelt als volgt.

De verweten gedragingen in de periode 1 tot en met 16 september 2025 hebben betrekking op de periode waarin [verzoeker] ontregeld is geraakt en deze laten zich dus niet abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Deze gedragingen kunnen daarom niet ten grondslag worden gelegd aan de verzochte ontbinding.

Dit geldt ook voor het niet informeren over het afbouwen van de medicatie. Het afbouwen van de medicatie is immers zodanig verbonden met de aan de ontregeling ten grondslag liggende bipolaire stoornis dat dit niet los gezien kan worden van de omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft. Dit brengt met zich dat er niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is met de arbeidsongeschiktheid.

Dit geldt ook voor de stelling dat [verzoeker] haar bij de sollicitatie zou hebben misleid door niet kenbaar te maken dat hij lijdt aan een bipolaire stoornis. Dit is immers een omstandigheid die heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Dit ziet dus niet op de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en kan om die reden niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Onder omstandigheden kan het geven van verkeerde informatie bij een sollicitatie leiden tot nietigheid of vernietiging van de arbeidsovereenkomst als bijvoorbeeld sprake is van bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling. Dat is in deze zaak niet gesteld en evenmin is de nietigheid ingeroepen of vernietiging gevorderd, daargelaten of dat succesvol zou zijn.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek naar het oordeel van de kantonrechter in overwegende mate verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft, terwijl er geen sprake is van omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer zou moeten eindigen. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient dan ook te worden afgewezen, vanwege het bestaan van een opzegverbod.

Doorbetaling loon

Aangezien het ontslag op staande voet wordt vernietigd en er evenmin een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen door ondertekening van dit ontslag op staande voet, heeft de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] gewoon doorgelopen en dient [verweerder] in beginsel het overeengekomen salaris, inclusief de gebruikelijke emolumenten, alsnog te betalen vanaf 16 september 2025.

Hoewel het verzoek tot loondoorbetaling, gelet op de letterlijke formulering van het verzoek, alleen “bij wijze van voorlopige voorziening” is verzocht, leest de kantonrechter dit verzoek aldus dat dit verzoek ook in de bodemzaak is gedaan.

Volgens artikel 7:629 BW heeft een werknemer recht op loondoorbetaling bij ziekte. Indien partijen van mening verschillen over de vraag of een werknemer wegens ziekte arbeidsongeschikt is dient daarover een second opinion te worden aangevraagd. Artikel 7:629a, eerste lid BW bepaalt dat de rechter een vordering tot betaling van loon tijdens ziekte afwijst, indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het UWV, ‘omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten (…)’. Hierop bestaat slechts een uitzondering indien de arbeidsongeschiktheid niet wordt betwist of van de werknemer in redelijkheid niet verlangd kan worden dat een second opinion wordt overgelegd.

Uit de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer 1995/1996, 24 439 nr. 3 p. 23 en 24) volgt dat de bedoeling van de wetgever met de door artikel 7:629a BW verlangde deskundigenverklaring bij een vordering tot loondoorbetaling vooral eruit bestond om de rechtspositie van de werknemer te verbeteren (en de belasting van de rechterlijke macht te beperken). Daarnaast was de bedoeling van de wetgever om het mogelijk te maken een geschil tussen een werkgever en werknemer over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van ziekte c.q. het correct nakomen van re-integratieverplichtingen door de werknemer snel te kunnen beslechten. Gelet op de huidige wachttijden voor het verkrijgen van een deskundigenverklaring van het UWV en het feit dat de kantonrechter, ondanks de betwisting door [verweerder] , reeds heeft vastgesteld dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is, zou aan de ratio van artikel 7:629a BW voorbij worden gegaan indien in dit geval een deskundigenverklaring van [verzoeker] zou worden verlangd. De kantonrechter is dan ook in dit specifieke geval van oordeel dat in redelijkheid niet van [verzoeker] kan worden verlangd een deskundigenverklaring te overleggen. De kantonrechter komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van de loonvordering.

Partijen zijn vervolgens het niet eens over de hoogte van het salaris. [verzoeker] gaat in zijn verzoekschrift uit van een bedrag van € 3.369,46 bruto per maand (gebaseerd op de salarisschalen in de cao), terwijl [verweerder] uitgaat van het laatstverdiende brutoloon inclusief vakantietoeslag van € 3.153,81 per maand. [verweerder] verwijst daartoe naar de salarisstrook over periode 8 van het jaar 2025 die zij als productie 11 bij het verweerschrift heeft overgelegd. Uit de slarisstrook blijkt dat [verzoeker] recht heeft op een periodeloon van € 2.695,57 bruto en een van vakantieslag van € 215,65 bruto (omgerekend is dit € 3.153,81 bruto per maand). Nu door [verzoeker] niet gesteld is dat hij over deze periode te weinig salaris heeft ontvangen, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van deze salarisstrook.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om op grond artikel 7:680a BW het verzoek tot loondoorbetaling te matigen, nu [verweerder] niet heeft gesteld dat integrale toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden en dat gezien de relatief korte tijd die is verstreken sinds het ontslag op staande voet en de omvang van de onderneming ook niet aannemelijk is. Daarnaast kan niet worden gematigd tot een bedrag lager dan drie maanden loon terwijl er op de datum van deze beschikking amper drie maanden verstreken zijn.

Gelet op de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en het feit dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen dat hij zich niet beschikbaar heeft gehouden voor werk. Evenmin is er onder deze omstandigheden sprake van een rechtsgeldige loonopschorting c.q. loonstop.

Het voorgaande brengt met zich dat de kantonrechter [verweerder] veroordeelt tot betaling van het brutoloon € 2.695,57 per vier weken, te vermeerderen met de vakantietoeslag en eventuele overige emolumenten, vanaf 16 september 2025 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

Op grond van artikel 7:625 BW heeft [verzoeker] recht op de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris. De kantonrechter ziet in het voorgaande aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. Daarnaast wijst de kantonrechter de wettelijke rente vanaf de maandelijkse vervaldata, totdat alles is betaald.

Voorlopige voorziening

Nu direct uitspraak is gedaan in de bodemprocedure, wordt niet toegekomen aan de behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen. Een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

Proceskosten

De kantonrechter zal bepalen dat partijen, zowel in het verzoek als in het tegenverzoek, ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5. De beslissing

De kantonrechter

in de voorlopige voorziening

wijst het verzochte af,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het verzoek

vernietigt het op 16 september 2025 door [verweerder] aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet,

veroordeelt [verweerder] tot betaling van het brutoloon van € 2.695,57 per vier weken, te vermeerderen met de vakantietoeslag en eventuele overige emolumenten, aan [verzoeker] vanaf 16 september 2025 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente vanaf de maandelijkse vervaldata totdat alles is betaald,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af,

in het tegenverzoek

wijst het verzochte af,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0091
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?