ECLI:NL:RBGEL:2025:11564

ECLI:NL:RBGEL:2025:11564, Rechtbank Gelderland, 23-12-2025, 448133

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer 448133
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

De rechtbank verleent vervangende toestemming erkenning kind aan vader na overlijden moeder en wijst het gezag toe aan vader, onder de opschortende voorwaarde dat de erkenning heeft plaatsgevonden (met verwijzing naar Hoge Raad 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1853).

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/448133 / FA RK 25-683

Datum uitspraak: 23 december 2025

Beschikking van de rechtbank over gezag en omgang

naar aanleiding van het verzoek van

[naam man] (hierna: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. C.G.J.E. Lut te Eindhoven,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ),

in rechte vertegenwoordigd door de bijzondere curator mr. W.G. Kuster-van de Ven te Nijmegen (hierna: de bijzondere curator).

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam (hierna: de GI).

en

het gezinshuis ‘ [naam gezinshuis] ’ te [plaatsnaam] (hierna: [het gezinshuis] ),

De kinderrechter merkt als informant aan

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de Raad),

1. Het verdere verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2025;

- de brief van de bijzondere curator van 12 mei 2025;

- het bericht van de zijde van de man van 27 mei 2025;

- het verweerschrift van de GI ontvangen op 8 december 2025.

2. Tijdens de mondelinge behandeling van 11 december 2025 zijn gehoord:

- de man met zijn advocaat;

- de bijzondere curator;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- twee vertegenwoordigers van het [het gezinshuis] ;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

2. De feiten

De man heeft een relatie gehad met mevrouw [naam 1] (hierna: de moeder). Uit die relatie is [de minderjarige] geboren. De man heeft [de minderjarige] niet erkend.

De moeder is op 17 augustus 2023 overleden.

De rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 17 januari 2024 de GI benoemd tot voogdes over [de minderjarige] .

[de minderjarige] woont sinds april 2024 in het [het gezinshuis] .

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2025 is de bijzondere curator benoemd. Op 12 mei 2025 heeft de bijzondere curator het verslag van bevindingen bij de rechtbank ingediend.

3. Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank:

hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] ;

de man te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;

een omgangsregeling vast te stellen waarbij wordt bepaald dat de man een dag per veertien dagen van 9.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met [de minderjarige] , waarbij de regeling na zes keer wordt uitgebreid naar een omgangsregeling van een weekend per veertien dagen, inclusief overnachting, van zaterdag 9.00 uur tot zondagavond 17.00 uur;

deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de bijzondere curator

De bijzondere curator adviseert de rechtbank om het verzoek tot erkenning toe te wijzen. Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij wordt erkend door zijn verwekker. [de minderjarige] kent de man als zijn vader en zij hebben regelmatig contact met elkaar. Het is belangrijk voor zijn identiteitsontwikkeling dat officieel wordt vastgelegd wie [de minderjarige] vader is. Door de erkenning wordt de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid. Niet is gebleken dat erkenning door de man de ontwikkeling van [de minderjarige] zal schaden. Door het overlijden van de moeder kan de erkenning evenmin de relatie tussen de moeder en [de minderjarige] verstoren.

5. Het standpunt van de GI

De GI acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij wordt erkend door de man. Er is geen twijfel over het vaderschap van de man.

Ook acht de GI het van belang dat er omgang is met de man. De omgangsregeling is recent gewijzigd. Dit is in overleg met de man gebeurd. [de minderjarige] gaat vanaf december 2025 maandelijks van vrijdag 15.00 uur tot en met zondag 13.00 uur naar de man. Daarnaast gaat [de minderjarige] een zaterdag in de maand naar zijn zus en opa en oma (van vaderszijde).

Ten aanzien van het gezag heeft de GI het volgende aangevoerd. Hoewel de GI in haar verweerschrift heeft aangegeven niet achter het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de man te staan, omdat zij van mening is dat de man (nog) niet kan bieden wat [de minderjarige] nodig heeft, is dat beeld ter zitting genuanceerd. De GI ziet dat de man mooie stappen maakt en ook dat hij zijn eigen gevoel aan de kant kan zetten en in het belang van [de minderjarige] kan denken. De GI meent wel dat het veel van [de minderjarige] gaat vragen om de omgangsregeling met de man uit te breiden. De regeling zoals deze recent is gewijzigd is voor nu genoeg voor hem. Ook is duidelijk dat de man nu nog niet helemaal alleen voor [de minderjarige] kan zorgen. De GI acht het daarom van belang de goede samenwerking met de man te kunnen voortzetten waarbij de man en [de minderjarige] hulp gaan krijgen, of dat nu in het [het gezinshuis] is of bij de man thuis. Het kost echter tijd om een goede basis te leggen en de GI wil niets overhaasten. Terugkeer naar de man kan alleen stapsgewijs en met een goed plan.

6. Het standpunt van het [het gezinshuis]

De orthopedagoog van het [het gezinshuis] benadrukt enerzijds dat het nu niet goed gaat met [de minderjarige] . Hij gedraagt zich jonger dan zijn kalenderleeftijd. Zijn emoties overspoelen hem en hij heeft last van de onduidelijkheid over de vraag waar hij kan opgroeien. Hij heeft veel trauma, door de dood van zijn moeder, maar ook door hoe er daarna met hem is omgegaan. Hij heeft op verschillende plekken gewoond en zich daardoor niet goed kunnen hechten. Inmiddels is gebleken dat het [het gezinshuis] geen geschikte plek is voor [de minderjarige] . De dynamiek met zeven huisgenoten is te intens voor hem. Hij heeft 1-op-1 aandacht nodig en hoort bij zijn familie.

Anderzijds benadrukt zij dat zij ziet dat de man heel goed in staat is om in het belang van [de minderjarige] te denken, dat hij zijn eigen wensen kan parkeren en de keuzes kan maken die goed zijn voor [de minderjarige] . De orthopedagoog van het [het gezinshuis] kan ook goed samenwerken met de man. Als [de minderjarige] boos of verdrietig is, is het de man die hem weer rustig krijgt. [de minderjarige] zelf is dol op de man en wil het liefst bij hem wonen. De man heeft ook een groot (familie)netwerk dat hem kan en wil ondersteunen.

7. Het advies van de Raad

De Raad acht het in het belang van [de minderjarige] dat de man hem erkent zodat formeel wordt vastgelegd dat hij zijn vader is.

De Raad ziet dat de situatie waarin [de minderjarige] zit ingewikkeld is, hij laat zorgelijk gedrag zien. Hij is heel kwetsbaar door het overlijden van zijn moeder, maar ook door de vele wisselingen van opvangplek. Stabiliteit is belangrijk. Er moet daarom goed worden gekeken welke opvoedsituatie voor [de minderjarige] passend is en wat hij op de lange termijn nodig heeft. Het is belangrijk dat [de minderjarige] omgang heeft met de man en dat die omgang wordt uitgebreid, bijvoorbeeld, omdat het voor [de minderjarige] te belastend is om naar de man te komen, door de man vaker naar het [het gezinshuis] te laten komen.

8. De beoordeling

Vervangende toestemming erkenning

Kader

Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek kan worden gedaan door de verwekker van het kind of door de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat door partijen niet wordt getwijfeld over het feit dat de man [de minderjarige] vader is en dat de moeder door haar overlijden niet de vereiste toestemming kan geven. De rechtbank stelt vast dat partijen het er ook over eens dat het in het belang is van [de minderjarige] dat de man [de minderjarige] kan erkennen als zijn zoon en dat er geen bezwaren zijn die daaraan in de weg staan. [de minderjarige] weet wie zijn vader is en hij heeft een goede band met hem. Met de bijzondere curator oordeelt de rechtbank dat het voor [de minderjarige] identiteitsontwikkeling belangrijk is dat officieel wordt vastgelegd wie zijn vader is. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man toe en verleent hem vervangende toestemming om [de minderjarige] te erkennen als zijn zoon.

Gezag en omgang

Kader

Op grond van artikel 1:253h BWkan de overlevende ouder, mits deze daartoe bevoegd is, de rechtbank verzoeken te worden belast met het gezag over het kind indien na het overlijden van één van de ouders een voogd is benoemd. De rechtbank kan hiertoe pas overgaan indien:

de omstandigheden zijn gewijzigd nadat er een voogd is benoemd of;

ij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Op grond van artikel 1:377a BWheeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

Bevoegdheid en gelijktijdigheid

Het oordeel van rechtbank, dat de man bevoegd is tot het erkennen van [de minderjarige] , betekent dat de man, nadat hij [de minderjarige] heeft erkend, ook bevoegd is de rechtbank te verzoeken om te worden belast met het gezag over [de minderjarige] . En hoewel die erkenning eerst plaats moet vinden voordat de man belast kan worden met het gezag over [de minderjarige] , betekent dit niet dat de man deze beide verzoeken niet gelijktijdig kan indienen. Het betekent wel dat de rechtbank het verzoek van de man om te worden belast met het gezag over [de minderjarige] alleen kan toekennen onder de opschortende voorwaarde dat de akte van erkenning, waaruit blijkt dat de man [de minderjarige] heeft erkend als zijn zoon, daadwerkelijk is opgemaakt. In andere woorden: de man kan pas worden belast met het gezag over [de minderjarige] nadat hij [de minderjarige] heeft erkend als zijn zoon.

Gewijzigde omstandigheden en belang van [de minderjarige]

De rechtbank oordeelt bovendien dat sinds de beslissing tot het benoemen van de GI als voogd op 17 januari 2024 de omstandigheden zijn gewijzigd en dat de door de man verzochte gezagswijziging in het belang is van [de minderjarige] . Zij motiveert deze beslissing als volgt.

Gewijzigde omstandigheden

Hoewel het de voorkeur van de wetgever heeft de ouder aan te wijzen als voogd, is daartoe destijds niet overgegaan omdat, zo blijkt uit het verslag van de bijzondere curator, werd getwijfeld of de man de opvoeding wel aankon. In het rapport van de gezinsopname van Mereo van 21 maart 2024 is geconcludeerd dat de man niet de opvoedkundige rol kon innemen die hij graag wenste en die [de minderjarige] nodig had. Destijds werd gesteld dat de man de problematiek van [de minderjarige] onvoldoende herkende en erkende en daardoor niet de juiste hulp kon inschakelen. Uit de stukken blijkt dat dat inmiddels is veranderd.

Uit de standpunten van de man, de GI én het [het gezinshuis] blijkt dat de man zijn opvoedkwaliteiten sindsdien (verder) heeft ontwikkeld. En anders dan destijds werd geconcludeerd, ervaart de jeugdbeschermer juist wel een goede samenwerking met de man. De orthopedagoog van het [het gezinshuis] bevestigt dat beeld. En hoewel de jeugdbeschermer in het verweerschrift aangeeft door haar korte betrokkenheid niet goed te kunnen beoordelen of de man het gezag kan uitoefenen, spreekt zij zich ook uit over de positieve ontwikkeling van de man op andere vlakken. Vlakken die door de GI tevens worden gezien als voorwaarden voor overdracht van het gezag naar een (pleeg)ouder. Zo heeft de man goed contact met zijn biologisch netwerk (dit wordt ook bevestigd door een door de man ingebrachte brief van de grootouders van [de minderjarige] van 28 november 2025). Ook constateert de jeugdbeschermer, net als de orthopedagoog van het [het gezinshuis] , dat de man in het belang van [de minderjarige] kan denken. Dit blijkt onder meer uit het feit dat ook de man ervan overtuigd is dat [de minderjarige] intensieve hulpverlening nodig heeft en hij ter zitting heeft benadrukt met de jeugdbeschermer te willen samenwerken om die hulpverlening te kunnen inzetten. De man geeft er zowel in zijn contact met het [het gezinshuis] , als op zitting ook anderszins blijk van dat hij de juiste keuzes kan maken voor [de minderjarige] . Want hoewel het zijn grootste wens is dat [de minderjarige] zo spoedig mogelijk volledig bij hem woont, onderkent hij dat het voor [de minderjarige] te snel zou zijn om direct al bij hem te komen wonen. De man benadrukt dat het voor [de minderjarige] beter is om in samenwerking met de voogd en het [het gezinshuis] een plan te maken wanneer hij kan terugkeren naar de man en wat daarvoor nodig is.

Belang van [de minderjarige]

heeft een belast verleden en heeft veel meegemaakt. Hij is opgegroeid in een onveilige opvoedsituatie met huiselijk geweld en is op zeer jonge leeftijd geconfronteerd met het overlijden van zijn moeder. Ook de vele verlieservaringen doordat hij steeds moest wisselen van woonplaats, waren traumatisch voor hem. Door zijn trauma’s heeft hij geen stabiele basis gekend en loopt zijn sociaal emotionele ontwikkeling achter. Sinds april 2024 verblijft [de minderjarige] in het [het gezinshuis] . Het gaat daar niet goed met hem. Zo is, aldus de orthopedagoog van het [het gezinshuis] , gebleken dat de setting in het [het gezinshuis] , met zeven huisgenoten te intens is voor hem. [de minderjarige] heeft 1-op-1 begeleiding nodig en die kan hem daar niet worden geboden. Zeker nu [de minderjarige] recent betrokken is geweest bij seksueel grensoverschrijdende incidenten en hij hulp en steun nodig heeft om dit te verwerken. Er moet dus een andere oplossing voor hem worden gezocht.

En hoewel de rechtbank de visie van de Raad deelt dat een dergelijke oplossing [de minderjarige] de opvoedsituatie moet bieden die past bij wat hij op de lange termijn nodig heeft, oordeelt zij dat niet nader onderzocht hoeft te worden waar [de minderjarige] moet worden geplaatst. Dat is al voldoende onderzocht. De rechtbank volgt hier het advies van het [het gezinshuis] dat die oplossing is gelegen in terugkeer naar de man. Zij weegt hier mee dat de orthopedagoog van het [het gezinshuis] ter zitting heeft benadrukt dat zij in de man de persoon ziet die [de minderjarige] kan bieden wat hij nodig heeft, ook de hulp en steun die hij nodig heeft om zijn trauma’s te verwerken. Dit alles maakt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het gezag wordt toegekend aan de man en dat er wordt gewerkt naar terugkeer naar de man. Zoals de man terecht aangeeft is het wel nodig om te onderzoeken hoe die terugkeer succesvol kan verlopen en wat daarvoor nodig is; hoe [de minderjarige] en de vader daarbij kunnen worden geholpen door de GI en het [het gezinshuis] .

Mocht worden geconcludeerd dat die hulp het best geboden kan worden in het kader van een ondertoezichtstelling, dan is er, doordat de man pas met het ouderlijk gezag wordt belast nadat hij [de minderjarige] heeft erkend, gelegenheid om daar alsnog om te verzoeken.

Omgangsregeling

Omdat, zoals blijkt uit het voorgaande, het in het belang van [de minderjarige] is dat terugkeer naar de man geleidelijk verloopt en de man pas belast kan worden met het gezag over [de minderjarige] nadat hij hem heeft erkend, acht de rechtbank het van belang voor de tussentijd een omgangsregeling vast te stellen. Zij stelt hierbij vast de regeling die sinds december 2025 geldt, namelijk dat de [de minderjarige] bij de man verblijft maandelijks van vrijdag 15.00 uur tot en met zondag 13.00 uur. Zij bepaalt daarbij tevens dat die regeling zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid in die zin dat in overleg tussen partijen op een voor [de minderjarige] passende wijze wordt toegewerkt naar terugkeer naar de man.

9. De beslissing

De rechtbank:

verleent de man (vervangende) toestemming tot de erkenning van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , als zijn kind;

bepaalt dat de man, onder de opschortende voorwaarde dat de erkenning van [de minderjarige] door de man heeft plaatsgevonden door het opmaken van een akte van erkenning door een ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

stelt vast als omgangsregeling dat [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , bij de man verblijft:

- maandelijks van vrijdag 15.00 uur tot en met zondag 13.00 uur, waarbij de regeling zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid zodat op een voor [de minderjarige] passende wijze wordt toegewerkt naar terugkeer naar de man;

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Arnhem;

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator beëindigd, tenzij tegen de afstammingsuitspraak een rechtsmiddel wordt ingesteld;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van der Lee, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. E.M. Beumer als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M. Beumer als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?