RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.289254.24
Datum uitspraak : 22 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] (Somalië),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. L.H. van der Grinten, advocaat in Eindhoven.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024 te Ermelo en/of Veldhoven en/of Riel en/of Doetinchem en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Sleeuwijk en/of Terheijden en/of Oirschot en/of Gorinchem en/of Zevenbergen en/of Moergestel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of
- [slachtoffer 6] (zaak 6) en/of
- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of
- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 13) en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 14) en/of
- [slachtoffer 12] (zaak 15) en/of
- [slachtoffer 13] (zaak 16)
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van één of meerdere bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of sieraden en/of zilveren service stukken en/of zilveren vorkjes en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed door:
(telkens) die [slachtoffer 1], die [slachtoffer 2], die [slachtoffer 3], die [slachtoffer 4], die [slachtoffer 5], die [slachtoffer 6], die [slachtoffer 7], die [slachtoffer 8], die [slachtoffer 9], die [slachtoffer 10], die [slachtoffer 11], die [slachtoffer 12] en/of die [slachtoffer 13]:
- telefonisch te benaderen en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker/ medewerker van de fraudehelpdesk en/of
- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op zijn/haar/hun bankrekening(en) en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van zijn/haar/hun bankrekening(en) af te halen/schrijven en/of dat niet verzekerd kan
worden dat de bankpas na een bepaalde datum nog werkzaam is en/of dat er bij een inbraak een briefje is gevonden met (het) adres(sen) van slachtoffer(s) en/of dat er een cyber aanval aankomt en/of
- te vragen of er sieraden en/of (een) geldbedrag(en) in de woning aanwezig zijn en/of aan te geven dat men in de woning(en) wilt kijken om te zien wat eraan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn en/of
- te zeggen dat er een bankmedewerker langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) op te halen en/of
- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of
- te vragen om zijn/haar/hun bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) af te geven en/of
- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode(s) bij een pinautomaat geld te pinnen;
Feit 2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024 te Ermelo en/of Veldhoven en/of Riel en/of Doetinchem en/of Breda en/of Sleeuwijk en/of Terheijden en/of Oirschot en/of Gorinchem en/of Zevenbergen en/of Moergestel en/of Etten-Leur, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 10.500,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan
- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of
- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of
- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 13) en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 14) en/of
- [slachtoffer 12] (zaak 15) en/of
- [slachtoffer 13] (zaak 16)
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 10.500,- euro) te pinnen;
Feit 3
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Breda
één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Eindhoven
één of meerdere sieraden, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Aangevers [slachtoffer 1] (zaak 1), [slachtoffer 2] (zaak 2), [slachtoffer 3] (zaak 3), [slachtoffer 4] (zaak 4), [slachtoffer 5] (zaak 5), [slachtoffer 7] (zaak 7), [slachtoffer 8] (zaak 8), [slachtoffer 9] (zaak 12), [slachtoffer 10] (zaak 13), [slachtoffer 11] (zaak 14), [slachtoffer 12] (zaak 15) en [slachtoffer 13] (zaak 16) zijn in de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024 in Ermelo, Veldhoven, Riel, Doetinchem, Breda, Etten-Leur, Sleeuwijk, Terheijden, Oirschot, Gorinchem, Zevenbergen dan wel Moergestel via hun huistelefoon benaderd door iemand die zich voordeed als bankmedewerker. De zogenaamde bankmedewerker gaf aan dat er frauduleuze handelingen waren gepleegd of geprobeerd te plegen op hun bankrekening en/of dat er een (groot) geldbedrag van hun bankrekening was afgeschreven en/of dat niet verzekerd kan worden dat de bankpas na een bepaalde datum nog werkzaam is en/of dat er bij een inbraak een briefje is gevonden met het adres van de aangever zodat er geld van de rekening afgehaald kon worden en/of dat er een cyberaanval op de rekening van aangever zou komen. Vervolgens werd door de ‘bankmedewerker’ in een aantal gevallen gevraagd of er sieraden en/of een geldbedrag in de woning aanwezig was/waren en dat men in de woning wil kijken om te zien wat er aan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn. Vervolgens werd gezegd dat er een bankmedewerker langs zou komen om te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag op te halen. Aan een aantal aangevers werd gevraagd hun pinpas in een envelop te doen en hun pincode erbij te doen en die envelop aan die bankmedewerker te geven.
Even later kwam de zogenaamde bankmedewerker bij en in de woning van de aangevers. De aangevers hebben aan die bankmedewerker hun pinpas, pincode en/of sieraden, geld en/of zilveren servies afgegeven.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair.
Ten aanzien van zaak 6 (aangever [slachtoffer 6]) onder feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van de aangifte, waaruit blijkt dat er lang telefonisch contact is geweest met een van de oplichters, kan worden bewezen dat verdachte medepleger is van de oplichting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1. De rol van verdachte bestond uit het aan de deur gaan bij de aangevers en het pinnen van geld, waarbij alleen dat laatste in de tenlastelegging is opgenomen. Deze tenlastegelegde handeling is van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een wezenlijke/materiële bijdrage aan dit feit zoals vereist voor medeplegen. Daarbij komt dat de oplichtingen ook reeds waren voltooid op het moment dat verdachte met de uit oplichting verkregen bankpassen pinde.
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van feiten 2 en 3 aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Verdachte heeft verklaard dat hij bij veel aangevers in de woning is geweest om de goederen van de aangevers mee te nemen.
Ook heeft verdachte verklaard dat hij in de zaken 1, 2, 4, 13 en 15 heeft gepind met de pinpas van de aangevers. Aan verdachte werd tijdens deze handelingen continu via de telefoon verteld wat hij moest doen. In de zaken 5, 7, 8, 12, 14, 15 en 16 hebben verbalisanten verdachte herkend als zijnde de pinner. De pinner in zaak 3 heeft verbalisant herkend als dezelfde op de beelden in de zaken 1, 2 en 4.
In de zaken 12 en 14 herkende verdachte zichzelf op de camerabeelden van de pintransactie.
Medeplegen
Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd, zoals de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de rol van de verdachte in veel van de onder dit feit ten laste gelegde zaken was dat hij zich in de woning van de aangevers voordeed als bankmedewerker en daar goederen en bankpassen en pincodes heeft opgehaald. Dit betreft een cruciaal onderdeel van de oplichting. Verder heeft verdachte in alle zaken een belangrijke rol gespeeld in de afhandeling van het delict door met de bankpassen van aangevers te gaan pinnen. Ook in de zaken waarin uit de bewijsmiddelen alleen blijkt dat verdachte de pinner is geweest acht de rechtbank medeplegen van oplichting bewezen. Het plegen van een dergelijke oplichting vergt een gezamenlijke planmatige aanpak, intensieve en nauwe samenwerking en duidelijke afstemming tussen de verschillende daders. Zij verrichten namelijk handelingen die tegelijkertijd of kort na elkaar plaatsvinden en die moeten worden afgestemd om de bankhelpdeskfraude tot een geslaagd einde te kunnen brengen. De verdachte heeft ook zelf aangegeven dat hij tijdens het pinnen in nauw (telefonisch) contact stond met zijn mededader(s). Verdachte was als pinner bovendien een noodzakelijke en wezenlijke schakel voor het bereiken van het - naast het afgeven van kostbaarheden - einddoel van de oplichting, namelijk het in korte tijd zoveel mogelijk geld van de bankrekeningen van de slachtoffers halen. De rol van verdachte is hiermee van zodanig gewicht geweest, dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de oplichting. Daartoe is niet van belang dat op het moment van het pinnen de (overige) uitvoeringshandelingen van de oplichtingen reeds door verdachte en/of zijn mededaders waren voltooid. Het medeplegen kan, zoals hierboven weergegeven, ook worden gedestilleerd uit de rol van verdachte in de afhandeling van het delict. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 1.
De rechtbank kan op basis van het dossier de betrokkenheid van verdachte bij zaak 6 niet vaststellen. Het signalement van de persoon die bij aangeefster binnen is geweest is onvoldoende specifiek. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 33 en 34;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 101 en 102;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], p. 133 en 134;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4], p. 146 t/m 148;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], p. 192;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] , 304 en 305;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8], p. 335 en 336;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9], 393 en 394;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10], 423 en 424;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 11], p. 445 t/m 447;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 12], p. 456 en 457;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 13], p. 471 en 472;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 248 en 249;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 250.
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 520 en 521;
- het aanvullend proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 5.
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 312;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 343;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 415;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 432;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 438;
- het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 479;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2025.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de diefstallen in vereniging heeft gepleegd.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], p. 192;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2025.
De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de sieraden van [slachtoffer 5] heeft weggenomen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024 te Ermelo en/of Veldhoven en/of Riel en/of Doetinchem en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Sleeuwijk en/of Terheijden en/of Oirschot en/of Gorinchem en/of Zevenbergen en/of Moergestel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of
- [slachtoffer 6] (zaak 6) en/of
- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of
- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 13) en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 14) en/of
- [slachtoffer 12] (zaak 15) en/of
- [slachtoffer 13] (zaak 16)
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van één of meerdere bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of sieraden en/of zilveren serviesstukken en/of zilveren vorkjes en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed door:
(telkens) die [slachtoffer 1], die [slachtoffer 2], die [slachtoffer 3], die [slachtoffer 4], die [slachtoffer 5], die [slachtoffer 6], die [slachtoffer 7], die [slachtoffer 8], die [slachtoffer 9], die [slachtoffer 10], die [slachtoffer 11], die [slachtoffer 12] en/of die [slachtoffer 13]:
- telefonisch te benaderen en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker/ medewerker van de fraudehelpdesk en/of
- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op zijn/haar/hun bankrekening(en) en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van zijn/haar/hun bankrekening(en) af te halen/schrijven en/of dat niet verzekerd kan
worden dat de bankpas na een bepaalde datum nog werkzaam is en/of dat er bij een inbraak een briefje is gevonden met (het) adres(sen) van slachtoffer(s) en/of dat er een cyber aanval aankomt en/of
- te vragen of er sieraden en/of (een) geldbedrag(en) in de woning aanwezig zijn en/of aan te geven dat men in de woning(en) wilt kijken om te zien wat eraan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn en/of
- te zeggen dat er een bankmedewerker langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) op te halen en/of
- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of
- te vragen om zijn/haar/hun bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) af te geven en/of
- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode(s) bij een pinautomaat geld te pinnen;
Feit 2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024 te Ermelo en/of Veldhoven en/of Riel en/of Doetinchem en/of Breda en/of Sleeuwijk en/of Terheijden en/of Oirschot en/of Gorinchem en/of Zevenbergen en/of Moergestel en/of Etten-Leur, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 10.500,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan
- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of
- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of
- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of
- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 13) en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 14) en/of
- [slachtoffer 12] (zaak 15) en/of
- [slachtoffer 13] (zaak 16)
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 10.500,- euro) te pinnen;
Feit 3
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Breda één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
feit 2 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
feit 3:
diefstal
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. Met aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 2 subsidiair en feit 3 bepleit een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest (50 dagen), in combinatie met een taakstraf en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zogenoemde bankhelpdeskfraude. Verdachte en zijn mededaders hebben telefonisch contact gezocht met verschillende slachtoffers. Aan het slachtoffer werd voorgehouden dat de bank had ontdekt dat er mogelijk fraude werd gepleegd met de bankrekening van het slachtoffer en werd een helpende hand geboden. Verdachte en zijn mededaders hebben op die manier het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Door leugens en verzinsels hebben de daders verschillende slachtoffers ertoe aangezet om hun bankpassen en bijbehorende pincodes, en in sommige gevallen sieraden en/of zilveren servies af te geven. Met de verkregen bankpassen en pincodes werden vervolgens in rap tempo hoge geldbedragen gepind. Tegen de tijd dat de slachtoffers opmerkten dat er iets niet in orde was, waren zowel het geld als de daders verdwenen.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op deze doortrapte en slinkse wijze geld afhandig heeft gemaakt van meerdere kwetsbare slachtoffers op hoge leeftijd. Verdachte en zijn mededaders waren kennelijk maar uit op één ding: snel en makkelijk veel geld verdienen, waarbij op geen enkele wijze oog is geweest voor de kwetsbaarheid en de belangen van de slachtoffers. Door hun geraffineerde wijze van oplichting en diefstal hebben verdachte en zijn mededaders niet alleen waardevolle goederen en geld van de slachtoffers afgenomen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens zeer ernstig geschaad. De rechtbank vindt het erg kwalijk dat verdachte en zijn mededaders zich kennelijk niets hebben aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee zij de slachtoffers opzadelden. Uit de aangiftes en de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij ook nu nog de gevolgen van die daden ondervinden.
Uit het strafblad van verdachte van 10 september 2024 blijkt dat hij niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld.
De reclassering schrijft in haar rapport van 6 april 2025 dat het risico op herhaling laag-gemiddeld wordt geschat, omdat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis zich coöperatief en gemotiveerd heeft ingezet. Ook heeft hij in de afgelopen periode maatschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt door zijn opleiding te hervatten, werk te zoeken en is hij afspraakgetrouw gebleken richting de reclassering.De reclassering adviseert een voorwaardelijk veroordeling met reclasseringstoezicht, vanwege het laag-gemiddelde risico. Verdachte heeft de opgelegde gedragsinterventie (CoVa) positief afgerond en hij volgt onderwijs. Een gevangenisstraf zal het positieve ingezette traject met aangeleerde vaardigheden doorkruisen, wat mogelijk een negatief effect zal hebben op de ontwikkeling van verdachte en juist een recidiveverhogende uitwerking zou kunnen hebben.
Gelet op de ernst van de feiten kan de rechtbank echter niet anders dan volstaan met een gevangenisstraf van lange duur. Ondanks dat de rechtbank tot vrijspraak van één van de dertien zaken komt, vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest opleggen. Aan het voorwaardelijk deel zullen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden verbonden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
[slachtoffer 9]
De benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.728,- aan materiële schade (weggenomen sieraden en kosten voor de taxatie van die sieraden) en € 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materieel gevorderde schade, omdat de behandeling hiervan van een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging stelt dat een contra-expertise voor het vaststellen van de waarde van de sieraden op zijn plaats zou zijn.
Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schade die ziet op de weggenomen sieraden voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt. De verdediging heeft niet nader onderbouwd waarom aan de taxatiewaarde van de sieraden moet worden getwijfeld, dus de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe.
De kosten voor het opstellen van het taxatierapport kunnen worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van de schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 6.728,- kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 van het BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 10 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval datde benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 2 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 11.225,- aan materiële schade (weggenomen sieraden) en € 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materieel gevorderde schade, omdat de behandeling hiervan van een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging stelt dat een contra-expertise voor het vaststellen van de waarde van de sieraden op zijn plaats zou zijn.
Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen. De verdediging heeft niet nader onderbouwd waarom aan de taxatiewaarde van de sieraden moet worden getwijfeld, dus de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 11.225,- kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 11 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.695,- aan materiële schade en € 3.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 2.695,- kan worden toegewezen, omdat reeds € 1.800,- is vergoed. De gevorderde immateriële schade kan tot een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materieel gevorderde schade, omdat de behandeling hiervan van een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, gelet op het volgende. De verdediging stelt dat een contra-expertise voor het vaststellen van de waarde van de sieraden op zijn plaats zou zijn. De schadepost ‘extra bezoek of nazorg’ is onvoldoende onderbouwd. Verder is niet onderbouwd dat de bank de schade niet heeft vergoed.
Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ‘gestolen sieraden’ (€ 3.100,-), ‘gestolen geld contant’ (€ 500,-) en ‘gepind geld van rekening’ (€ 700,-) zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Uit het dossier blijkt niet dat de benadeelde partij een vergoeding van de bank heeft ontvangen voor het gepinde geld. Een gedeelte van de schadepost (ter zake de sieraden en het contante geld) van € 1.800,- is al wel vergoed door de verzekeraar en vordert benadeelde partij niet langer, zodat een bedrag van € 2.500,- zal worden toegewezen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Voor de schadepost ‘extra bezoek/nazorg’ (€ 195,-) bestaat, naast het ontbreken van enige onderbouwing, geen grondslag voor toewijzing. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 17 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 7]
De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.200,- aan materiële schade (gepind bedrag), vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat niet is onderbouwd dat de bank de schade niet heeft vergoed.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Uit het dossier blijkt niet dat de benadeelde partij al een vergoeding heeft ontvangen van de bank.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering van € 1.200,- kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 5 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 8]
De benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan immateriële schade en € 1.000,- aan affectieschade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen en dat de gevorderde affectieschade moet worden afgewezen.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval datde benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Affectieschade
Het bewezen verklaarde feit heeft niet geleid tot ernstig en blijvend letsel in de zin van artikel 6:107 BW bij het slachtoffer. De vordering tot vergoeding van affectieschade wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 7 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 11]
De benadeelde partij [slachtoffer 11] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 555,- aan materiële schade en
€ 1.000,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materieel gevorderde schade, nu in het voordeel van verdachte er vanuit moet worden gegaan dat de door de verzekeraar vastgestelde waarde ook het daadwerkelijke schadebedrag is.
Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat de waarde van de sieraden door een juwelier is getaxeerd op € 5.055,-, terwijl de schade-expert van de verzekering de waarde heeft vastgesteld op € 4.500,-. De rechtbank acht bij deze stand van zaken onvoldoende onderbouwd waarom bij het vaststellen van de schade moet worden uitgegaan van de hogere waarde uit het taxatierapport van de juwelier. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank acht de benadeelde partij in de gevorderde materiële schade dan ook niet-ontvankelijk.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 14 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.630,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden opgesplitst, zodat alleen de schadeloosstellingen worden meegerekend die onder verdachte ten laste zijn gelegd en bewezen worden verklaard.
De verdediging verzoekt geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de Rabobank een professionele partij is die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden voor zover het gaat om de schadeposten ‘[slachtoffer 12]’ (€ 700,-), ‘[slachtoffer 8]’ (€ 1.200,-), ‘[slachtoffer 5]-[slachtoffer 5]’ (€ 700,-), ‘[slachtoffer 2]-[slachtoffer 2] (€ 250,-), ‘[slachtoffer 1]-[slachtoffer 1] (€ 750,-) en ‘[slachtoffer 9]-[slachtoffer 9] (€ 500,-). Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Voor wat betreft de gevorderde onderzoekskosten overweegt de rechtbank als volgt. Voor de acht gevorderde materiële schadeposten is in totaal € 1.080,- aan onderzoekskosten gevorderd. De rechtbank zal per toegewezen schadepost € 135,- (1.080 / 8) toewijzen. Dat komt neer op een totaal van (6 x € 135,- =) € 810,-.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft bovengenoemde schadeposten (tot een bedrag van € 4.910,-) kan worden toegewezen.
Er is niet of onvoldoende gebleken dat de overige gevorderde materiële schade rechtstreeks is toegebracht door feit 2 subsidiair. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Verdachte is vanaf de respectievelijke data dat de benadeelde partij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld wettelijke rente verschuldigd en wel vanaf 27 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van € 700,-, vanaf 21 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van € 1.200, vanaf 30 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van 2024 € 700,- , vanaf 1 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van € 250,-, vanaf 25 september 2024 over het toegewezen bedrag van € 750,- en vanaf 23 juli 2024 over het toegewezen bedrag van € 700,-. Bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum is verdachte de wettelijke rente over de toegewezen onderzoekskosten van € 810,- verschuldigd vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 17 oktober 2024.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. De Rabobank heeft immers enerzijds uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel anderzijds een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd.
Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan materiële schade, te weten vergoeding van de gepinde bedragen aan aangevers [slachtoffer 4] (€ 500,-) en [slachtoffer 13] (€ 2.000,-) en € 240,- aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat uit de vordering niet blijkt dat de machtiging op het moment van ondertekening nog gold. De machtiging van de ondertekenaars dateert namelijk van 21 augustus 2024, terwijl de vordering op 31 maart 2025 pas is ondertekend.
Verder verzoekt de verdediging geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de [benadeelde 2] een professionele partij is die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.
Overweging van de rechtbank
Ontvankelijkheid
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de geldigheid van de machtiging aan de bankmedewerker van de [benadeelde 2]. Het enkele tijdsverloop is daarvoor niet voldoende, zeker niet nu het een algemene machtiging betreft om de bank te vertegenwoordigen die doorlopend geldig is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dan ook ontvankelijk.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten ‘[slachtoffer 4]-[slachtoffer 4]’ (€ 500,-) en ‘[slachtoffer 13]’ (€ 2.000,-) zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De rechtbank beschouwt de opgevoerde proceskosten (€ 240,-) gelet op de omschrijving als ‘onderzoekskosten’ en de verdere onderbouwing daarvan niet als proceskosten maar als kosten ter zake de vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Ook deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht dan ook aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft bovengenoemde schadeposten (tot een hoogte van € 2.740,-) kan worden toegewezen.
Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 november 2024 over het toegewezen bedrag van € 500,- en vanaf 2 september 2024 over het toegewezen bedrag van € 2.000,-.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. [benadeelde 2] heeft immers enerzijds uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel anderzijds een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.480,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat een machtiging ontbreekt. Niet kan worden vastgesteld dat de ondertekenaar bevoegd was de vordering in te dienen.
Verder verzoekt de verdediging geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de [benadeelde 3] een professionele partij is die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.
Overweging van de rechtbank
Ontvankelijkheid
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat de betreffende bankmedewerker van de [benadeelde 3], werkzaam als fraude specialist, gemachtigd is om de bank te vertegenwoordigen in deze procedure. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dan ook ontvankelijk.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten, bestaande uit vergoedingen voor gepinde bedragen aan [slachtoffer 10] (€ 1.000) en [slachtoffer 11] (€ 1.000) en onderzoekskosten (€ 480), zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft bovengenoemde schadeposten (tot een hoogte van € 2.480,-) kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf de respectievelijke data dat de benadeelde partij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld wettelijke rente verschuldigd en wel vanaf 28 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van € 1.000,- en vanaf 15 augustus 2024 over het toegewezen bedrag van € 1.000,-. Bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum is verdachte de wettelijke rente over de toegewezen onderzoekskosten van € 480,- verschuldigd vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 29 oktober 2024.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. [benadeelde 3] heeft immers enerzijds uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel anderzijds een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de telefoon Apple 14/15 (goednummer PL0600-2024330093-3288022) met behulp waarvan feiten 1, 2 en 3 zijn begaan verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
1. [slachtoffer 9] € 7.728,- 61 dagen
2. [slachtoffer 4] € 1.000,- 17 dagen
3. [slachtoffer 2] € 12.225,- 81 dagen
4. [slachtoffer 3] € 3.500,- 38 dagen
5. [slachtoffer 7] € 1.200,- 19 dagen
6. [slachtoffer 8] € 1.000,- 17 dagen
7. [slachtoffer 11] € 1.000,- 17 dagen
8. [benadeelde 1] € 4.910,- 50 dagen
9. [benadeelde 2] € 2.740,- 31 dagen
10. [benadeelde 3] € 2.480,- 29 dagen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich binnen drie dagen meldt bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven of via telefoonnummer 088-8041504. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- verdachte een opleiding richting zakelijke administratie bij Summacollege te Eindhoven of bij een soortgelijke instelling volgt en zich inspant voor het vinden en behouden van een betaalde bijbaan, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- verdachte de aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven opvolgt;
stelt als overige voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de hieronder genoemde benadeelde partijen van de volgende bedragen aan materiële schade/smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [slachtoffer 9] € 7.728,-juli 204
2. [slachtoffer 4] € 1.000,- juli 2024
3. [slachtoffer 2] € 12.225,- juli 2024
4. [slachtoffer 3] € 3.500,- juli 2024
5. [slachtoffer 7] € 1.200,- augustus 2024
6. [slachtoffer 8] € 1.000,- augustus 2024
7. [slachtoffer 11] € 1.000,- augustus 2024
8. [benadeelde 1] € 4.910,- augustus 2024 € 700,-
21 augustus 2024 € 1.200,-
30 augustus 2024 € 700,-
1 augustus 2024 € 250,-
25 september 2024 € 750,-
23 juli 2024 € 700,-
17 oktober 2024 € 810,-
9. [benadeelde 2] € 2.740,- november 2024 € 500,-
2 september 2024 € 2.000,-
10. [benadeelde 3] € 2.480,- augustus 2024 € 1.000,-
15 augustus 2024 € 1.000,-
29 oktober 2024 € 480,-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 3], [slachtoffer 8], [slachtoffer 11] en [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd de telefoon Apple 14/15 (goednummer PL0600-2024330093-3288022).