RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.289234.24
Datum uitspraak : 22 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] (Somalië),
wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat in Harderwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Weurt en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of- [slachtoffer 2] (zaak 9) en/of- [slachtoffer 3] (zaak 10) en/of- [slachtoffer 4] (zaak 11) en/of- [slachtoffer 5] (zaak 12)heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van één of meerdere bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed door: (telkens) die [slachtoffer 1], die [slachtoffer 2], die [slachtoffer 3], die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5]:- telefonisch te benaderen en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker/ medewerker van de fraudehelpdesk en/of- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op zijn/haar/hun bankrekening(en) en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van zijn/haar/hun bankrekening(en) af te halen/schrijven en/of de bankpas(sen) nodigte hebben voor onderzoek en/of dat familieleden op het politiebureau verblijven en/of- te vragen of er sieraden en/of (een) geldbedrag(en) in de woning aanwezig zijn en/of aan te geven dat men in de woning(en) wilt kijken om te zien wat eraan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn en/of- te zeggen dat er een bankmedewerker langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) op te halen en/of- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of- te vragen om zijn/haar/hun bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) af te geven en/of - met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode(s) bij een pinautomaat geld tepinnen;
Feit 2 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 3200,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of- [slachtoffer 2] (zaak 9) en/of- [slachtoffer 4] (zaak 11) en/of- [slachtoffer 5] (zaak 12)in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 3200,- euro) te pinnen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 3200,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of- [slachtoffer 2] (zaak 9) en/of- [slachtoffer 4] (zaak 11) en/of- [slachtoffer 5] (zaak 12)in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 3200,- euro) te pinnen,
tot en/of bij welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door die [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven daders (telkens) in een auto naar (de omgeving van) voornoemde bankautomaten/betaalautomaten te vervoeren.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de oplichtingen (feit 1) en het medeplegen van de diefstallen (feit 2 primair) door als chauffeur te fungeren bij bankhelpdeskfraude. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat algemeen bekend is dat bij bankhelpdeskfraude er snel geschakeld moet worden, wat een nauwe een bewuste samenwerking vereist. Er is een bestand met de telefoonnummers van de slachtoffers en terwijl die gebeld worden moet er zo snel mogelijk een chauffeur naar het adres van het slachtoffer rijden. Vervolgens gaat één van de mededaders het huis van het slachtoffer binnen om daar de (waardevolle) goederen van het slachtoffer op te halen. Die mededader moet vervolgens zo snel mogelijk naar een pinautomaat worden gebracht om daar met de pinpas van het slachtoffer geld op te nemen. Daarna wordt de buit gedeeld. Gelet op deze omstandigheid is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met de chauffeur.
Ten aanzien van zaak 11 (aangever [slachtoffer 4]) heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van de aangifte en de zendmastgegevens, waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte in Nuland was, kan worden bewezen dat verdachte als chauffeur betrokken was bij de strafbare feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 en feit 2 primair, omdat verdachte niet als medepleger van de oplichting en de diefstal kan worden aangemerkt.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair geldt daarnaast dat verdachte in zaak 1 (aangever [slachtoffer 1]) vooraf niet wist dat er een strafbaar feit zou worden gepleegd. Ook in zaak 11 heeft verdachte geen aandeel gehad. Hij moet dan ook geheel worden vrijgesproken ten aanzien van zaak 1 en 11. Verder refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de medeplichtigheid.
De beoordeling door de rechtbank
Vrijspraak feit 1 en feit 2 primair: geen medeplegen
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de rol van verdachte bij de zogenoemde ‘bankhelpdeskfraude’ uitsluitend die van chauffeur is geweest. Niet is gebleken dat verdachte anderszins een significante bijdrage heeft geleverd aan de hem ten laste gelegde feiten. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt immers niet dat verdachte een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding of uitvoering van de delicten, bijvoorbeeld doordat hij slachtoffers heeft gebeld, bij de woningen van de aangevers naar binnen is geweest of dat hij met de ontfutselde pinpassen heeft gepind. Van een intellectuele bijdrage is evenmin gebleken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste significante bijdrage aan de feiten niet is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde.
Feit 2 subsidiair: medeplichtigheid
Aangevers [slachtoffer 5], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan van bankhelpdeskfraude, oplichting dan wel diefstal.
Aangever [slachtoffer 2] (zaak 9) heeft verklaard dat op 18 mei 2024, tijdens een telefoongesprek met iemand die zich voordeed als bankmedewerker, een man bij zijn woning in [plaats 1] kwam. Aangever gaf aan deze man drie van zijn pinpassen in een envelop en de man nam de envelop mee. Vervolgens zag aangever dat diezelfde dag onder andere een bedrag van 700 euro van zijn rekening was verdwenen. Er was bij de Geldmaat in de Albert Heijn aan de [adres 2] in [plaats 1] gepind.
Verdachte heeft verklaard dat hij iemand ergens in een wijk in [plaats 1] heeft afgezet en daarna bij de Albert Heijn. Verdachte wist die dag in [plaats 1] er van af (de rechtbank begrijpt: van de diefstal). Aan verdachte werd toegezegd dat hij voor deze rit 50 euro voor benzinekosten zou krijgen.
Aangeefster [slachtoffer 5] (zaak 12) heeft verklaard dat op 10 juli 2024, tijdens een telefoongesprek met iemand die zich voordeed als bankmedewerker, een man in haar woning in [plaats 2] kwam en onder andere een envelop met haar pinpas meenam. Later die dag zag aangeefster op haar bankafschrift dat een bedrag van 500 euro was gepind bij de Geldmaat in [plaats 2].
Op de camerabeelden bij de Geldmaat in [plaats 2] is te zien dat op 10 juli 2020 om 20.15 uur een lichtgrijze personenauto aan komt rijden en dat er een persoon uitstapt die naar de Geldmaat loopt en vervolgens bij de Geldmaat bezig is.
Verdachte heeft verklaard dat hij een grijze Mazda heeft en dat hij op 10 juli [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) heeft weggebracht naar [plaats 2]. Hij wist dat [medeverdachte] zich voor ging doen als bankmedewerker.
Aangeefster [slachtoffer 1] (zaak 1) heeft verklaard dat op 16 juli 2024, tijdens een telefoongesprek met iemand die zich voordeed als bankmedewerker, een man in haar woning in [plaats 3] kwam en dat zij haar pinpas in een envelop aan de man gaf en de man deze meenam. Aangeefster zag later dat diezelfde dag bij de Geldmaat aan de Stationsstraat in [plaats 3] 750 euro met haar pinpas was gepind. Op de camerabeelden bij de pinautomaat is te zien dat op 16 juli 2024 om 14.33 uur een Mazda met kenteken [kenteken] aan kwam rijden en dat er een passagier uitstapte. De passagier liep naar de geldautomaat en verrichte daar handelingen.
Verdachte heeft verklaard dat de Mazda van hem is en dat hij [medeverdachte] ergens moest afzetten. [medeverdachte] kwam later terug en toen reden ze naar de pinautomaat.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat iedere keer dat hij ging pinnen, hij via de telefoon van de opdrachtgever te horen kreeg wat hij moest doen.
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen moet worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º van het wetboek van Strafrecht (verder Sr.), maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
De rechtbank is op basis van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn als (voorwaardelijk) opzet op de diefstallen door de mededaders steeds met de auto af te zetten bij de woningen van de aangevers en daarna bij de pinautomaten. Verdachte wist er bij de diefstal in [plaats 1] naar eigen zeggen van af. Op 10 juli 2024 wist hij dat [medeverdachte] zich voor ging doen als bankmedewerker. De verklaring van verdachte dat hij daarna op 16 juli 2024 niet van de bankhelpdeskfraude wist toen hij [medeverdachte] ergens moest afzetten, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde voor zaak 1, 9 en 12.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het gedeelte van de tenlastelegging van feit 2 subsidiair dat ziet op zaak 11 (aangever [slachtoffer 4]), omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte die dag als chauffeur fungeerde of op andere wijze medeplichtig is geweest.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 2, subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 3200,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan- [slachtoffer 1]s (zaak 1) en/of- [slachtoffer 2] (zaak 9) en/of - [slachtoffer 4] (zaak 11) en/of- [slachtoffer 5] (zaak 12)in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 3200,- euro) te pinnen,
tot en/of bij welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 16 juli 2024 te [plaats 3] en/of [plaats 1] en/of Nuland en/of [plaats 2], althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door die [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven daders (telkens) in een auto naar (de omgeving van) voornoemde bankautomaten/betaalautomaten te vervoeren.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 subsidiair:
medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 en feit 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (15 dagen). Verdachte is jong, heeft zich goed gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, heeft berouw getoond en hij was slechts medeplichtig. Subsidiair meent de verdediging dat daarnaast een taakstraf opgelegd kan worden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte is drie keer als medeplichtige behulpzaam geweest bij de uitvoering van bankhelpdeskfraude. Hij heeft iedere keer als chauffeur voor zijn mededaders gefungeerd. Door zijn handelen konden de mededaders bij de woningen van de slachtoffers naar binnen gaan en werd het mogelijk om nadien met de ontfutselde bankpassen en pincodes geldbedragen op te nemen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij het mogelijk heeft gemaakt dat anderen op zulke doortrapte en slinkse wijze geld afhandig hebben gemaakt van de kwetsbare slachtoffers op hoge leeftijd. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat aangevers financiële schade hebben opgelopen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens zeer ernstig geschaad. De rechtbank vindt het erg kwalijk dat verdachte zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de slachtoffers opzadelde. Uit de aangiftes en de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij ook nu nog de gevolgen van die daden ondervinden.
Uit het strafblad van verdachte van 10 september 2024 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De reclassering schrijft in haar rapport van 22 april 2025 dat verdachte goed heeft meegewerkt aan het toezicht. Hoewel verdachte openstaat voor verdere reclasseringsbemoeienis, ziet de zij hiertoe geen noodzaak. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en verdachte kent momenteel voldoende stabiliteit op de leefgebieden om zelfstandig zijn leven verder op te bouwen. Het advies luidt dan ook om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank wijkt bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het medeplegen.
Alles overwegende vindt de rechtbank een combinatie van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een onvoorwaardelijk taakstraf passend en geboden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 75 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 100 uren.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
[benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak vorderingen zijn ingediend die niet zien op aan verdachte tenlastegelegde feiten. Het betreft de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] De rechtbank verklaart deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering jegens verdachte, nu hun schade geen rechtstreeks verband houdt met enig bewezenverklaard strafbaar feit in de zaak jegens verdachte.
[slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in verband met feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.728,- aan materiële schade (weggenomen sieraden en kosten voor de taxatie van die sieraden) en € 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de rol van medeplichtige had en dus slechts in mindere mate aansprakelijk kan worden gesteld voor de geleden schade. Verdachte kan daardoor ook niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte onder feit 2 subsidiair rechtstreeks schade heeft geleden. Deze schade (€ 500,- aan gepind geld) vordert de benadeelde partij echter niet, zij is door de Rabobank aan de benadeelde partij vergoed. De schade die wel is gevorderd ziet op de meegenomen sieraden. Hiervoor geldt dat verdachte van het medeplegen aan de oplichting, zoals tenlastegelegd onder feit 1, is vrijgesproken. De rechtbank zal om die reden dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze.
De geleden schade staat in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, die medeplichtig is aan de diefstal door zijn mededaders te vervoeren naar de plaats van het delict. Dit vond plaats direct na afloop van de bankhelpdeskfraude, waar verdachte ook vanaf wist. Die oplichting stond ten dienste aan de diefstal. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 10 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, gelet op de in artikel 6:166 BW vastgelegde groepsaansprakelijkheid. Het verweer van de verdediging dat verdachte als medeplichtige in mindere mate aansprakelijk moet worden gesteld, gaat dus niet op. Hoeveel verdachte in de verdeling met zijn medeverdachte(n) in de schadevergoeding (uiteindelijk) moet bijdragen, is iets wat zijn in hun onderlinge verhouding moeten vaststellen. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.840,- aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan materiële en immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de rol van medeplichtige had en dus slechts in mindere aansprakelijk kan worden gesteld voor de geleden schade. Verdachte kan daardoor ook niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
Overweging van de rechtbank
Verdachte is vrijgesproken van feit 1. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.
[benadeelde 4]
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.630,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden opgesplitst, zodat alleen de schadeloosstellingen worden meegerekend die onder verdachte ten laste zijn gelegd en bewezen worden verklaard.
Verder moet de vordering in de schadepost ‘onderzoekskosten’ niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet inzichtelijk is gemaakt waar deze onderzoekskosten en -duur uit bestaan.
Subsidiair verzoekt de verdediging de onderzoekskosten enkel hoofdelijk toe te wijzen in de zaak waarin door toedoen van verdachte daadwerkelijk schade is geleden dan wel in de zaken waarbij verdachte betrokken is geweest.
De verdediging verzoekt geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de Rabobank een professionele partij is die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden voor zover het gaat om de schadeposten ‘[slachtoffer 2]’ (€ 700,-), ‘[slachtoffer 5]-[slachtoffer 5]’ (€ 500,-) en ‘[slachtoffer 1]-[slachtoffer 1]’ (€ 750,-), nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij deze bedragen heeft vergoed aan deze slachtoffers. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor wat betreft de gevorderde onderzoekskosten overweegt de rechtbank als volgt. Voor de acht gevorderde materiële schadeposten / slachtoffers is in totaal € 1.080,- aan onderzoekskosten gevorderd. De rechtbank zal per toegewezen schadepost € 135,- (1.080 / 8) toewijzen. Dat komt jegens verdachte neer op een totaal van € 405,-.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Ook in zijn rol van medeplichtige, gelet op de groepsaansprakelijkheid zoals vastgelegd in artikel 6:166 BW.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft bovengenoemde schadeposten (tot een bedrag van € 2.355,-) kan worden toegewezen.
Er is niet of onvoldoende gebleken dat de overige gevorderde materiële schade rechtstreeks is toegebracht door feit 2 subsidiair. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Verdachte is vanaf de respectievelijke data dat de benadeelde partij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld wettelijke rente verschuldigd, en wel vanaf 30 mei 2024 over het toegewezen bedrag van € 700,-, vanaf 23 juli 2024 over het toegewezen bedrag van € 500,- en vanaf 25 september 2024 over het toegewezen bedrag van € 750,- vanaf 25 september 2024. Bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum is verdachte de wettelijke rente over de toegewezen onderzoekskosten van € 405,- verschuldigd vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 17 oktober 2024.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op de voet van artikel 6:166 BW. Hoeveel verdachte in de verdeling met zijn medeverdachte(n) in de schadevergoeding (uiteindelijk) moet bijdragen, is iets wat zijn in hun onderlinge verhouding moeten vaststellen. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. De Rabobank heeft immers enerzijds uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel anderzijds een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 48, 49 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 60 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 2.355,- aan materiële schade. € 700,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2024, € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2024, € 750 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 en € 405 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.
Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 33 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.