RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11924473 \ HA VERZ 25-159
Beschikking van 19 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MELKWEG HOLLAND B.V.,
gevestigd te De Klomp,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Melkweg,
gemachtigde: mr. S.I. Janssen,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Melkweg heeft een verzoekschrift met 36 producties ingediend dat op
13 oktober 2025 door de griffie van de rechtbank is ontvangen. Op 7 november 2025 heeft Melkweg de aanvullende producties 37 tot en met 43 ingediend, waarna Melkweg op
10 november 2025 een correctie op productie 37 heeft gegeven. Op 13 november 2025 heeft Melkweg de aanvullende producties 44 en 45 ingediend.
[verweerder] heeft bij verweerschrift van 4 november 2025 met 37 producties op het verzoekschrift gereageerd. Op 10 november 2025 heeft [verweerder] een akte met de producties 38 tot en met 45 overgelegd en op 13 november 2025 de aanvullende productie 46.
De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden.
Hierbij waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens Melkweg aanwezig, bijgestaan door mr. S.I. Janssen. [verweerder] was in persoon aanwezig, vergezeld door zijn vrouw.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van Melkweg en [verweerder] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Bij e-mail van 21 november 2025 hebben partijen laten weten dat ze er niet in geslaagd zijn om tot een minnelijke regeling te komen. Als gevolg daarvan is de datum van beschikking op heden bepaald.
2. De feiten
Op 1 september 2020 is [verweerder] reeds bij Melkweg in dienst getreden.
Deze arbeidsovereenkomst is, door middel van een minnelijke regeling, per 1 mei 2023 geëindigd.
Op 1 maart 2024 is een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Melkweg tot stand gekomen. [verweerder] is per de voornoemde datum voor 40 uur per week en voor bepaalde tijd bij Melkweg in dienst getreden. Laatstelijk is [verweerder] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van Trader, tegen een salaris van € 9.000,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag, dertiende maand en een mogelijke bonus van € 75.000,00 bruto (minus de dertiende maand in dat geval).
In de arbeidsovereenkomst is, voor zover van belang, bepaald:
14. (…)
De werknemer verbindt zich, op straffe van een direct opeisbare schadevergoeding van
€ 100.000,00, de vertrouwelijke aard der zakelijke aangelegenheden te handhaven en zich te onthouden van het doen van mededelingen, van welke aard ook, met betrekking tot de zakelijke aangelegenheden, daaronder begrepen alle relaties van de werkgever, die hem in zijn werkzaamheden bekend worden, zowel gedurende de tijd dat de arbeidsverhouding tussen de partijen in stand blijft, als daarna.
Op 12 juni 2025 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), directeur van Melkweg, de volgende tussen hem en [verweerder] gemaakte afspraken schriftelijk vastgelegd:
(…)
Je vroeg mij meer vrijheid om je mening over het Gaza-conflict te geven. Dit is een onderwerp wat voor jou en voor mij heel gevoelig ligt, met uiteenlopende meningen, terwijl wij ethisch over de meeste dingen identiek denken.
Ik ga niet over je privé leven, dus ik geef je hierbij de vrijheid om op sociale media je mening te uiten, strict vanuit je persoonlijke accounts / telefoonnummer. Hierbij moet elke associatie met Melkweg uitgesloten worden.
Bovenstaand conflict roept wereldwijd enorme emoties op, en ik kan niet toestaan dat dit conflict binnen Melkweg geïmporteerd wordt.
Op de werkvloer verzoek ik je dan ook om je terughoudend te blijven opstellen. Het is niet verboden om je mening te geven, maar ik wil je dringend verzoeken niet heel actief hierover gesprekken aan te gaan. Het ligt bij mij gevoelig, en zo houden wij rekening met elkaar.
(…)
Eind augustus 2025 heeft [verweerder] via WhatsApp op zijn zakelijke telefoon zijn mening over het conflict in Gaza geuit. Hierop heeft [betrokkene 1] op 29 augustus 2025 het volgende bericht naar [verweerder] gestuurd:
[verweerder]
Wij hadden afgesproken dat je uitingen over de Gaza situatie privé zou houden. Nu staat het op al je appjes die je namens Melkweg stuurt. Wil je dit verwijderen?
[verweerder] heeft hierop met een betoog richting [betrokkene 1] gereageerd en hem een YouTube filmpje over het onderwerp toegestuurd.
Op 9 september 2025 heeft [verweerder] in de groepsapp van de afdeling Commercie het volgende bericht gestuurd:
Zaken doen met een land dat op zo’n grote schaal genocide pleegt, zouden we niet moeten doen. Dit staat heel ver af van waar wij voor staan. Was dit Syrië of een Afrikaans land geweest, dan was een dergelijke deal ondenkbaar.
Nadat [betrokkene 1] op voornoemd bericht gereageerd had, stuurde [verweerder] op
10 september 2025 het volgende bericht in de groepsapp van de afdeling Commercie:
Dit is waarvoor ik sta, en ik voel me geroepen om me tegen de dubbele standaard binnen Melkweg uit te spreken. Als dit Rwanda was geweest, was het ondenkbaar om deze zaak te doen. Iedereen binnen Melkweg zou hier vragen over stellen en verontwaardigd zijn. Het is mijn stijl om dit direct te doen en niet achterom of in de wandelgangen. Ik hou mijn rug recht, dit is wie ik ben en dit is voor ik sta. Ik heb me eenmalig hierover uitgesproken, en hier laat ik het bij.
Op 9 september 2025 heeft [verweerder] via Whatsapp het volgende bericht naar zijn collega [betrokkene 3] gestuurd:
We do not trade with a genocidal state
Pedro Sánchez
Prime Minister of Spain
Op 12 september 2025 om 17:33 uur heeft [verweerder] per e-mail het volgende bericht naar alle medewerkers van Melkweg gestuurd:
Lieve collega’s,
Deze week heb ik in een interne communicatie mijn afschuw en verbijstering gedeeld over ons voornemen om melkpoeder te leveren aan een klant in Israël.
Elke dag zien we de verschrikkelijke beelden van de afslachting van kinderen door Israël. Inmiddels gaat het om tienduizenden, en het blijft maar doorgaan. Als het een Afrikaans land was geweest dat deze genocide pleegde, zou het ondenkbaar zijn dat Melkweg daar melkpoeder aan zou leveren. Waarom deze dubbele standaard? Waar is onze medemenselijkheid?
Ik schaam me diep voor het totale gebrek aan reflectie en moreel kompas binnen Melkweg om melkpoeder te leveren aan een klant in Israël. Wij hebben geen bank of regering nodig die ons via een sanctiebeleid vertelt wat goed of fout is.
In de 33 jaar dat ik leef, heb ik nog nooit een genocide van deze omvang meegemaakt; ik ken dit alleen uit de geschiedenisboeken. Ik ben helaas niet in staat om deze levering te stoppen, maar wat ik wél kan doen, is mij hierover uitspreken – ondanks de enorme druk die ik binnen Melkweg ervaar om hierover te zwijgen.
[verweerder]
Bij e-mail van 12 september 2025 te 20:08 uur heeft [verweerder] het volgende bericht naar Melkweg gestuurd:
Beste [betrokkene 2] ,
Hierbij dien ik mijn ontslag in.
Het is voor mij onmogelijk om bij Melkweg te werken dat zakendoet met een land (Israël) dat een ongekende genocide pleegt op kinderen en volwassenen.
Ik moet mijn contract nog nakijken, maar ik verwacht dat mijn laatste werkdag 15 november of 15 januari 2026 zal zijn.
Uiteraard zal ik meewerken voor een fluïde overdracht van werkzaamheden en het inleveren van Melkweg spullen.
Groet,
[verweerder]
Op 17 september 2025 heeft [verweerder] naar [betrokkene 1] en minstens nog één andere collega een bericht over Israëlische scherpschutters gestuurd.
Op 23 september 2025 heeft [verweerder] op LinkedIn een bericht geplaatst over het conflict in Gaza.
Op 28 september 2025 heeft [verweerder] een spraakbericht over het conflict in Gaza naar [betrokkene 1] gestuurd.
3. Het verzoek en het verweer
Melkweg verzoekt
een verklaring voor recht te geven dat de arbeidsovereenkomst op 12 september 2025 door [verweerder] is opgezegd en daarmee door hem beëindigd is;
een verklaring voor recht te geven dat [verweerder] bedoeld heeft de arbeidsovereenkomst per 15 november 2025 te laten eindigen en dat de beëindiging van het dienstverband dan ook per 15 november 2025 heeft plaatsgevonden;
voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds door [verweerder] is opgezegd, deze te ontbinden op een zo kort mogelijke termijn, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en/of subsidiair ingevolge artikel 7:669 lid 3 sub g BW en of meer subsidiair ingevolge artikel 7:669 lid 3 sub i BW;
primair en (meer)subsidiar
[verweerder] te gebieden de vertrouwelijke aard der zakelijke aangelegenheden te handhaven (zie ook artikel 14 van de arbeidsovereenkomst) én dat hij zich zal onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over Melkweg richting anderen, waaronder maar niet uitsluitend (ex)collega’s, klanten en relaties van Melkweg, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding;
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt de kantonrechter het verzoek van Melkweg tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen, dan wel bij toewijzing hiervan Melkweg te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en billijke vergoeding, het concurrentiebeding buiten werking te stellen en de bonus over 2025 uit te keren.
Op hetgeen Melkweg aan haar verzoeken ten grondslag heeft gelegd, alsmede het verweer dat [verweerder] hiertegen gevoerd heeft, wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Is de arbeidsovereenkomst geëindigd door de opzegging van [verweerder] ?
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of door de e-mail die [verweerder] op
12 september 2025 aan Melkweg heeft gezonden een einde is gekomen aan de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Ten aanzien hiervan overweegt de kantonrechter als volgt.
In geval van opzegging van de arbeidsovereenkomst door een werknemer geldt op grond van vaste rechtspraak dat allereerst een ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ verklaring van de werknemer vereist is die gericht is op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Deze strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die de opzegging van het dienstverband kan hebben, zoals het verlies van inkomen en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name het recht op een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal een werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht op beëindiging van de dienstbetrekking in overeenstemming is met diens werkelijke wil. Als er voor de werkgever reden is te twijfelen aan de met de verklaring overeenstemmende wil van de werknemer, rust op de werkgever – onder omstandigheden zelfs bij een duidelijk en ondubbelzinnige wilsverklaring – een onderzoeksplicht, alsmede de verplichting om de werknemer over de mogelijke gevolgen van de opzegging voor te lichten.
De kantonrechter overweegt allereerst dat [verweerder] in zijn e-mail van
12 september 2025 weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij zijn ontslag indient, maar over de einddatum, een van de essentialia van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, niet duidelijk is geweest. In zijn e-mail schrijft hij immers dat hij zijn contract nog moest nakijken, maar dat hij verwacht dat dat zijn laatste werkdag
15 november 2025 of 15 januari 2026 zal zijn. Hoewel er dus duidelijk instaat dat hij zijn ontslag indient, is de opzegging verder niet helder voor wat betreft de einddatum. Daarnaast kan uit het gegeven dat [verweerder] schrijft dat hij zijn contract nog moet nakijken worden afgeleid dat hij kennelijk de e-mail heeft verstuurd, voordat hij zich heeft vergewist van de rechten en plichten die voortvloeien uit de gesloten arbeidsovereenkomst. Op basis van de inhoud van de e-mail waren er aanwijzingen dat [verweerder] wellicht niet de bedoeling had om ontslag te nemen. Dit geldt temeer nu de ontslagname voor [verweerder] duidelijk nadeel met zich meebrengt. Door [verweerder] is immers – onweersproken – gesteld dat hij vader is van vier jonge kinderen en kostwinner voor zijn gezin. Daarnaast ondersteunt [verweerder] zijn ouders financieel. Ook raakt [verweerder] , indien zijn ontslag stand houdt, het gebruik van zijn dienstauto en de uitkering van zijn bonus kwijt en kan het, als gevolg van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding, 12 tot 18 maanden duren voordat hij elders een vergelijkbare functie mag bekleden.
Behalve de inhoud van de e-mail en de gevolgen van de ontslagname, hadden de omstandigheden rond het versturen daarvan ook aanleiding moeten geven voor Melkweg om te onderzoeken of [verweerder] daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om ontslag te nemen. In dit kader speelt mee dat [verweerder] op vrijdag 12 september 2025 om 17:33 uur naar alle medewerkers van Melkweg een e-mail heeft gestuurd waarin hij zijn afschuw en verbijstering uitspreekt over het voornemen van Melkweg om melkpoeder te leveren aan een klant in Israël. Vervolgens heeft [verweerder] zijn e-mail waarin hij ontslag neemt op
12 september 2025 om 20:08 uur verzonden. [verweerder] heeft hierover verklaard dat hij de e-mail waarin hij ontslag neemt, heeft verstuurd kort nadat hij al zijn collega’s heeft bericht en zich nog steeds in een emotionele gemoedstoestand bevond. De e-mail was volgens hem impulsief gestuurd.
Melkweg mocht dus niet zomaar aannemen dat de verklaring van [verweerder] gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overeenstemming was met diens werkelijke wil. Melkweg had zich ervan moeten vergewissen dat [verweerder] inderdaad de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft beoogd. In feite heeft Melkweg dat ook gedaan, omdat zij hem direct na het weekend op maandagochtend 15 september 2025 heeft uitgenodigd voor een gesprek met [betrokkene 1] . Tijdens dit gesprek heeft [betrokkene 1] aan [verweerder] gevraagd of hij de opzegging in een opwelling had gedaan (randnummer 24 van het verzoekschrift). [verweerder] beaamde dit en heeft dat nadien ook per e-mail bevestigd (productie 24 bij verweerschrift).
Naar aanleiding van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het Melkweg voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de verklaring van [verweerder] niet overeenstemde met zijn werkelijke wil, althans mocht Melkweg niet gerechtvaardigd vertrouwen op deze verklaring van [verweerder] , zodat Melkwegde ontslagname door [verweerder] niet mocht beschouwen als een opzegging van de arbeidsovereenkomst.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is dan ook niet geëindigd door de opzegging hiervan door [verweerder] en de in dit kader door Melkweg gevorderde verklaringen voor recht komen niet voor toewijzing in aanmerking.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub e BW?
Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd door opzegging hiervan door [verweerder] , verzoekt Melkweg primair de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW.
Melkweg stelt in dit kader dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door keer op keer redelijke verzoeken en instructies van Melkweg als werkgever te negeren, dan wel hier bewust mee in strijd te handelen.
[verweerder] betwist dat sprake is van verwijtbaar handelen. Hij heeft steeds professioneel gehandeld, geen instructies van Melkweg genegeerd en zich op meerdere momenten coöperatief opgesteld. Verder is nooit sprake geweest van een officiële waarschuwing of enig dossier waaruit structureel wangedrag blijkt. Een enkel incident, voortkomend uit emotie en later door [verweerder] betreurd, kan niet leiden tot de kwalificatie verwijtbaar handelen.
In de kern gaat het om de vraag of [verweerder] door het sturen van e-mails naar collega’s en berichten in de (groeps)app, zoals (deels) onder de feiten opgenomen, jegens Melkweg verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, of dat tot ontbinding dient te leiden (of van Melkweg niet verlangd kan worden om de arbeidsovereenkomst voort te zetten).
Vooropgesteld wordt dat, zoals [verweerder] betoogt, hij recht heeft op vrije meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting is evenwel, ook in de arbeidsrelatie, niet onbegrensd. Zij vindt haar begrenzing in de verplichting van [verweerder] om zich als goed werknemer te gedragen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het Herbai-arrest (EHRM 5 november 2019, 11608/15, JAR 2020/18) een viertal aspecten benoemd die bij de beoordeling daarvan een rol spelen. Het gaat om de aard van de meningsuiting, de motieven van de werknemer, de schade die de werkgever door de uitingen lijdt en de zwaarte van de opgelegde sanctie. In dit kader overweegt de kantonrechter als volgt.
Uit de berichten die [verweerder] naar zijn collega’s heeft gestuurd, blijkt dat hij erg begaan is met de mensen die worden getroffen door het conflict in Gaza en zich er niet in kan vinden dat Melkweg (desondanks) zaken blijft doen met Israël. [verweerder] heeft zijn mening respectvol geformuleerd en zich niet kwetsend of opruiend uitgelaten.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] met deze berichten zijn persoonlijke standpunt wil uiten, vanwege zijn zorgen over de situatie in Gaza. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [verweerder] een ander persoonlijk doel of motief heeft met de uitingen die hij heeft gedaan, dat sprake is van persoonlijke wrok of financieel gewin. Tot slot is niet gesteld of anderszins gebleken dat Melkweg door deze berichten schade heeft geleden. Het delen van deze berichten valt daarom onder de vrijheid van meningsuiting van [verweerder] en had Melkweg dus moeten dulden, althans kunnen deze berichten niet leiden tot de sanctie van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen. Indien dat wel mogelijk zou zijn, zou het recht op vrije meningsuiting naar het oordeel van de kantonrechter – gelet op de in deze zaak vastgestelde feiten – teveel worden beperkt. Dit leidt ertoe dat het verzoek van Melkweg om de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub e BW te ontbinden niet wordt toegewezen.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub g BW?
Subsidiair verzoekt Melkweg de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:699 lid 3 sub g BW. In dit verband stelt Melkweg dat de opstelling van [verweerder] , alle incidenten met hem en zijn gebrek aan zelfinzicht ertoe hebben geleid dat de arbeidsverhouding inmiddels ernstig en duurzaam verstoord is, zodanig dat van Melkweg in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
[verweerder] betwist dat de arbeidsverhouding verstoord is. [verweerder] heeft namelijk herhaaldelijk gezocht naar herstel van de samenwerking en heeft voorstellen gedaan voor mediation, coaching, thuiswerken of herplaatsing. Verder heeft [verweerder] spijt betuigd voor het versturen van zijn e-mail over Gaza aan alle collega’s en aangeboden om aan de toon en vorm van zijn communicatie te gaan werken, bijvoorbeeld door het volgen van een cursus.
Melkweg heeft echter nagelaten om de mogelijkheden van herstel te onderzoeken en heeft direct aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De eventuele spanning is dan ook aan de zijde van Melkweg ontstaan en in stand gehouden.
Voor een ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding is vereist dat de verhouding zodanig is verstoord dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De arbeidsrelatie moet ernstig en duurzaam zijn verstoord en herstel daarvan niet mogelijk zijn.
Dat sprake is van enige verstoring in de arbeidsrelatie kan worden vastgesteld uit de gebeurtenissen vanaf 15 september 2025, de datum waarop Melkweg per e-mail heeft aangegeven dat de vertrouwensband dusdanig geschaad is dat doorgaan van [verweerder] bij Melkweg onmogelijk wordt (productie 17 bij verzoekschrift). Uit de nadien gevoerde gesprekken en correspondentie blijkt ook dat de verhoudingen niet optimaal (meer) zijn.
Met [verweerder] is de kantonrechter echter van oordeel dat Melkweg in het geheel niet heeft gesteld en onderbouwd hoe zij zich heeft ingespannen om tot herstel van de verhoudingen te komen. Op zijn beurt heeft [verweerder] in zijn e-mail van 15 september 2025 aangegeven dat hij bereid is om mee te werken aan een constructieve manier van samenwerken (productie 27 bij verweerschrift) en in een Whatsapp bericht van 16 september 2025 (productie 28 bij verweerschrift) dat het zijn inzet en streven is om samen met [betrokkene 1] een manier te vinden om verder te gaan. In een e-mail van 2 oktober 2025 (productie 35 bij verweerschrift) heeft [verweerder] zich bereid verklaard te investeren in een communicatiecursus of een andere relevante cursus die hem kan helpen beter met dit soort situaties om te gaan. In zijn e-mail van 11 oktober 2025 (productie 37 bij verweerschrift) geeft [verweerder] aan dat hij nog steeds openstaat om te werken aan zijn communicatie en de vorm daarvan, alsmede dat hij vanuit Melkweg geen gelegenheid heeft gekregen om zijn communicatie te verbeteren, bijvoorbeeld via coaching, begeleiding of een training.
Verder geeft [verweerder] aan dat hij bereid was tijdelijk vanuit huis te werken of desnoods een alternatieve functie binnen Melkweg te vervullen.
Melkweg is echter niet ingegaan op de voorstellen van [verweerder] en geeft, bijvoorbeeld in haar e-mail van 2 oktober 2025 (productie 33 bij verzoekschrift), aan dat haar vertrouwen in een goede samenwerking teveel en blijvend beschadigd is om nog met elkaar door te gaan.
Nadat [verweerder] op 12 september 2025 ontslag heeft genomen, maar hierover op
15 september 2025 aangaf dat hij dit in een opwelling had gedaan, lag het op de weg van Melkweg om zich, met volledige en onvoorwaardelijke medewerking van [verweerder] , in te spannen om de arbeidsrelatie te verbeteren. Dit heeft Melkweg nagelaten.
Integendeel, ondanks dat tussen partijen nog verschillende gesprekken gevoerd zijn, heeft Melkweg nooit opengestaan voor herstel van de arbeidsrelatie, maar heeft zij [verweerder] op 24 september 2025 eerst een vaststellingsovereenkomst aangeboden en toen hij hier niet mee instemde deze procedure aanhangig gemaakt.
Bij afwezigheid van enige inspanning tot herstel kan niet worden aangenomen dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring, zodanig dat niet van Melkweg kan worden gevergd dat de arbeidsrelatie voortduurt. Als gevolg hiervan wordt de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet ontbonden op grond van artikel 7:699 lid 3 sub g BW.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub i BW?
Ten slotte verzoekt Melkweg meer subsidiair om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub i BW. Melkweg stelt dat sprake is van een combinatie van omstandigheden, zodanig dat niet in redelijkheid van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De combinatie van omstandigheden bestaat eruit dat [verweerder] geen beginnend werknemer is en in die hoedanigheid zelf dient te laten zien dat hij over zelfreflectie beschikt. Dit laat [verweerder] na en hij heeft wekenlang vol gehouden dat hij zich binnen Melkweg blijft uiten over de situatie in Gaza.
[verweerder] betwist het voorgaande. De feiten zijn incidenteel, niet structureel en [verweerder] heeft deze opgevolgd met zelfreflectie en een oplossingsgerichte houding. Daarnaast betwist [verweerder] dat hij ooit gezegd heeft dat hij binnen Melkweg zal blijven spreken over Gaza.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Melkweg onvoldoende onderbouwd dat [verweerder] niet over zelfreflectie beschikt. Dit geldt temeer nu uit de e-mails van [verweerder] van, onder andere, 2 en 11 oktober 2025 blijkt dat hij bereid is om zijn communicatie te verbeteren met behulp van een training, coaching of begeleiding. Daarnaast is door Melkweg in het geheel niet onderbouwd dat [verweerder] heeft gezegd dat hij binnen Melkweg zal blijven spreken over Gaza, terwijl dit, gelet op de betwisting hiervan door [verweerder] , wel op haar weg lag.
De voornoemde omstandigheden kunnen dan ook niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:699 lid 3 sub i BW.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door opzegging hiervan door [verweerder] geëindigd. Verder komt de door Melkweg gevorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet voor toewijzing in aanmerking.
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen blijft bestaan en niet wordt toegekomen aan de verzoeken van [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en billijke vergoeding, het concurrentiebeding buiten werking te stellen en de bonus over 2025 uit te keren. [verweerder] heeft deze verzoeken immers voorwaardelijk gedaan, voor het geval de arbeidsovereenkomst wel ontbonden zou worden.
Handhaving vertrouwelijke aard der zakelijke aangelegenheden
Melkweg verzoekt primair en (meer) subsidiair om [verweerder] te gebieden de vertrouwelijke aard der zakelijke aangelegenheden te handhaven (zie ook artikel 14 van de arbeidsovereenkomst) én dat hij zich zal onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over Melkweg richting anderen, waaronder maar niet uitsluitend (ex)collega’s, klanten en relaties van Melkweg, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding.
In artikel 3:303 BW is bepaald dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Het is dus noodzakelijk dat degene die een vordering instelt hier nog een concreet belang bij heeft dat actueel en reëel is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Melkweg geen concreet en actueel belang bij dit verzoek.
Zoals hiervoor is overwogen, blijft de arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaan.
Als gevolg hiervan blijft [verweerder] gebonden aan de hierin tussen partijen gemaakte afspraken, waaronder hetgeen partijen in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. Nu Melkweg onvoldoende belang bij haar verzoek heeft, komt dit niet voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van Melkweg, omdat zij ongelijk krijgt. Melkweg wordt dan ook veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten aan [verweerder] .
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de verzoeken van Melkweg af;
veroordeelt Melkweg in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Melkweg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.