RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-153408-24
Datum uitspraak : 10 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] , in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te Laren, gemeente Lochem, althans in de provincie Gelderland, althans in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen, althans over de vulva van die
[slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn vingers tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vulva, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of
- het zoenen van de mond en/of de nek van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaringen van [slachtoffer] zijn onvoldoende betrouwbaar, nu zij inconsistent heeft verklaard over essentiële onderdelen. In haar eerste twee verklaringen worden enkele handelingen nadrukkelijk ontkend door [slachtoffer] , om hier vervolgens tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op terug te komen. Haar verklaringen kunnen om die reden niet voor het bewijs worden gebruikt, hetgeen tot een vrijspraak moet leiden vanwege gebrek aan bewijs. Ook de verklaringen van getuige [getuige] zijn onvoldoende betrouwbaar om te worden gebruikt voor bewijs danwel dienen haar verklaringen met veel voorzichtigheid te worden betracht. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, in het geval dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van [slachtoffer] voldoende betrouwbaar zijn, er onvoldoende steunbewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat slechts het betasten van de schaamstreek van [slachtoffer] (over de kleding) door verdachte en het betasten van het geslachtsdeel van verdachte door [slachtoffer] (over de kleding) bewezen kan worden.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader bewijs in zedenzaken (bewijsminimumregel)
Kenmerkend voor veel zedenzaken is dat het in de kern gaat om het woord van de aangeefster tegen het woord van de verdachte. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, Sv). Deze bepaling strekt ter waarborging van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de verklaring van één getuige over relevante feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling heeft volgens vaste rechtspraak betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval.
De bewijsmiddelen
Op 13 februari 2023 heeft een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) [slachtoffer] . [slachtoffer] is op dat moment 13 jaar en verklaarde dat zij via Snapchat een jongen genaamd [verdachte] heeft leren kennen. Op 4 februari 2023 heeft zij met hem afgesproken en kwam hij haar ophalen in de buurt van haar school. Ze reden vervolgens naar zijn caravan in Laren waar ze samen hebben gelachen en geknuffeld. In de ochtend van 5 februari 2023 hebben ze gekust en heeft verdachte onder haar kleding aan haar borsten gevoeld. Ook heeft verdachte over haar broek heen haar vagina betast en heeft [slachtoffer] over zijn broek heen zijn penis betast. Verdachte is op dat moment 20 jaar en weet dat [slachtoffer] 13 jaar is.
Op 15 maart 2023 heeft de moeder van [slachtoffer] , [naam] , namens [slachtoffer] aangifte gedaan. Zij verklaarde dat [slachtoffer] aan haar vertelde dat ze met verdachte heeft gekust met tong, dat hij over haar broek aan haar vagina heeft gezeten en dat hij aan haar blote borsten heeft gezeten. Verdachte zou in een groeps-snap-app tegen haar hebben gezegd dat hij 17 was. Via getuige [getuige] is de moeder van [slachtoffer] erachter gekomen dat verdachte eigenlijk 20 is en dat [slachtoffer] de nacht van 4 op 5 februari in zijn caravan heeft doorgebracht.
Op 27 september 2023 is [slachtoffer] als getuige gehoord. Zij verklaarde dat haar eerste seksuele ervaring met verdachte was. Hij heeft haar opgehaald bij haar school in de buurt en zij heeft vervolgens de nacht bij hem doorgebracht in de caravan. Verdachte wist dat zij 13 was. De volgende ochtend had hij een stijve penis en heeft hij over de kleding heen over haar vagina gewreven. Zij heeft vervolgens over de kleding heen over zijn penis gewreven. Ook heeft verdachte haar gezoend op de mond en in de nek.
Getuige [getuige] verklaart op 2 november 2023 bij de politie dat zij van verdachte heeft gehoord dat [slachtoffer] inderdaad in de nacht van 4 op 5 februari bij hem heeft geslapen in de caravan en dat er seksuele handelingen zijn verricht. [getuige] geeft aan dat verdachte heeft verteld dat er is gezoend en gebeft. Ook zou hij aan de borsten van [slachtoffer] hebben gevoeld en aan haar geslachtsdeel hebben gezeten. Verder heeft verdachte de getuige verteld dat hij [slachtoffer] had gevraagd hem te pijpen, maar dat zij dit niet heeft gedaan. Ze zou hem wel hebben aangeraakt. [getuige] geeft daarnaast aan dat verdachte haar verschillende verhalen heeft verteld over de leeftijd van [slachtoffer] , maar uiteindelijk gaf hij toe dat [slachtoffer] 13 was en dat hij dit wist.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 27 mei 2025 verklaart verdachte dat hij [slachtoffer] inderdaad leerde kennen op Snapchat en dat zij hebben afgesproken. Hij haalde haar op 4 februari 2023 met zijn auto op en ze zijn naar zijn caravan in Laren gegaan. Daar hebben ze gepraat, geknuffeld, heeft hij haar een kus op de wang gegeven en zijn ze in slaap gevallen. Daarnaast verklaarde verdachte dat hij wist hoe oud [slachtoffer] was. Ook verklaarde hij dat hij over de afspraak met [slachtoffer] had verteld aan getuige [getuige] .
Overige verklaringen
Het procesdossier bevat naast de hiervoor genoemde bewijsmiddelen onder meer de volgende verklaringen.
In de nacht van 30 september 2024 stuurt de moeder van [slachtoffer] een e-mail aan verbalisant [verbalisant] van het team Zeden. Zij schrijft hierin dat [slachtoffer] die nacht emotioneel is geworden en heeft opgebiecht dat er eigenlijk meer is gebeurd in de caravan met verdachte dan alleen zoenen en elkaar betasten. [slachtoffer] vertelde aan haar moeder dat verdachte haar ook zou hebben gevingerd en met zijn penis tegen haar vagina aan heeft geduwd. Hierop vinden er, op verzoek van de verdediging, twee aanvullende verhoren bij de rechter-commissaris plaats met [slachtoffer] en getuige [getuige] .
Op 25 januari 2025 geeft [slachtoffer] bij de rechter-commissaris aan dat zij en verdachte op de avond van 4 februari 2023 elkaar hebben betast en gezoend. De volgende ochtend heeft hij haar meer aangeraakt. Hij zou eerst aan de buitenkant van haar broek hebben gewreven en ook over haar trui heen op de borsten. Vervolgens gingen haar kleren uit en heeft hij aan haar blote borsten gezeten. Ook zou hij met zijn penis tegen haar vagina hebben geduwd en haar hebben gevingerd. Zij geeft aan dat ze dit in haar eerdere verklaringen niet durfde te vertellen, omdat ze verliefd was op verdachte.
Getuige [getuige] is op 28 januari 2025 gehoord bij de rechter-commissaris. Zij geeft aan dat zij van verdachte heeft vernomen dat er in de caravan seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zoals zoenen, aanraken en orale seks. Verdachte zou over de telefoon aan haar hebben verteld over het zoenen met [slachtoffer] en toen [getuige] bij hem thuis was, heeft verdachte haar ook over de andere seksuele handelingen verteld.
Betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de eerste twee verklaringen van [slachtoffer] , nu deze op belangrijke punten met elkaar overeenkomen. Zij verklaart hierin consistent over het onder de kleding betasten van de borsten, het zoenen en het over de kleding heen aanraken van elkaars geslachtsdelen. Dit is ook in lijn met hetgeen [slachtoffer] aan haar moeder heeft verteld.
[slachtoffer] heeft op een veel later tijdstip bij de rechter-commissaris verklaard dat er - naast de handelingen waar zij ook eerder over heeft verklaard - nog meer ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Deze verklaring wijkt in die zin dus af van haar eerdere verklaringen. Dit betekent niet dat het niet waar zou kunnen zijn wat [slachtoffer] bij de rechter-commissaris heeft verklaard. De rechtbank kan echter niet (meer) met voldoende zekerheid vaststellen of deze laatste verklaring juist is. Dit omdat er sprake is van een fors tijdsverloop en er inmiddels door veel mensen met elkaar is gesproken en tegen de politie is verklaard. [slachtoffer] heeft zelf aangegeven dat zij eerder niet over alles durfde te verklaren. Het is echter ook niet uitgesloten dat haar herinnering op dit late tijdstip, bijna twee jaar later, op een bepaalde manier is aangetast. [slachtoffer] geeft bij de rechter-commissaris zelf ook aan dat zij zich niet alles meer kan herinneren. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitgaan van haar eerste twee verklaringen en de verklaring bij de rechter-commissaris niet meenemen voor het bewijs.
De rechtbank acht ook de (eerste) verklaring van getuige [getuige] betrouwbaar. Haar verklaring vindt op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting dat hij [getuige] heeft verteld over de betreffende nacht met [slachtoffer] in de caravan.
Verdachte heeft tijdens de terechtzitting aangegeven dat [getuige] dingen verzint en toegang heeft tot zijn sociale media. Voor zover verdachte beweert dat niet hij maar [getuige] bepaalde berichten die in het dossier zitten aan [slachtoffer] zou hebben gestuurd, acht de rechtbank dat ongeloofwaardig. Verdachte heeft dit pas tijdens de zitting voor het eerst naar voren gebracht. Dat [getuige] toegang had tot zijn sociale media, zoals zij overigens zelf ook heeft verklaard, geldt bovendien slechts voor een deel van de bronnen waarvandaan deze berichten zijn verstuurd.
Conclusies
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van [slachtoffer] wordt op belangrijke punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . Verder vindt de verklaring op bepaalde punten steun in de verklaring van verdachte zelf.
Het door verdachte genoemde alternatieve scenario dat hij en [slachtoffer] slechts vriendschappelijk met elkaar omgingen en de betreffende nacht alleen gepraat en geknuffeld zouden hebben, wordt weerlegd door de genoemde bewijsmiddelen.
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het brengen van de tong tussen de schaamlippen en vulva, het brengen van de vingers tussen de schaamlippen en het brengen van de penis tegen de vulva. De rechtbank zal verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
[slachtoffer] en/of
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2023 tot en met 6 februari 2023 te Laren, gemeente Lochem, althans in de provincie Gelderland, althans in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen, althans over de vulva van die
- het brengen van zijn vingers tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vulva, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of
- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of
- het zoenen van de mond en/of de nek van die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, voor de duur van vijf jaar en dadelijk uitvoerbaar, met toepassing van twee weken vervangende hechtenis per overtreding. De officier van justitie is hierbij uitgegaan van bewezenverklaring van alle tenlastegelegde handelingen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij inmiddels zijn leven goed op orde heeft. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het rapport van de reclassering waarin wordt gesteld dat een gevangenisstraf nadelige consequenties heeft voor verdachte. Om voornoemde redenen dient te worden afgezien van een gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte en overweegt het volgende.
Verdachte heeft als 20-jarige ontuchtige handelingen gepleegd bij een destijds 13-jarig meisje. Hij heeft met haar afgesproken en haar meegenomen naar zijn caravan, waar zij de nacht hebben doorgebracht. Daar heeft hij haar gezoend, haar borsten betast en hebben zij over en weer elkaars geslachtsdelen betast (over de kleding). Deze handelingen zijn in strijd met de sociaal-ethische norm, gezien het enorme leeftijdsverschil en verschil in seksuele ontwikkeling van verdachte en slachtoffer. Het slachtoffer had eerder zelfs nog nooit gezoend. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het vertrouwen wat een jong meisje in hem heeft gesteld. Ook als de handelingen plaatsvinden met wederzijdse instemming, is het aan de volwassen verdachte om zich te realiseren dat hij zich daaraan moet onttrekken. In het algemeen geldt dat dit soort feiten langdurige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de psychische, emotionele en seksuele ontwikkeling van jeugdige slachtoffers. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van verdachte enorme impact heeft gehad op het slachtoffer en haar gezin en dat de gevolgen hiervan nog altijd merkbaar zijn. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen en dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Gezien de ernst van het feit is een gevangenisstraf aangewezen. Verdachte heeft geen relevant strafblad. Volgens de reclassering heeft een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf nadelige consequenties voor verdachte ten aanzien van onder meer zijn werk, financiën en behandeling bij de psycholoog. Verder is sprake van tijdsverloop van ruim twee jaar sinds het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de gevangenisstraf daarom geheel voorwaardelijk opleggen en daarnaast een taakstraf opleggen. Deze straf dient mede als waarschuwing om te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat. De rechtbank wijkt hiermee af van de strafeis van de officier van justitie, die echter is uitgegaan van meer ontuchtige handelingen dan door de rechtbank bewezen worden verklaard.
Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer verbinden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 180 uur op, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
8. De beoordeling van de civiele vordering
[naam] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente en toepassing van de BEM-clausule. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen nu er geen causaal verband is tussen de handelingen en de schade. [slachtoffer] kampte al eerder met depressieve gevoelens en ontving ook al hulpverlening voordat de handelingen zouden hebben plaatsvonden. Daarnaast hebben de vermeende handelingen niet tegen de wil van [slachtoffer] plaatsgevonden en dit is niet te rijmen met de aangevoerde psychische gevolgen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering te matigen.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een hiervoor genoemde categorie van artikel 6:106 BW valt.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag rekening met de aard en de ernst van het feit, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Om voornoemde redenen wijst de rechtbank de vordering van € 2.500,- in zijn geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2023.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
Mr. R.M.H. Pennings en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden;
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.500,- aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, te openen spaarrekening met een BEM-clausule.