RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.063159.25 / 05-084823-22 (tul) / 18-332516-21 (tul)
Datum uitspraak : 27 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. K.M.S. Bal, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 februari 2025 te [plaats] , in een woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten en/of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere sieraden en/of een Iphone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen sieraden en/of Iphone onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
2.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats] , in een woning gelegen aan het [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten en/of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een (keuken)schaar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen (keuken)schaar onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan het [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten en/of tegen de wil van de rechthebbende bevond, enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel:
- naar voornoemde woning is gegaan en/of
- een ruit heeft ingeslagen/ingegooid en/of
- zich in voornoemde woning heeft begeven en/of
- ( aldaar) een of meerdere lades en/of kasten heeft geopend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Arnhem een kassalade, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen kassalade onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
4.
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te [plaats] een portemonnee (met inhoud, te weten een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas en/of een zorgpas en/of een ANWB-pas), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen portemonnee (met inhoud) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels;
5.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 2 februari 2025 te [plaats] , meermalen een geldbedrag (ter hoogte van (in totaal) 116,04 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een gestolen pinpas meerdere malen (contactloos) te betalen en/of te pinnen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde onder feit 2. Voor het overige stelt de officier van justitie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde onder feit 2. Voor het overige refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 89;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 128-129;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2025.
Feit 2 Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat er tussen 31 december 2024 om 17:00 uur en 1 januari 2025 om 13:00 uur is ingebroken in zijn woning aan het [adres 2] in [plaats] . De ruit aan de voorzijde van de woning was vernield. Ook heeft [slachtoffer 2] verklaard dat er een keukenschaar is weggenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij de inbraak heeft gepleegd. Hij ontkent echter het wegnemen van de keukenschaar.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 11;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2025.
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 60-61;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2025.
Feit 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 60-61;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 70;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 81;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 27 februari 2025 te [plaats] , in een woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten en/of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere sieraden en/of een Iphone, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen sieraden en/of Iphone onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
2.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te [plaats] , in een woning gelegen aan het [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten en/of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een (keuken)schaar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen (keuken)schaar onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
3.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Arnhem een kassalade, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen kassalade onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
4.
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te [plaats] een portemonnee (met inhoud, te weten een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas en/of een zorgpas en/of een ANWB-pas), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen portemonnee (met inhoud) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels;
5.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 2 februari 2025 te [plaats] , meermalen een geldbedrag (ter hoogte van (in totaal) 116,04 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een gestolen pinpas meerdere malen (contactloos) te betalen en/of te pinnen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en 2 telkens:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
feit 3
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid;
feit 5:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gevorderd dat aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd en dat beide vorderingen tenuitvoerlegging worden afgewezen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de bijzondere voorwaarden die verband houden met reclasseringscontact te laten vervallen.
Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie de gehele tenuitvoerlegging van de twee voorwaardelijk opgelegde straffen met parketnummers 05-084823-22 en 18-332516-21 en vraagt zij hierbij de rechtbank om de onder het laatstgenoemde parketnummer voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uur om te zetten in een gevangenisstraf van 20 dagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 38m Wetboek van Strafrecht en dat er daarom geen ISD-maatregel mag worden opgelegd. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat, naast toewijzing van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 05-084823-22, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend is. De raadsvrouw heeft voorts bepleit om afwijzing van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 18-332516-21, nu het opleggen van een taakstraf niet opportuun is als cliënt een langere tijd moet vastzitten.
De beoordeling door de rechtbank
Oplegging van de ISD-maatregel aan verdachte is niet mogelijk omdat verdachte niet aan de wettelijke eisen van artikel 38m Wetboek van Strafrecht voldoet. De wet vereist ten minste drie volledig ten uitvoer gelegde onherroepelijke veroordelingen in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van verdachte zijn er in die periode slechts twee onherroepelijke veroordelingen volledig ten uitvoer gelegd.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie.
Verdachte heeft bij twee woningen en een bedrijfspand ingebroken, daarbij ruiten vernield en spullen weggenomen. Ook heeft verdachte zich bij een oudere dame voorgedaan als iemand die langskwam om in de meterkast te kijken in verband met een storing. Eenmaal in haar woning heeft hij haar portemonnee met inhoud meegenomen en haar pinpas gebruikt om meerdere contactloze pintransacties te verrichten.
Het inbreken in een bedrijfspand heeft vervelende praktische gevolgen voor de eigenaar van dit pand, helemaal omdat de diefstal gepaard ging met braak en daardoor ook schade is ontstaan. Het inbreken in iemands huis heeft vaak een nog grotere impact op slachtoffers. Zij ervaren naast het praktische ongemak (de schade) ook een gevoel van onveiligheid op de plek die bij uitstek als veilig zou moeten voelen. Dit geldt ook voor het uitvoeren van een babbeltruc bij een ouder, en daardoor kwetsbaarder, persoon. Het slachtoffer van de babbeltruc liet iemand op basis van vertrouwen in haar woning en bleef vervolgens bedrogen achter. Ook haar gevoel van veiligheid en van vertrouwen in anderen kan hierdoor worden aangetast.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten. De rechtbank heeft verder kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 23 mei 2025. De conclusie daaruit is dat het recidiverisico hoog is en dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. Het lukt verdachte keer op keer niet om zich aan bijzondere voorwaarden te houden. Daarnaast is verdachte drie keer langdurig klinisch behandeld geweest, zonder gewenste gedragsverandering als resultaat. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft toezichthouder Van de Sande als getuige-deskundige toegelicht dat bij verdachte het vermogen om te reflecteren ontbreekt en hij met name naar externe factoren wijst om aan te duiden waar het fout gaat. Het is volgens de reclassering een feit dat verdachte voortdurend afspraken niet nakomt en de reclassering al veel met hem geprobeerd heeft, waaronder verschillende behandelingen in het kader van middelengebruik.
Aan verdachte is meerdere malen een voorwaardelijke straf opgelegd als stok achter de deur. Deze eerdere veroordelingen en voorwaardelijke straffen weerhouden verdachte er kennelijk niet van om wederom vermogensdelicten te plegen die zorgen voor veel onrust en overlast in de maatschappij. De rechtbank ziet vanwege voornoemde omstandigheden geen andere mogelijkheid dan aan verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Gelet op hetgeen er in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vorderde schriftelijk, met verwijzing naar een offerte, € 2.341,00 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering bij nader inzien € 2.391,00 euro moet zijn, nu er nog € 50,00 aan inmeetkosten zijn gemaakt. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, maar dat deze met € 50,00 gematigd moet worden nu de inmeetkosten al op de offerte vermeld staan. De vordering van € 2.341,00 kan daarom worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank overweegt dat de schadepost niet inhoudelijk is betwist. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 2.341,00 kan worden toegewezen, nu de inmeetkosten al vermeld staan op de offerte en dus onderdeel lijken uit te maken van de vordering.
Verdachte is vanaf 27 februari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging 05-084823-22 en 18-332516-21
05-084823-22
De rechtbank heeft verdachte op 18 juli 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van drie jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw is van mening dat de tenuitvoerlegging kan worden toegewezen.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
18-332516-21
De politierechter heeft verdachte op 23 augustus 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf en verzoekt de rechtbank deze straf om te zetten in 20 dagen gevangenisstraf.
De raadsvrouw heeft verzocht de tenuitvoerlegging af te wijzen.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank wijst af het verzoek van de officier van justitie om de taakstraf om te zetten in een gevangenisstraf. De wet voorziet in artikel 6:6:21 lid 2 Wetboek van Strafvordering in de mogelijkheid een vrijheidsstraf in het kader van de vordering tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf. In de omzetting van een taakstraf in een zwaardere strafmodaliteit voorziet de wet niet en de rechtbank ziet daartoe overigens ook geen aanleiding. Verdachte heeft immers al eerder succesvol een taakstraf uitgevoerd.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311, van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
wijst de vordering tot materiële schade voor het overige af;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 18 juli 2022 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 12 (twaalf) maanden gevangenisstraf, parketnummer 05-084823-22;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 23 augustus 2022 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 40 (veertig) uur taakstraf, parketnummer 18-332516-21, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.