RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
parketnummer : 05/195372-23
beslissing ex artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige strafkamer naar aanleiding van de op 10 juni 2025 ingekomen vordering
in de strafzaak tegen de verdachte:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [postcode] [plaats] ,
nu gedetineerd in P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman mr. J. Michels.
Procedure
Ter terechtzitting van 13 juni 2025 zijn gehoord:
- de veroordeelde,
- de raadsman van veroordeelde,
- namens de reclassering, [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] , en
- de officier van justitie.
De feiten
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
- het vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2024 waarbij veroordeelde onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 473 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht;
- verplichte klinische opname;
- verplichte ambulante behandeling;
- woonbegeleiding/ maatschappelijke opvang;
- een drugs- en alcoholverbod;
- contactverbod met de slachtoffers.
- het advies van Reclassering Nederland, gedateerd 7 mei 2025, waarin wordt gerapporteerd dat veroordeelde de bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, heeft overtreden en waarin wordt geadviseerd om het reclasseringstoezicht voortijdig negatief te beëindigen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 360 dagen omdat veroordeelde de bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde de voorwaarden wel heeft nageleefd. Hij heeft zich gemeld bij de reclassering en heeft zich laten opnemen.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten dele, te weten voor maximaal één maand, toegewezen dient te worden.
De motivering van de beslissing
De rechtbank is op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de stukken van oordeel dat de vordering van de officier van justitie toewijsbaar is. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Uit het advies van Reclassering Nederland blijkt dat veroordeelde tijdens de meldplichtgesprekken in toenemende mate grensoverschrijdend en (be)dreigend gedrag heeft laten zien. Veroordeelde laat zich niet langer meer aanspreken op eerder gemaakte afspraken en hij neemt onvoldoende verantwoordelijkheid om constructief invulling te geven aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Op het moment dat de toezichthouder veroordeelde tijdens meldplichtgesprekken bevroeg op gemaakte afspraken, leidde dit vrijwel direct tot hevig grensoverschrijdend gedrag. Zo heeft er op 19 maart 2025 tijdens een huisbezoek een forse escalatie plaatsgevonden, waarbij veroordeelde onder andere met spullen heeft gegooid en verbale bedreigingen heeft geuit richting de reclasseringsmedewerker. Op 25 april 2025 heeft er op kantoor van de Reclassering een soortgelijk incident met veroordeelde plaatsgevonden, waarbij hij heeft gescholden en een dreigende houding heeft aangenomen. Ondanks dat veroordeelde werd aangesproken op dit gedrag en hij beterschap toezegde, lukte het veroordeelde niet om ook daadwerkelijk ander gedrag te laten zien. Gezien de ernst van de bedreigingen, de frequentie van dit gedrag en het feit dat veroordeelde zich niet (meer) laat sturen in dit gedrag, maakt dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om de risico’s op delict-gedrag te verminderen en te werken aan gedragsverandering.
Ter zitting heeft veroordeelde benadrukt dat hij niemand heeft bedreigd. Veroordeelde heeft verklaard dat het goed ging, maar dat er sprake was van een incident.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat veroordeelde zich verwijtbaar niet heeft gehouden aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden. De rechtbank gaat daarbij uit van hetgeen de reclassering heeft gemeld en dat er is gedreigd. Echter, ook in het geval dat er niet zou zijn gedreigd maar “enkel” is gescholden en met spullen is gegooid, heeft veroordeelde zich op zo’n manier opgesteld dat het toezicht onhoudbaar is geworden. De rechtbank is van oordeel dat de meldplicht niet alleen inhoudt dat veroordeelde zich meldt, maar ook dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en zich laat bevragen over gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen reden voor een gedeeltelijke toewijzing. De reclassering ziet geen mogelijkheden (meer) om de risico’s op delict-gedrag te verminderen en te werken aan gedragsverandering. Gelet op het gedrag van veroordeelde is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet meer van de reclassering kan worden gevraagd. Dat veroordeelde reeds gedurende de proeftijd de klinische behandeling heeft ondergaan, maakt niet dat de vordering op die reden slechts gedeeltelijk dient te worden toegewezen. Ook het ambulante traject is immers onderdeel van de opgelegde voorwaarden. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie geheel toewijzen.
De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechter in deze rechtbank van 5 februari 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juni 2025.
mr. M.S. de Vries en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.