ECLI:NL:RBGEL:2025:11592

ECLI:NL:RBGEL:2025:11592, Rechtbank Gelderland, 15-05-2025, 374527-24

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 15-05-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 374527-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeluk waarbij twee mensen overleden. Verdachte is met zijn vrachtwagen op de vluchtstrook in botsing gekomen met een personenauto. De rechtbank legt een taakstraf op voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer: 05/374527-24

Datum uitspraak : 15 mei 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in Polen

wonende aan de [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] (Polen).

Raadsman: mr. C.C. Hofman, advocaat in Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Overasselt, gemeente Heumen als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A73, ter hoogte van hectometerpaal 97,5 rechts, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl hij een beladen vrachtauto beroepsmatig bestuurde en/ofterwijl op de vluchtstrook van de Rijksweg A73 een voertuig (personenauto) stil stond en de bestuurder en/of passagier op de vluchtstrook stonden en/ofterwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd,- niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor, naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de Rijksweg A73) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet het verloop van de door hem bereden rijstrook/rijbaan heeft gevolgd en/of bereden, maar met het door hem bestuurde voertuig in strijd met artikel 43 derde lid van voornoemd reglement op de vluchtstrook terecht is gekomen en/of heeft gereden en/of- (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voornoemd reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de Rijksweg A73, kon overzien en waarover deze vrij was en/of- (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemd voertuig (personenauto) op de vluchtstrook en/of de bestuurder en/of passagier van deze voornoemde personenauto, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) werden gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Overasselt, gemeente Heumen als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A73, ter hoogte van hectometerpaal 97,5 rechts, terwijl hij een beladen vrachtauto beroepsmatig bestuurde en/ofterwijl op de vluchtstrook van de Rijksweg A73 een voertuig (personenauto) stil stond en de bestuurder en/of passagier op de vluchtstrook stonden en/ofterwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd,- niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor, naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de Rijksweg A73) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet het verloop van de door hem bereden rijstrook/rijbaan heeft gevolgd en/of bereden, maar met het door hem bestuurde voertuig in strijd met artikel 43 derde lid van voornoemd reglement op de vluchtstrook terecht is gekomen en/of heeft gereden en/of- (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voornoemd reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de Rijksweg A73, kon overzien en waarover deze vrij was en/of- (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemd voertuig (personenauto) op de vluchtstrook en/of de bestuurder en/of passagier van deze voornoemde personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Overasselt, gemeente Heumen als bestuurder van een vrachtauto gebruik heeft gemaakt van de de vluchtstrook van de voor het openbaar verkeer openstaande, als zodanig aangeduide autosnelweg, de Rijksweg A73, ter hoogte van hectometerpaal 97,5 rechts, anders dan in een noodgeval, waarbij dodelijk letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 26 juni 2024 vond op de Rijksweg A73 rechts, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Overasselt in de gemeente Heumen, een verkeersongeval plaats. Ter hoogte van hectometerpaal 97.5 was een vrachtauto, beroepsmatig bestuurd door verdachte, op de vluchtstrook met een personenauto en de inzittenden uit deze personenauto in botsing gekomen. De vrachtwagen was beladen met ongeveer 14 ton aan banden. De bestuurder van de personenauto had het voertuig op de vluchtstrook tot stilstand gebracht. Vervolgens waren de inzittenden ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) uit de personenauto (Volkswagen Golf) gestapt en bevonden zij zich aan de linkerzijde van de personenauto. Verdachte naderde als bestuurder van de vrachtauto de stilstaande personenauto met een snelheid van circa 84 km/u, rijdend over de rechterrijstrook en met de rechterwielen van zijn combinatie op de vluchtstrook. De rechter voorzijde van de vrachtauto kwam in botsing met het openstaande bestuurdersportier van de personenauto. Hierop heeft verdachte een uitwijkmanoeuvre naar links gemaakt met zijn vrachtauto, waardoor de achterzijde van de oplegger naar rechts zwenkte. De oplegger is hierdoor in botsing gekomen met de inzittenden van de personenauto en de linker achterzijde van de personenauto.

De forensisch arts komt tot de conclusie dat het zeer aannemelijk is dat [slachtoffer 1] ten gevolge van multitrauma is overleden. Het totale letselbeeld van [slachtoffer 1] is mogelijk verklaarbaar met een aanrijding van een voetganger. De forensisch arts concludeert dat [slachtoffer 2] vermoedelijk is overleden ten gevolge van traumatisch schedel-hersenletsel. Het totale letselbeeld van [slachtoffer 2] is mogelijk verklaarbaar met een aanrijding van een voetganger.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie waarin de personenauto zich op de vluchtstrook bevond niet binnen het normale verwachtingspatroon van een verkeersdeelnemer valt. Dat de personenauto dicht tegen de rechterrijstrook stond geparkeerd met het linkerportier open en de inzittenden zich aan de linkerkant van de auto bevonden, doorbreekt zelfs het normale verwachtingspatroon van een chauffeur in het beroepsgoederenvervoer. Er was bij verdachte slechts sprake van een kort moment van onoplettendheid, waardoor verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft verder betoogd dat voornoemde situatie ter plaatse een atypisch obstakel was dat een weggebruiker mag uitsluiten in zijn anticipatie. Daarom wordt eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde feit. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Uit onderzoek ter plaatse is vastgesteld dat de Rijksweg A73 op de plaats van het verkeersongeval een recht wegverloop had. Het zicht voor de bestuurders werd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd. Het was helder weer en de zon scheen. De zon belemmerde het zicht van de verdachte niet, omdat de zon zich schuin achter de bestuurders bevond.

De politie heeft de dashcambeelden van de auto die zich schuin achter de vrachtauto van verdachte bevond, als volgt beschreven:

‘In de beelden is te zien dat de ruimte tussen de onderbroken witte strepen, die de beide rijstroken scheiden en de linkerzijde van de betrokken vrachtauto groter wordt (de vrachtauto beweegt naar rechts, richting de vluchtstrook).’

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij achter de vrachtauto van verdachte reed en deze vrachtauto heel langzaam naar rechts ging rijden en met de rechterwielen over de streep tussen de weg en de vluchtstrook reed. Daarna, getuige schat tussen de drie en vijf seconden, stuurde de vrachtauto ineens naar links en zag hij de oplegger naar rechts gaan.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de Volkswagen Golf op de vluchtstrook stond. Getuige heeft gezien dat de alarmlichten aanstonden.

Verdachte reed de dag van het ongeval als beroepschauffeur. Verdachte heeft verklaard dat hij even zijn blik van de weg moest doen omdat hij iets moest pakken en de auto niet heeft gezien. Hij had zijn blik niet op de weg anders had hij de auto wel gezien. Het was druk op de weg. Verdachte heeft verklaard dat hij als vrachtwagenchauffeur de meeste aandacht aan de linkerzijde van zijn vrachtauto schenkt omdat hij vaak door (vracht)auto’s wordt ingehaald.

Beoordelingskader

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van voornoemd artikel. Het gaat om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of het rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorvoertuig wordt geëist. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersvoorschriften niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Verdachte heeft voorafgaand aan het ongeval op de vluchtstrook gereden waarbij de rechterwielen van zijn vrachtauto over de streep tussen de vluchtstrook en de rechterrijstrook zijn gegaan. Volgens de bestuurder direct achter hem gebeurde dit langzaam en heeft dit drie tot vijf seconden geduurd. Verdachte heeft de stilstaande Volkswagen Golf, die alarmlichten voerde, en de twee personen die bij de auto op de vluchtstrook stonden ruim te voren kunnen zien. Zijn zicht werd niet belemmerd door de wegsituatie, de inrichting van de weg of de zon en de weg had een recht verloop. Desondanks heeft hij de auto en de personen in het geheel niet opgemerkt. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte vanwege voertuigen aan zijn linkerzijde moest uitwijken naar rechts of daardoor mogelijk afgeleid kon zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank was er, anders dan door de verdediging betoogd, dan ook geen sprake van (slechts) een kort moment van onoplettendheid, maar is hij langere tijd door de auto niet te zien, zijn rijgedrag daaraan niet aan te passen en met zijn vrachtauto de doorgetrokken streep te overschrijden aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig geweest. Daarbij heeft verdachte verklaard dat zijn blik niet op de weg was omdat hij iets moest pakken wat aansluit bij dit langere tijd tekortschieten in de vereiste aandacht bij het verkeer.

Het verweer van de verdediging dat de positie van de Volkswagen Golf, op de vluchtstrook met het linkerportier open, niet valt binnen het normale verwachtingspatroon van een verkeersdeelnemer, wordt verworpen door de rechtbank. Het is immers niet ongebruikelijk dat een auto op de vluchtstrook staat, al dan niet door pech of met een andere legitieme dan wel niet legitieme reden. Verdachte had daarop berekend had moeten zijn, temeer nu hij aan het verkeer deel nam als beroepsbestuurder van een met ongeveer 14 ton aan banden beladen vrachtauto, van wie, mede gelet op de breedte en massa daarvan, de moeilijkere corrigeerbaarheid en het gevaar dat daarvan uitgaat, een hogere mate van voorzichtigheid en oplettendheid mag worden verwacht. Het feit dat de Volkswagen Golf dicht tegen de rechterrijstrook stond en het linkerportier was geopend, is niet dusdanig onverwacht dat dit afdoet aan de aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van verdachte.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als een ernstige verkeersfout, waarvan de gevolgen voor de slachtoffers fataal zijn gebleken. Zijn handelen was vermijdbaar en is verwijtbaar. Door deze verkeersfout is in de gegeven omstandigheden sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid zoals bedoeld in artikel 6 van de WVW. De rechtbank acht verdachte schuldig aan het primair ten laste gelegde.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2024 te Overasselt, gemeente Heumen als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A73, ter hoogte van hectometerpaal 97,5 rechts, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl hij een beladen vrachtauto beroepsmatig bestuurde en/ofterwijl op de vluchtstrook van de Rijksweg A73 een voertuig (personenauto) stil stond en de bestuurder en/of passagier op de vluchtstrook stonden en/ofterwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd,- niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor en naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de Rijksweg A73) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet het verloop van de door hem bereden rijstrook/rijbaan heeft gevolgd en/of bereden, maar met het door hem bestuurde voertuig in strijd met artikel 43, derde lid, van voornoemd reglement op de vluchtstrook terecht is gekomen en/of heeft gereden en/of- (vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voornoemd reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de Rijksweg A73, kon overzien en waarover deze vrij was en/of- (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemd voertuig (personenauto) op de vluchtstrook en/of de bestuurder en/of passagier van deze voornoemde personenauto, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) werden gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermaals gepleegd.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 240 uren taakstraf subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor het geval van een bewezenverklaring betoogd dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf disproportioneel zou zijn. De raadsman verzoekt om een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met een geldboete of taakstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.

Verdachte heeft een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Door het handelen van verdachte zijn twee jonge slachtoffers overleden. Verdachte is als (beroeps)bestuurder van een vrachtauto zonder noodzaak gedeeltelijk de vluchtstrook opgereden, heeft niet voldoende voor zich gekeken, heeft daardoor de personenauto en de personen op de vluchtstrook niet gezien, is ook niet tijdig uitgeweken en is hierdoor in botsing gekomen met de personenauto van de slachtoffers en de slachtoffers zelf. Hoewel verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld, neemt dit niet weg dat de slachtoffers hun leven is afgenomen. Daarnaast betekent de dood van deze jonge slachtoffers een zeer tragisch verlies voor de nabestaanden, zoals ook gebleken is uit de slachtofferverklaringen. De nabestaanden hebben het als extra pijnlijk ervaren dat verdachte na het verkeersongeval geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen door geen contact op te nemen met de nabestaanden van de slachtoffers.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en als chauffeur die veel aan het verkeer deelneemt ook niet bekend is met verkeersgevaarlijk gedrag.

De rechtbank zal gelet op het handelen van verdachte en de ernst van de consequenties daarvan naast een taakstraf een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De rechtbank heeft kennis genomen van de omstandigheid dat verdachte 2 jaar voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zit en dat een ontzegging van de rijbevoegdheid gevolgen heeft voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden als beroepschauffeur. Echter, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank ondanks die gevolgen voor verdachte slechts passend een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen van de duur zoals geëist.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. De rechtbank zal een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uur te vervangen door hechtenis van 120 dagen. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 1 jaar.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde 1] (vader van [slachtoffer 1]) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert € 9.030,62 aan materiële schade en € 20.000,00 aan affectieschade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [benadeelde 2] (moeder van [slachtoffer 1]) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert € 20.000,00 aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen worden verklaard. De verdediging voert als verweer dat sprake is van substantiële eigen schuld aan de zijde van de slachtoffers wegens het stilstaan op de vluchtstrook en het openen van het autoportier. Daarnaast loopt er een parallelle aansprakelijkheidsdiscussie met de werkgever van verdachte. Deze vraagstukken kunnen volgens de verdediging niet binnen de beperkte kaders van het strafgeding worden uitgezocht zonder het strafproces onevenredig te belasten. Indien de rechtbank desondanks tot een inhoudelijke beoordeling overgaat, is de vraag in hoeverre de schade uitsluitend valt toe te rekenen aan verdachte; de verdediging verzoekt daarom de affectieschade in sterke mate te beperken overeenkomstig artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).

Overweging van de rechtbank

De rechtbank is allereerst van oordeel dat een parallelle aansprakelijkheidsdiscussie met de werkgever van verdachte niet aan een (inhoudelijke) beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in de weg staat. Dat sprake zou kunnen zijn van dekking, regres of verrekening is door de verdediging niet nader gemotiveerd. De benadeelde partijen kunnen zich op grond van artikel 51f lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6:108 lid 1 tot en met lid 4 BW voegen in het strafproces. De benadeelde partijen kunnen in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden. In dat geval is verdachte de aansprakelijke als bedoeld in artikel 6:108 BW.

Materiële schade

Het door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde materiële schadebedrag van € 9.030,62 bestaat uit: een bedrag van € 7.911,62 aan begrafeniskosten, een bedrag van € 814,00 aan extra kosten uitvaart en een bedrag van € 305,00 aan kosten grafstuk op de kist. Deze kostenposten zijn door de verdediging niet betwist, komen redelijk voor en kunnen worden toegewezen als kosten van lijkbezorging (artikel 6:108 lid 2 BW). De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 9.030,62 dan ook toewijzen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf de volgende data.

Affectieschade

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn de ouders van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is als gevolg van het bewezenverklaarde feit overleden. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf. [slachtoffer 1] woonde ten tijde van het verkeersongeval bij haar ouders. De ouders hebben beiden een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade gevorderd. Onder de naasten voor wie het vorderen van affectieschade mogelijk is, valt onder meer degene die ten tijde van het overlijden de ouder van de overledene is (artikel 6:108 lid 3 en lid 4 sub c BW). De toe te kennen (maximale) bedragen zijn in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitair bepaald. Het aan ouders van een meerderjarig thuiswonend kind dat door een misdrijf is overleden toe te kennen maximumbedrag is in dit besluit bepaald op € 20.000,00 (per ouder).

De verdediging heeft verzocht de gevorderde overlijdensschade op grond van artikel 6:108 lid 5 en artikel 6:101 BW te verminderen wegens eigen schuld, omdat de ontstane schade, zo wordt aangevoerd, mede het gevolg is geweest van aan slachtoffer [slachtoffer 1] toe te rekenen omstandigheden, te weten: het zonder noodzaak stilstaan met de auto op de vluchtstrook te dicht tegen de rechterrijstrook aan met een open linkerportier.

De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan wie van de twee slachtoffers de bestuurder van de auto is geweest direct voordat deze auto op de vluchtstrook tot stilstand is gekomen. Dit betekent dat, zonder nadere onderbouwing, bewijslevering dan wel onderzoek, niet kan worden vastgesteld of aan [slachtoffer 1] kan worden verweten dat zij de auto op de vluchtstrook heeft neergezet en het linkerportier heeft geopend.

Uitgaande van de stellingen zijdens verdachte dat [slachtoffer 1] de bestuurder zou zijn geweest en haar het stilstaan met de auto op de vluchtstrook te dicht tegen de rechterrijstrook aan met een open linkerportier zou kunnen worden verweten, geldt het volgende.

Het is verboden om gebruik te maken van de vluchtstrook, tenzij - kort gezegd - sprake is van een noodgeval. Of er sprake is geweest van een noodgeval, kan evenmin zonder nadere onderbouwing, onderzoek of bewijslevering worden vastgesteld.

Als er, opnieuw conform de stellingen van verdachte, zonder dergelijk onderzoek van wordt uitgegaan dat geen sprake was van een noodgeval of anderszins een rechtvaardiging voor de stilstand op de vluchtstrook zou dat betekenen dat in dat opzicht door [slachtoffer 1] een fout is gemaakt. Dit zou kunnen betekenen dat de ontstane schade mede het gevolg is geweest van een omstandigheid die aan [slachtoffer 1] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. Zonder de aanwezigheid van de slachtoffers op de vluchtstrook zou de onoplettendheid van verdachte immers niet tot het ongeval hebben geleid. Dit leidt in beginsel tot een evenredige vermindering van de schadevergoedingsplicht van verdachte.

Echter, nog steeds uitgaande van de stellingen van verdachte, geldt dan dat gelet op de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten (enerzijds, kort gezegd, het zonder rechtvaardiging stilstaan op de vluchtstrook en anderzijds het bewezenverklaarde, kort gezegd, het veroorzaken van een dodelijk ongeval als gevolg van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid) en de omstandigheden dat verdachte als bestuurder van een vrachtauto wettelijk verzekerd is voor dit soort schade, de uitgestapte slachtoffers kwetsbare deelnemers aan het verkeer waren en het zwaarst denkbare gevolg - de dood -hebben ondervonden, de billijkheid eist dat ook dan de vergoedingsplicht van verdachte die voortvloeit uit het overlijden van [slachtoffer 1] geheel in stand blijft.

De rechtbank overweegt dat geenszins vaststaat dat [slachtoffer 1] heeft gereden en dat haar ten aanzien van het stilstaan op de vluchtstrook enig verwijt gemaakt kan worden en dat dit in het kader van de beoordeling van de vordering binnen dit strafproces ook niet kan worden onderzocht. Echter nader onderzoek op die punten kan in het kader van de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij achterwege blijven. Immers uit het vorengaande volgt dat zelfs indien volledig wordt uitgegaan van het zijdens verdachte gestelde en indien er sprake zou zijn geweest van ‘eigen schuld’ van [slachtoffer 1], geldt dat wegens de zogenaamde billijkheidscorrectie in dit geval de vergoedingsplicht in stand blijft.

Nu de noodzaak tot onderzoek ontbreekt is er geen sprake van dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen zodat het niet-ontvankelijkheidsverweer op dat punt faalt. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van affectieschade van beide benadeelde partijen ter hoogte € 20.000,00 (per ouder) dan ook toewijzen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over deze bedragen vanaf 26 juni 2024.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de teruggave van de Volkswagen Golf aan de rechthebbende gelasten.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22 c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11. De beslissing

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderd) dagen;

ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van de volgende bedragen aan materiële schade en affectieschade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [benadeelde 1] € 7.911,62 vanaf 20 september 2024

€ 814,00 vanaf 11 juli 2024

€ 305,00 vanaf 17 april 2025

€ 20.000,00 vanaf 26 juni 2024

2. [benadeelde 2] € 20.000,00vanaf 26 juni 2024

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade en affectieschade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [benadeelde 1] € 29.030,62 180 dagen;

2. [benadeelde 2] € 20.000,00 135 dagen.

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing op het beslag

 gelast de teruggave van de Volkswagen Golf (Omschrijving:PL0600-2024294361-3240603, kenteken: [kenteken]) aan de rechthebbende.

mr. T.P.E.E. van Groeningen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.P.E.E. van Groeningen
  • mr. E.S.M. van Bergen

Griffier

  • mr. E.M. Breed

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?