RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11950222 \ HA VERZ 25-171
Beschikking van 31 december 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. W.J. Liebrand,
tegen
[verweerders] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. M. Butter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 4 van 30 oktober 2025
- het verweerschrift met producties 1 t/m 5 van 20 november 2025
- producties 5 t/m 7 van 17 november 2025 van [verzoekster]
- productie 8 van 1 december 2025 van [verzoekster] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is per 1 september 2023 in dienst getreden bij [verweerders] voor de duur van één jaar (tot 31 augustus 2024.). Haar functie is HIDHA, huisarts met een loon van € 5.930,35 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten.
In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat dat opzegging schriftelijk dient te geschieden tegen het einde van de maand.
[verweerders] heeft bij brief van 19 juli 2024 het volgende aan [verzoekster] meegedeeld:“(…)
Momenteel bent u bij ons in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege eindigt met ingang van 31-08-2024. Op vrijdag 19-07-2024 hebben we u reeds mondeling laten weten dat wij uw huidige contract zullen verlengen. Hierbij informeren wij u schriftelijk dat wij uw huidige arbeidsovereenkomst graag willen voortzetten (inclusief periodiek; indien van toepassing).
Wij willen uw huidige arbeidsovereenkomst voortzetten voor de duur van 12 maanden onder dezelfde (arbeids)voorwaarden als nu voor u gelden. Uw nieuwe arbeidsovereenkomst zal van rechtswege eindigen met ingang van 31-08-2025. (…)”
[verzoekster] heeft zich per 2 januari 2025 ziekgemeld.
Op 5 juni 2025 heeft tussen partijen onder begeleiding van Work Solutions een driegesprek plaatsgevonden. Daarvan heeft Work Solutions een rapportage gemaakt waaruit onder meer het volgende volgt: (productie 2 verweerschrift):“(…)
Mevrouw [verzoekster] heeft hierna kort verteld over haar medische situatie. Mogelijk volgt er nog een behandeling van een maand voor haar gezondheidsklachten. Hierna is een afspraak met de bedrijfsarts zinvol om haar mogelijkheden in werk te bekijken en vervolgens te bespreken hoe en waar re-integratie mogelijk gaat zijn.
Mevrouw [verzoekster] heeft haar idee over haar terugkeer in werk aangegeven. Ze wil niet gaan re-integreren in de huidige praktijk. Ze wil gaan werken aan het weer terug krijgen van het plezier in haar vak en haar toekomst ligt niet meer in deze praktijk. De beide heren denken dat ze hierin gelijk heeft.
Ook is gesproken over hoe dit kenbaar te maken binnen de praktijk. Afgesproken is dat mevrouw [verzoekster] een concept tekst maakt en die uiterlijk dinsdag 10 juni naar de beide heren mailt. Zij zullen hun reactie hierop geven zodat mevrouw [verzoekster] op zijn laatst op vrijdag 13 juni de mail kan versturen.
Aan het eind van het gesprek zijn allen blij dat de kogel door de kerk is en er duidelijkheid is en gaan dit nu eerst echt laten landen. Hierdoor hopen ze ook weer met elkaar op een normale manier in gesprek te kunnen zijn over de afronding van het dienstverband van mevrouw [verzoekster] . Dit eindigt op 31 augustus 2025. (…)”
Op 12 juni 2025 heeft [verzoekster] het volgende bericht per WhatsApp aan haar collega’s verzonden (productie 4 verweerschrift):“Lieve collega’s,Sinds mijn ziekmelding is er een hoop gebeurd. Ik word in het Radboud vervolgd en behandeld, en ik voel me energieker en heb overwegend minder pijnklachten dan eerder. Dit maakt dat er ruimte is ontstaan om na te denken over reïntegratie.
Vorige week donderdag heb ik samen met [verweerders] en [verweerders] gesproken over de toekomst van onze samenwerking. Ik heb in overleg met [verweerders] en [verweerders] besloten om in een andere praktijk te reïntegreren. Dat betekent dat ik niet zal terugkeren naar de [verweerders] .
Dit is een moeilijke beslissing geweest, die me zwaar valt. Jullie zijn een geweldig team en ik wil jullie bedanken voor de goede en warme samenwerking.
Hartelijke groet,[verzoekster] ”
Op 29 juli 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerders] gemaild dat de praktijkhouders waar zij kan re-integreren, een bevestiging wensen te ontvangen dat de aansprakelijkheidsverzekering van [verweerders] re-integratie elders dekt.
[verweerders] heeft op 30 juli 2025 daarop als volgt gereageerd (productie 5 verweerschrift):“ (…)De verzekering is vervolgens gekoppeld aan het dienstverband.
Ergo: je hebt tot en met 31 augustus 2025 een aansprakelijkheidsverzekering via ons, ook als je elders werkt. Echter zodra het arbeidsverband stopt per 1 september 2025 stopt dus ook de aansprakelijkheidsverzekering (evenals alle andere verzekeringen en pensioen).
Overigens vanuit ons nog een belangrijke vraag: wij moeten uiterlijk 22 augustus aan het UWV doorgeven of jij ziek of hersteld uit dienst gaat. Heb jij hier al zicht op?(…)”
[verzoekster] heeft onder meer geantwoord dat zij niet volledig hersteld zal zijn per september.
[verweerders] heeft vervolgens gereageerd dat zij zal doorgeven dat [verzoekster] ziek uit dienst zal gaan.
De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 31 augustus 2025.
Bij brief van 30 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [verzoekster] [verweerders] verzocht tot betaling van de aanzegvergoeding. [verweerders] is niet tot betaling daarvan overgegaan.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [verweerders] te veroordelen tot betaling van:
I. de aanzegvergoeding ex artikel 7:668 BW ter hoogte van € 5.930,35 (bruto);
II. de wettelijke rente over €5.930,35 vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van algehele betaling;
III. de proceskosten.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat [verweerders] niet tijdig kenbaar heeft gemaakt of zij wel of niet met haar verder wilde. Zij is daarom de aanzegvergoeding aan [verzoekster] verschuldigd ter hoogte van een maandsalaris van € 5.930,35 (bruto).
[verweerders] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe primair aan dat [verzoekster] zelf de beslissing heeft genomen om het dienstverband na 31 augustus 2025 niet te verlengen en om niet te re-integreren bij [verweerders] . Subsidiair voert zij aan dat zij [verzoekster] op 30 juli 2025 schriftelijk heeft geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 zal eindigen. Aldus is zij geen aanzegvergoeding verschuldigd.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt vast, nu dit niet tussen partijen in geschil is, dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 1 september 2025.
Opzegging door [verzoekster]
[verweerders] voert als verweer aan dat [verzoekster] op 5 juni 2025 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in het driegesprek. Dit verweer is een bevrijdend verweer, zodat de stelplicht en eventuele bewijslast op [verweerders] rusten. Zij heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar het rapport van Work Solutions (zie 2.4) en naar het afscheidsbericht van [verzoekster] (zie 2.5) waaruit de beslissing van [verzoekster] om het dienstverband te beëindigen naar haar zeggen blijkt.
De kantonrechter stelt voorop dat naar vaste rechtspraak de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387).
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. Van een schriftelijke opzegging door [verzoekster] is geen sprake, zoals artikel 6 van de arbeidsovereenkomst in geval van opzegging vereist. Het rapport van Work Solutions is opgesteld door een derde partij. Daarnaast kan uit het WhatsApp-bericht van 12 juni 2025 geen ondubbelzinnige verklaring worden afgeleid, waaruit kon en mocht worden opgemaakt dat [verzoekster] onvoorwaardelijk wilde dat haar dienstverband bij [verweerders] zou eindigen, met alle gevolgen van dien. De insteek van zowel het driegesprek van 5 juni 2025 en het afscheidsbericht per WhatsApp was re-integratie van [verzoekster] via het tweede spoor. Dit leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verzoekster] .
De aanzegvergoeding
Tussen partijen is in geschil of [verweerders] aan [verzoekster] de aanzegvergoeding is verschuldigd.
Ingevolge artikel 7:668 lid 1 sub a BW is een werkgever verplicht de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Indien de werkgever deze verplichting in het geheel niet is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand (lid 3).
De ratio achter de aanzegplicht is een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst in onzekerheid te laten over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de overeengekomen duur. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze verplichting ertoe dient om werknemers tijdig duidelijkheid te bieden over hun positie, nu zij op zoek dienen te gaan naar ander werk (Kamerstukken II 2013/2014, 33 818, nr. 3, p. 20-21, 53). Ook indien een werknemer na de beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd niet direct op zoek behoeft te gaan naar een werkkring elders, ontslaat dit de werkgever niet om de werknemer tijdig te informeren over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst. Duidelijkheid voor de werknemer staat daarbij voorop hetgeen wordt bevestigd door het dwingendrechtelijke schriftelijkheidsvereiste van de aanzegging.
[verweerders] heeft aangevoerd dat zij met haar e-mail van 30 juli 2025 (zie 2.8) heeft voldaan aan haar schriftelijke aanzegplicht en daarom geen aanzegvergoeding aan [verzoekster] is verschuldigd. Dit verweer wordt verworpen. Voorafgaand aan die e-mail heeft [verzoekster] namens de praktijkhouders bij wie ze zou kunnen re-integreren, gevraagd of [verweerders] kon bevestigen dat haar aansprakelijkheidsverzekering re-integratie elders dekte. De e-mail van 30 juli 2025 is daar een reactie op in het kader van re-integratie van [verzoekster] bij een andere praktijkhouder en is, in tegenstelling tot de aanzeggingsbrief van 19 juli 2024 (zie 2.4), niet uit eigen beweging door [verweerders] verstuurd met de intentie om [verzoekster] tijdig te informeren dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Dat aanzegging niet de insteek van die e-mail was, blijkt bovendien uit het primair door [verweerders] gevoerde verweer inhoudende dat er in eerste instantie van werd uitgegaan dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst op 5 juni 2025 had opgezegd. De e-mail van 30 juli 2025 van [verweerders] kan dan ook niet worden aangemerkt als een aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 sub a BW, zoals door [verzoekster] terecht is betoogd.
Het voorgaande betekent dat [verweerders] aan [verzoekster] een vergoeding is verschuldigd, gelijk aan één maand loon. [verweerders] heeft de hoogte van het verzochte bedrag van € 5.930,35 niet betwist, zodat dit, met inbegrip van de verzochte wettelijke rente, zal worden toegewezen.
Proceskosten
[verweerders] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.206,00
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerders] om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 5.930,35 bruto ter zake aanzegvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.