beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/456193 / KG RK 25-687
Beslissing van 15 oktober 2025
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. P.J. Tikken,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van de mondelinge beslissing van de wrakingskamer van 13 februari 2025,
het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige belastingkamer van 29 augustus 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld,
de schriftelijke reactie van de rechter van 22 september 2025,
een e-mailbericht van de wrakingskamer van 22 september 2025 aan verzoeker;
e-mailberichten van verzoeker van 30 september 2025 en 1 oktober 2025 met bijlage(n).
Bij de mondelinge behandeling op 1 oktober 2025 is verzoeker verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen
2. Het wrakingsverzoek
Aan het te behandelen wrakingsverzoek is het volgende voorafgegaan. Door verzoeker is in de zaak met nummer ARN 24/1980 een beroepschrift ingediend. Dit beroep is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is door verzoeker een verzetschrift ingediend. Dit verzetschrift is bij de rechtbank ingeschreven op naam van [naam]. Het verzetschrift is door de rechter behandeld op de zitting van de enkelvoudige belastingkamer van 21 januari 2025. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt dat verzoeker namens [naam] aanwezig was. Tijdens die zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Dit wrakingsverzoek is door de wrakingskamer bij mondelinge beslissing van 13 februari 2025 afgewezen. In deze beslissing staat ook dat de wrakingskamer geen reden zag om het tijdens de wrakingszitting gedane voorwaardelijk wrakingsverzoek in handen te stellen van de wrakingskamer.
Als gevolg van deze wrakingsbeslissing heeft de rechter de zitting in de verzetzaak met nummer ARN 24/1980 op 29 augustus 2025 heropend. Volgens het proces-verbaal van die zitting heeft de rechter geweigerd om de toehoorders, die verzoeker mee wilde nemen, de zitting te laten bijwonen omdat het slechts ging om een heropening van een verzetszaak na wraking. Daarna heeft verzoeker de rechter gewraakt.
Bij de mondelinge behandeling op 1 oktober 2025 heeft verzoeker toegelicht dat hij de zaak met zaaknummer ARN 24/1980 heeft aangespannen om een kwestie met betrekking tot de btw te willen aankaarten. Volgens verzoeker is de (administratie van de) rechtbank er toen ten onrechte van uitgegaan dat [naam] de belanghebbende was en dat verzoeker optrad namens [naam] en is er ook iets met het griffierecht misgegaan waardoor niet op de inhoud van de zaak is ingegaan. Dat heeft verzoeker bij de rechter in de verzetzaak op de zitting van 21 januari 2025 aan de orde willen stellen. Dat heeft niet geleid tot het door verzoeker gewenste resultaat. Hij heeft toen de rechter gewraakt. Dit wrakingsverzoek is op de zitting van 13 februari 2025 volgens verzoeker ook niet op de juiste wijze behandeld want de voorzitter van de wrakingskamer wilde zich niet uitlaten over de inhoudelijke kwestie. Verzoeker heeft haar toen gewraakt, maar de wrakingskamer heeft dat verzoek volgens hem ten onrechte naast zich neergelegd. Dat betekent dat de zaak dus ook niet weer in handen van de rechter had kunnen worden gelegd en dat de rechter ‘de jure’ dus niet de zitting op 29 augustus 2025 heeft kunnen heropenen. Zij was dus in de zaak van verzoeker niet de bevoegde rechter en dus heeft hij haar ook niet kunnen wraken. Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij het er niet mee eens is dat de rechter geweigerd heeft om toehoorders toe te laten tot de zitting van 29 augustus 2025, terwijl die wel zijn toegelaten tot de zitting van 21 januari 2025.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
Verzoeker stelt dat, omdat de eerdere wrakingskamer ten onrechte zijn wrakingsverzoek naast zich heeft neergelegd, de rechter niet bevoegd was om de zitting van de verzetszaak te heropenen en die zaak verder te behandelen. De beslissing van de wrakingskamer van 13 februari 2025 staat echter in rechte vast. Daarvan moet de wrakingskamer, die over het onderhavige wrakingsverzoek moet beslissen, dus uitgaan. Zij kan zich dus niet buigen over de vraag of de wrakingskamer destijds terecht de beslissing heeft genomen om het wrakingsverzoek naast zich neer te leggen. Als een wrakingsverzoek is afgewezen, moet de hoofdzaak worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Dit volgt uit de artikelen 8:16, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 8:64, derde lid, van de Awb. De rechter moest dus de verzetzaak verder behandelen en heeft dit dus terecht op de zitting van 29 augustus 2025 gedaan.
De wrakingskamer stelt verder vast dat in het proces-verbaal van de zitting van 29 augustus 2025 niet is opgenomen wat de feiten of omstandigheden zijn die aan het verzoek tot wraking ten grondslag zijn gelegd. Ook op de zitting heeft verzoeker geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de rechter vooringenomen was of waaruit blijkt dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd was.
Verzoeker heeft nog naar voren gebracht dat de rechter ten onrechte heeft geweigerd om toehoorders toe te laten tot de zitting van 29 augustus 2025. Dit betreft echter een procesbeslissing. De juistheid van een dergelijke beslissing kan alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Het door verzoeker gestelde haalt deze hoge drempel niet.
Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoeker heeft in deze procedure nu meerdere wrakingsverzoeken gedaan die geen van alle zijn gehonoreerd en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking met een ander doel dan waarvoor het is bedoeld. Het middel van wraking is alleen bedoeld voor een partij die twijfelt over de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van zijn rechter. Verzoeker is echter niet van mening dat de rechter partijdig is; hij is het eenvoudigweg niet eens met de wijze waarop zijn zaak inhoudelijk wordt behandeld. Door steeds op oneigenlijke gronden wrakingsverzoeken in te dienen, maakt verzoeker misbruik van dit middel. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de procedure met nummer ARN 24/1980 niet meer in behandeling zal worden genomen.
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog het volgende. De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker meent dat er in zijn verzetzaak Europeesrechtelijke vragen spelen waarover prejudiciële vragen moeten worden gesteld. Of dit daadwerkelijk zo is, is niet aan de wrakingskamer om te beoordelen. De wrakingskamer toetst alleen of er reden bestaat om te twijfelen aan de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de rechter in de bodemzaak. Een eventuele onjuiste toepassing van het recht vormt hiervoor geen aanwijzing. Er bestaat dan ook geen reden voor de wrakingskamer om te beoordelen of de rechter in de bodemzaak het recht goed toepast en terecht geen prejudiciële vragen stelt. De wrakingskamer is geen appelinstantie.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.