RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/325902-24
Datum uitspraak : 16 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Joegoslavië),
wonende aan de [adres 1], [postcode], in [woonplaats].
raadsman: mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 18 februari 2024 te [plaats 1] in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een Bose geluidsbox type Soundtouch 30 en/of twee gouden munten van Golden Eagle en/of een gouden ring en/of een geldbedrag en/of een bewakingscamera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2.hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats 2], in de gemeente Barneveld, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 3], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, gouden ringen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 9-22;
- het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 23-41;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2025.
Ten aanzien van feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 90-105;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 108-110;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 18 februari 2024 te [plaats 1] in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een Bose geluidsbox type Soundtouch 30 en/of twee gouden munten van Golden Eagle en/of een gouden ring en/of een geldbedrag en/of een bewakingscamera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2.hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats 2], in de gemeente Barneveld, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 3], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, gouden ringen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemd(e) goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en feit 2:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat gelet op de persoonlijke omstandigheden aan verdachte een taakstraf zou moeten worden opgelegd en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak en aan -inklimming. Beide feiten hebben kort na elkaar plaatsgevonden. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het heeft op hen vaak een grote impact en het zorgt voor een beangstigend gevoel om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Daarnaast veroorzaken woninginbraken in het algemeen gezien maatschappelijke onrust en het brengt gevoelens van onveiligheid teweeg. Verdachte heeft zich hier geen rekenschap van gegeven en de diefstallen door braak en inklimming uit eigen financieel belang gepleegd.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 4 februari 2025 blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor het plegen van een woninginbraak, te weten op 14 juni 2024.
Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke taakstraf op van 200 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank wijkt met deze straf af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht het onwenselijk dat verdachte gedetineerd raakt, met mogelijk verlies van zijn huisvesting ten gevolg. Het uitvoeren van een taakstraf zal er – naar de rechtbank hoopt – aan bijdragen dat verdachte meer structuur in zijn dagelijks leven zal ervaren. Daarnaast acht de rechtbank het uit oogpunt van preventie van belang dat verdachte een grote stok achter de deur heeft, om zich ervan te vergewissen dat hij zich in de toekomst bij eventuele financiële, dan wel huisvestingsproblemen, niet wederom schuldig maakt aan strafbare feiten.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.