ECLI:NL:RBGEL:2025:11624

ECLI:NL:RBGEL:2025:11624, Rechtbank Gelderland, 04-06-2025, 086006-24

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 04-06-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 086006-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een taakstraf van 240 uren voor artikel 6 WVW wegens zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijden waarbij aan een persoon zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en rijden onder invloed van alcohol. Daarnaast mag verdachte geen motorrijtuigen besturen voor de duur van 3 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.086006.24

Datum uitspraak : 4 juni 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , ( [postcode] ) in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. L. Janse, advocaat in 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto: merk Audi), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het nacht was en/of terwijl verdachte hoog in zijn emotie zat,

- in strijd met artikel 5.2.27 Regeling Voertuigen heeft gereden met een personenauto terwijl de profilering (van de hoofdgroeven) van de rechter voorband minder dan 1,6 millimeter bedroeg, te weten (ongeveer) 1,4 millimeter en/of

- ( telkens) op een traject met een lengte van (ongeveer) 6 kilometer heeft gereden met snelheden van (ongeveer) minimaal 187 km/uur, althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 120 km/uur, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A1) en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door het bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- zonder te remmen met een snelheid van (ongeveer) 205 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit rijdend ander voertuig (personenauto: merk Kia) en/of

-(vervolgens) is het motorblok van zijn, verdachtes, voertuig (personenauto: merk Audi) losgekomen en/of is deze terechtgekomen op rijstrook 1 en/of

- ( vervolgens) is een ander voertuig (personenauto: merk Tesla) in botsing is gekomen met voornoemd motorblok,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1, terwijl het nacht was en/of terwijl verdachte hoog in zijn emotie zat,

- in strijd met artikel 5.2.27 Regeling Voertuigen heeft gereden met een personenauto terwijl de profilering (van de hoofdgroeven) van de rechter voorband minder dan 1,6 millimeter bedroeg, te weten (ongeveer) 1,4 millimeter en/of

- ( telkens) op een traject met een lengte van (ongeveer) 6 kilometer heeft gereden met snelheden van (ongeveer) minimaal 187 km/uur, althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 120 km/uur, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A1) en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door het bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- zonder te remmen met een snelheid van (ongeveer) 205 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit rijdend ander voertuig (personenauto: merk Kia) en/of

- ( vervolgens) is het motorblok van zijn, verdachtes, voertuig (personenauto: merk Audi) losgekomen en/of is deze terechtgekomen op rijstrook 1 en/of

- ( vervolgens) is een ander voertuig (personenauto: merk Tesla) in botsing is gekomen met voornoemd motorblok,

en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1, terwijl het nacht was en/of terwijl verdachte hoog in zijn emotie zat,

- in strijd met artikel 5.2.27 Regeling Voertuigen heeft gereden met een personenauto terwijl de profilering (van de hoofdgroeven) van de rechter voorband minder dan 1,6 millimeter bedroeg, te weten (ongeveer) 1,4 millimeter en/of

- ( telkens) op een traject met een lengte van (ongeveer) 6 kilometer heeft gereden met snelheden van (ongeveer) minimaal 187 km/uur, althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 120 km/uur, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A1) en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door het bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- zonder te remmen met een snelheid van (ongeveer) 205 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit rijdend ander voertuig (personenauto: merk Kia) en/of

- ( vervolgens) is het motorblok van zijn, verdachtes, voertuig (personenauto: merk Audi) losgekomen en/of is deze terechtgekomen op rijstrook 1 en/of

- ( vervolgens) is een ander voertuig (personenauto: merk Tesla) in botsing is gekomen met voornoemd motorblok,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 maart 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Rijksweg A1 in de gemeente Barneveld. De maximumsnelheid was op dat moment 120 km/u. Verdachte reed in de nacht in zijn personenauto van het merk Audi. Verdachte heeft verklaard dat hij hoog in zijn emotie zat. Hij had zoveel alcohol gedronken dat hij de in het verkeer geldende alcohollimiet had overschreden. Verdachte is onvoldoende blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte. Hij reed dusdanig hard dat hij niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Verdachte is zonder te remmen en met een fors hogere snelheid dan was toegestaan tegen een andere personenauto van het merk Kia gebotst. Vervolgens is het motorblok van de personenauto van verdachte losgekomen en terechtgekomen op rijstrook 1 en is een andere personenauto van het merk Tesla in botsing gekomen met voornoemd motorblok.

Bij het ongeval raakte [slachtoffer] gewond. Hij liep hoofdtrauma, een kneuzing van de eerste vinger van zijn rechterhand en een gebroken ruggenwervel op.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte roekeloos heeft gereden, omdat hij gedurende een langere tijd met een veel te hoge snelheid van gemiddeld 187 km/u heeft gereden en verkeerde onder invloed van alcohol. Het letsel van [slachtoffer] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte gedurende een langere periode te hard heeft gereden, nu de meting op het eerste traject nabij Deventer geen causaal verband oplevert met het verkeersongeval dat later op de A1 ver voorbij Apeldoorn plaatsvond. Daarnaast is niet vast te stellen dat de lagere profieldiepte van de banden van de auto van verdachte heeft bijgedragen aan het ongeluk. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder de eerste twee gedachtestreepjes aan hem tenlastegelegde. Gelet op de overige omstandigheden kan niet worden bewezen dat sprake is van roekeloosheid. Wel kan worden bewezen dat verdachte aanmerkelijk dan wel zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Het letsel van [slachtoffer] is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Snelheid van verdachte en duur van het rijden van die snelheid door verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij fors te hard heeft gereden, maar dat de tenlastegelegde snelheid van 205 km/u voor hem bijna onwerkelijk is. Hij weet niet goed welke snelheid hij precies heeft gereden in de nacht van het ongeval.

Het voertuig van verdachte was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder had events opgeslagen die in verband te brengen waren met het betreffende ongeval (de rechtbank begrijpt: op de A1). De recorder had geregistreerd dat de Audi (de rechtbank begrijpt: van verdachte) voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van 205 à 206 km/u op de snelheidsmeter over de A1 gereden had. De bestuurder gaf daarbij vol gas tot 1 seconde voorafgaand aan de triggering van het EDR-systeem. Daarna werd het gas losgelaten, maar werd geen registratie van de bediening van het rempedaal geregistreerd. De rechtbank heeft geen reden om aan de EDR data te twijfelen en stelt vast dat verdachte direct voor het ongeval met een snelheid van 205 km/u reed.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoelang verdachte al met een dergelijk hoge snelheid over de Rijksweg A1 reed voorafgaand aan het ongeval.

Door de politie zijn de tijd- en locatiegegevens van de smartphone van verdachte uitgelezen. Uit deze gegevens volgt onder meer dat verdachte op het traject van Apeldoorn Zuid tot aan de plaats van het ongeval een snelheid van minimaal 183 km/u heeft gereden. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte al vanaf Apeldoorn Zuid met een te hoge snelheid over de Rijksweg A1 heeft gereden en stelt vast dat verdachte dus een langere periode voorafgaand aan het ongeval te hard reed.

Het door verbalisanten gemeten traject rondom Deventer, waaruit zou blijken dat verdachte met een snelheid van 187 km/u heeft gereden neemt de rechtbank niet mee bij haar beoordeling. Immers valt dit niet binnen de gemeente Barneveld zoals tenlastegelegd. De rechtbank zal dan ook niet nader ingaan op het verweer van de verdediging ten aanzien van deze gegevens.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto onder invloed van alcohol gereden (waarvoor wordt verwezen naar de bewijsoverweging onder feit 2). Daarnaast heeft hij gedurende een langere periode met een hoge snelheid gereden die de aldaar geldende maximumsnelheid fors overschreed. Verdachte is vervolgens met 205 km/u op zijn voorganger gereden, zonder te remmen. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte het ongeval hebben veroorzaakt en dat deze de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.

Zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam

De rechtbank overweegt dat de gedragingen van verdachte onvoldoende zijn om te kunnen spreken van het opzettelijk en in ernstige mate schenden van de verkeersregels en dus onvoldoende om het rijgedrag van verdachte te kwalificeren als roekeloos Roekeloosheid betreft de gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag, waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Daarvan is, zo volgt uit de rechtspraak, slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Alhoewel de gedragingen van verdachte zonder meer aan te merken zijn als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam, zijn deze - mede gelet op het feit dat verdachte midden in de nacht op de snelweg reed en er dus, zo blijkt ook uit het dossier, minder weggebruikers waren dan overdag het geval is - niet aan te merken als roekeloos. De omstandigheid dat verdachte onder invloed was van alcohol, maakt dit oordeel niet anders. De hiervoor overwogen omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden (als hiervoor overwogen) wel tot het oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden.

Het letsel

[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval hoofdtrauma, een kneuzing van de eerste vinger van zijn rechterhand en een gebroken ruggenwervel opgelopen. Bijna één jaar na het ongeval was [slachtoffer] nog steeds aan het revalideren. Hij heeft een beschadigde/kromme wervel in zijn rug overgehouden waar niets aan gedaan kan worden. Zijn werkzaamheden als taxichauffeur kan hij tot op heden nog niet oppakken.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. [slachtoffer] is verhinderd in zijn dagelijkse bezigheden en er is mogelijk sprake van blijvend letsel aan zijn ruggenwervel.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2, primair

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van rijden onder invloed, p. 208 t/m 210;

- het resultaat bloedonderzoek, p. 213 en 214;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2025.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto: merk Audi), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het nacht was en/of terwijl verdachte hoog in zijn emotie zat,

- in strijd met artikel 5.2.27 Regeling Voertuigen heeft gereden met een personenauto terwijl de profilering (van de hoofdgroeven) van de rechter voorband minder dan 1,6 millimeter bedroeg, te weten (ongeveer) 1,4 millimeter en/of

- (telkens) op een traject met een lengte van (ongeveer) 6 kilometer heeft gereden met snelheden van (ongeveer) minimaal 187 km/uur, althans met (aanzienlijk) hogere snelheden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 120 km/uur, in elk geval met (aanzienlijk) hogere snelheden dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden waren en/of

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A1) en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van dat door het bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- zonder te remmen met een snelheid van (ongeveer) 205 km/uur is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem uit rijdend ander voertuig (personenauto: merk Kia) en/of

- (vervolgens) is het motorblok van zijn, verdachtes, voertuig (personenauto: merk Audi) losgekomen en/of is deze terechtgekomen op rijstrook 1 en/of

- (vervolgens) is een ander voertuig (personenauto: merk Tesla) in botsing is gekomen met voornoemd motorblok,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2.hij op of omstreeks 9 maart 2024 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, primair en feit 2, primair:

De eendaadse samenloop van:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,23 milligram)

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en feit 2. Verder is verdachte zijn vorige baan kwijtgeraakt doordat hij zijn werkzaamheden niet meer kon uitvoeren door het ongeval. Hij is daardoor ook in de ziektewet terechtgekomen. Sinds het ongeval drinkt verdachte helemaal geen alcohol meer. Bovendien heeft verdachte psychische hulp gezocht bij de verwerking van zijn verleden. Inmiddels heeft verdachte een nieuwe baan gevonden, maar hij heeft hierbij wel zijn rijbewijs nodig.

Een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf van 240 uur is passend. Daarnaast zou aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaren kunnen worden opgelegd waarvan 2,5 jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd is geweest.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte is in zijn auto gestapt, terwijl hij eerder die avond te veel bier had gedronken. Hij heeft dit bovendien in een zeer emotionele toestand gedaan, nadat hij ruzie had gehad met zijn moeder. Naast dat hij in die toestand ervoor heeft gekozen toch te gaan rijden, omdat hij per se weg wilde, heeft hij veel te hard gereden. Hij heeft niet goed opgelet op de weg en daardoor kon het gebeuren dat hij met een snelheid van 205 km/u in volle vaart op zijn voorganger is gebotst. Als gevolg hiervan is het motorblok van de auto van verdachte losgekomen en op de snelweg terechtgekomen. Twee andere auto’s zijn hierdoor ook bij het ongeval betrokken geraakt. [slachtoffer] , die in één van die twee auto’s zat, heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Dit zijn ernstige strafbare feiten, waarmee verdachte niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook die van de overige verkeersdeelnemers in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft dit ongeval niet opzettelijk veroorzaakt en hij heeft dit ook niet gewild, maar door zijn toedoen heeft het ongeval wel plaatsgevonden. [slachtoffer] zal hoogstwaarschijnlijk de rest van zijn leven last van zijn rug houden.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt hanteren. De vraag die zich vervolgens aandient is of er feiten en omstandigheden zijn die dit uitgangspunt in strafverzwarende of strafverminderende zin kunnen beïnvloeden. Bij de strafoplegging dient de rechtbank daarbij voor ogen te houden dat een aan verdachte op te leggen straf in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van het verkeersgedrag en niet in overwegende mate mag worden ingegeven door de ernst van de gevolgen ervan. Het is de rechtbank duidelijk, mede uit zijn verklaring ter terechtzitting, dat het verkeersongeval ook een grote impact heeft gehad op verdachte. Verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn alcoholgebruik en voor het veroorzaken van het verkeersongeval. Bovendien heeft verdachte psychische hulp gezocht voor het verwerken van zijn verleden en is hij volledig abstinent van alcohol. Van strafverzwarende omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Gelet op het feit dat de rechtbank een lagere schuldgradatie van artikel 6 WVW bewezen acht dan de officier van justitie komt zij tot een lagere straf dan geëist. De rechtbank zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar opleggen en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Ten slotte wordt verdachte voor de duur van 3 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd, eveneens met een proeftijd van 2 jaar.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat deze een onevenredige belasting van het strafproces vormt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Overweging van de rechtbank

De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eén van deze gronden is het oplopen van lichamelijk letsel. Wat de rechtbank betreft staat wel vast dat [benadeelde] lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een bult op zijn scheenbeen. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt echter dat de verzekering al een bedrag ad € 3.000,00 hiervoor heeft vergoed. Bij de vordering tot schadevergoeding zijn verder onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat dit bedrag niet voldoende was voor de compensatie van het door [benadeelde] opgelopen leed. Zo heeft hij geen medische stukken aangeleverd waaruit volgt wat het door hem opgelopen letsel exact inhoudt. Dat betekent dat de gevorderde immateriële schade, mede gelet op het bedrag dat de verzekering ten aanzien van deze schade reeds heeft vergoed, onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de vordering van [benadeelde] dan ook afwijzen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

 wijst de vordering tot smartengeld van de heer [benadeelde] af.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Jansen

Griffier

  • mr. E.W.A. Nabbe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?