RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11948910 \ VV EXPL 25-76
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van
FOLKJE FREDERIKE ALKEMA Q.Q. BESCHERMINGSBEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN MW. [naam 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij in verzet,
gedaagde partij in oppositie,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten,
procederend onder toevoeging: 4QZ0397
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in verzet,
eisende partij in oppositie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J.H. van der Wouden.
1. De procedure
In verstek
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 augustus 2025, met producties,
- het verstekvonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 23 september 2025 (11806596 \ VV EXPL 25-53).
In oppositie
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzetdagvaarding van 3 november 2025, met producties.
- de aanvullende productie van de bewindvoerder van 17 november 2025,
- de akte wijziging van eis van [gedaagde] van 5 december 2025, met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. De bewindvoerder is verschenen, tezamen met de mentor van [naam 1] , mevrouw [naam 2] , en bijgestaan door mr. M.R.A. Rutten. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mevrouw [naam 3] en mr. J.J.H. van der Wouden. De griffier heeft aantekeningen van het verhandelde ter zitting.
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen op 30 december 2025.
2. De feiten
De goederen van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) staan sinds
18 februari 2016 onder beschermingsbewind bij de bewindvoerder. Het bewind is ingeschreven in het CCBR.
[gedaagde] en [naam 1] hebben een ‘zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst’ (hierna: de overeenkomst) gesloten op basis waarvan [gedaagde] per 14 februari 2022 in dienst is getreden bij [naam 1] (PGB budgethouder) in de functie van zorgverlener. Vanaf
1 juli 2024 is [gedaagde] voor onbepaalde tijd in dienst bij [naam 1] en werkzaam voor vier dagen per week, tegen een salaris van € 1.450,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag.
In de overeenkomst staat – voor zover relevant – het volgende:
“(…) Ziekte zorgverlener
Het is belangrijk dat u de ziek- en betermeldingen van uw zorgverlener binnen 24 uur aan ons doorgeeft. Zo kan uw budget worden aangevuld zodat u de vervangende zorgverlener kunt betalen. Een te late melding kan financiële gevolgen voor u hebben.
Werkt de zorgverlener op maximaal 3 dagen per week? Dan heeft hij/zij recht op maximaal 6 weken lang 100% loondoorbetaling bij ziekte.
Werkt de zorgverlener op vier dagen per week of meer? Dan is er recht op maximaal twee jaar lang loondoorbetaling bij ziekte. De eerste 52 weken worden 100% doorbetaald, de laatste 52 weken 70%.
Is de zorgverlener die ziek wordt een vervanger van de vaste zorgverlener? Dan heeft de zorgverlener recht op loondoorbetaling voor de afgesproken duur van de vervanging, tot een maximum van 6 of 104 weken volgens de hierboven genoemde regels (…).
Welke opzegtermijn geldt er?
De budgethouder en de zorgverlener mogen de zorgovereenkomst allebei tussentijds opzeggen. Er geldt een opzegtermijn van tenminste een maand. Bij een dienstverband van meer dan vijf jaar geldt een opzegtermijn van minimaal twee maanden (…).
Wanneer eindigt de overeenkomst per direct en zonder opzegtermijn?
Deze zorgovereenkomst wordt aangegaan onder een ontbindende voorwaarde, wat inhoudt dat de overeenkomst direct eindigt zonder opzegtermijn:
als de budgethouder overlijdt.
als de instantie die het budget verstrekt, beslist dat het recht op een budget stopt zonder toedoen van de budgethouder.
De zorgverlener krijgt een eenmalige uitkering ter hoogte van een gemiddeld maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Er wordt alleen betaald voor zover er nog voldoende budget is. De eenmalige uitkering wordt ongeveer 6 weken na het overlijden van de budgethouder automatisch uitbetaald (…).
Derdenbeding
Indien het zorgkantoor/college het persoonsgebonden budget heeft ingetrokken of heeft herzien, omdat het te veel persoonsgebonden budget heeft verstrekt en dit is veroorzaakt door toerekenbaar handelen van de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg/maatschappelijke ondersteuning/jeugdhulp levert, heeft het zorgkantoor/college een vordering op die persoon. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de persoon, vanwege het toerekenbaar handelen, ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag. Dit beding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van deze overeenkomst van kracht (…)”.
Per 5 augustus 2024 is [gedaagde] ziek. Zij heeft tot 1 december 2024 salaris ontvangen, maar daarna niet meer.
Op 4 december 2024 heeft Myrtax, de mentor van [naam 1] , een e-mail verstuurd naar [gedaagde] waarin zij haar te kennen geeft dat het zorgkantoor de goedkeuring van de zorgovereenkomst tussen haar en [naam 1] met terugwerkende kracht tot
1 januari 2024 heeft ingetrokken.
Bij brief van 23 december 2024 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) van [gedaagde] terugbetaling gevorderd van de betalingen die zij aan haar heeft verricht. Nadat [gedaagde] hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend, heeft de SVB de vordering ingetrokken. De SVB schrijft in de brief van 14 mei 2025 dat “na zorgvuldig onderzoek is gebleken dat de betalingen die zijn verricht zijn gedaan op basis van de zorgovereenkomst en daarom niet als onverschuldigd betaald kunnen worden beschouwd.”
Op 5 juni 2025 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] [naam 1] aangeschreven en verzocht om [gedaagde] met terugwerkende kracht ziek te melden bij de SVB en ervoor te zorgen dat het salaris en de reiskosten van juli en augustus 2024 worden betaald. Diezelfde dag heeft de gemachtigde deze brief ook aan de mentor van [naam 1] gestuurd.
3. De vorderingen van [gedaagde] bij verstek
[gedaagde] vorderde bij de inleidende dagvaarding – samengevat – dat zij (zolang zij ziek is) opgeroepen moet worden door een bedrijfsarts zodat haar ziekmelding in behandeling kan worden genomen, op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag. Daarnaast vorderde zij haar salaris van € 1.450,00 bruto per maand, inclusief vakantiegeld, vanaf 1 december 2024 tot de het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Tot slot vorderde zij de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
[gedaagde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds 5 augustus 2024 ziek is, maar vanaf 1 december 2024, ondanks sommatie daartoe, geen salaris meer heeft ontvangen. Hier heeft zij wel recht op, nu tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat die niet is beëindigd.
De bewindvoerder is niet verschenen, waarna de kantonrechter geoordeeld heeft dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW bestaat, zodat [gedaagde] recht heeft op loon. De vordering tot doorbetaling van het loon tijdens ziekte is toegewezen, inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente. De vordering om de bewindvoerder te veroordelen [gedaagde] bij de SVB ziek te melden is ook toegewezen, onder last van een gematigde dwangsom. Het onderdeel van de vordering dat ziet op terugkeer op de werkplek is afgewezen wegens gebrek aan belang en ook de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan de vereisten van artikel 6:96 BW. De bewindvoerder is veroordeeld in de proceskosten.
4. De vordering van de bewindvoerder en het verweer van [gedaagde] in oppositie
De bewindvoerder vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, haar te ontheffen van de veroordeling uitgesproken bij vonnis van 23 september 2025, met een niet-ontvankelijkheidverklaring van [gedaagde] , dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] zoals vermeld in de inleidende dagvaarding, en met veroordeling van haar in de proceskosten.
De bewindvoerder legt – samengevat – aan de vordering ten grondslag dat de overeenkomst per 31 december 2024 is geëindigd omdat de ontbindende voorwaarde uit de overeenkomst is ingetreden. De zorgovereenkomst is door het Zorgkantoor ingetrokken waardoor het PGB niet meer kan worden aangewend ter betaling van het loon van [gedaagde] .
Om die reden is de bewindvoerder niet gehouden tot het doorbetalen van het loon. De bewindvoerder dient daarom te worden ontheven van de veroordelingen in het verstekvonnis van 23 september 2025.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de bewindvoerder, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] heeft haar vordering bij akte van 5 december 2025 gewijzigd. Allereerst vermeerderd zij haar eis met een bedrag van € 446,00 aan reiskosten voor de maanden juli en augustus 2025. De vordering tot loondoorbetaling vanaf 1 december 2024 wordt gewijzigd in die zin dat vanaf 5 augustus 2025 niet 100% (€ 1.450,00 bruto per maand), maar 70% van het loon (€ 1.050,00 bruto per maand) wordt gevorderd. De vordering tot wedertewerkstelling wordt door [gedaagde] ingetrokken, nu er geen vooruitzicht is dat zij binnen twee jaar zal herstellen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid verzet
Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat de bewindvoerder tijdig en op de juiste wijze in verzet is gekomen, zodat zij daarin ontvankelijk is.
Spoedeisend belang
[gedaagde] ontvangt geen loon meer terwijl zij van dit loon afhankelijk is voor haar levensonderhoud. Aangenomen wordt daarom dat zij een spoedeisend belang heeft bij doorbetaling van het loon.
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van de bewindvoerder in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Kwalificatie overeenkomst
De kantonrechter stelt voorop dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid BW. De overeenkomst is echter van een bijzondere aard, nu die tevens een zorgovereenkomst is. De onderhavige overeenkomst is dus niet een op een vergelijkbaar met een “gewone” arbeidsovereenkomst en, gelet op de verstandelijke beperking van [naam 1] – verkeert de werkgever hier ook niet in een sterkere positie ten opzichte van de werknemer ( [gedaagde] ). Voorts vindt de arbeid plaats in de privéomgeving van de werkgever en heeft deze betrekking op persoonlijke zorg – hetgeen bij een “gewone” arbeidsovereenkomst meestal niet het geval is. Daarnaast is tussen de zorgverlener en werkgever veelal sprake van een niet zakelijke relatie, zoals een familierelatie, of – zo als in dit geval – een vriendschapsrelatie. Dit kleurt de arbeidsovereenkomst en kan van invloed zijn op de toewijsbaarheid van de vorderingen.
Is de overeenkomst beëindigd?
Tussen partijen is (allereerst) in geschil of de overeenkomst is beëindigd. Volgens de bewindvoerder is de overeenkomst op 31 december 2024 beëindigd omdat de ontbindende voorwaarde uit de overeenkomst is ingetreden. Dit wordt door [gedaagde] weersproken.
In het algemeen geldt dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Een voorwaarde die redelijkerwijs niet met dat wettelijk stelsel is te verenigen, kan niet tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst leiden. Dit moet van geval tot geval beoordeeld worden, waarbij het mede aankomt op de aard, inhoud en context van de voorwaarde. Voorts is voor de geldigheid van een ontbindende voorwaarde van belang in hoeverre de werkgever kan uitoefenen op het intreden van de voorwaarde. Deze terughoudende benadering is ingegeven door de voor het arbeidsrecht kenmerkende bescherming van de werknemer als zwakke partij. Echter, in dit geval, waarbij sprake is van een zorgovereenkomst, is de werkgever in de zwakkere, te beschermen partij. De regeling van de zorgovereenkomst en het PGB is niet in het leven geroepen om (mantel)zorgverleners een sterkere positie te verschaffen ten opzichte van de zorgcliënt. De doelstellingen van deze "modernisering" van de AWBZ waren het vergroten van de keuzemogelijkheden, de keuzevrijheid en de zeggenschap van de cliënt.
De bewindvoerder stelt dat de overeenkomst is beëindigd doordat de ontbindende voorwaarde is vervuld. Partijen hebben met deze voorwaarde beoogd overeen te komen dat de arbeidsovereenkomst eindigt zodra de zorgovereenkomst – en daarmee de mogelijkheid tot betaling uit het PGB – vervalt. Per 31 december 2024 heeft het Zorgkantoor de zorgovereenkomst beëindigd omdat [gedaagde] geen vorm van WLZ-zorg leverde. Volgens de bewindvoerder betreft dit een beslissing van het Zorgkantoor, waarop [naam 1] geen invloed kunnen uitoefenen. Verder stelt de bewindvoerder dat de beëindiging van de zorgovereenkomst te wijten is aan het handelen van [gedaagde] zelf, nu zij fraude zou hebben gepleegd door ten onrechte te verklaren dat zij zorg leverde terwijl dit niet het geval was. Nu de zorgovereenkomst is beëindigd, is de ontbindende voorwaarde vervuld omdat het PGB niet langer kan worden aangewend voor betaling van het loon aan [gedaagde] .
[gedaagde] betwist dat de ontbindende voorwaarde is vervuld en dat de overeenkomst is beëindigd. Het enkele beëindigen van de zorgovereenkomst brengt volgens haar niet mee dat ook de arbeidsovereenkomst is beëindigd, omdat [naam 1] nog recht heeft op PGB en dit budget ook nog ontvangt. Daarnaast betwist [gedaagde] dat de zorgovereenkomst is beëindigd door haar eigen handelen, laat staan dat zij zou hebben gefraudeerd. Zij voert aan dat [naam 1] tijdens een huisbezoek tegenover medewerkers van het Zorgkantoor heeft verklaard dat [gedaagde] geen zorg meer leverde maar “slechts op de koffie kwam”, hetgeen door [gedaagde] is betwist. Niettemin heeft deze verklaring aanleiding gevormd voor de beëindiging van de zorgovereenkomst. Volgens [gedaagde] volgt hieruit dat [naam 1] invloed heeft gehad op de beëindiging van de zorgovereenkomst, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van een geldige ontbindende voorwaarde die tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de ontbindende voorwaarde niet in strijd is met het stelsel van het arbeidsrecht, dat deze is vervuld en dat de aldus overeenkomst per 31 december 2024 is beëindigd. Het volgende is daartoe redengevend.
De ontbindende voorwaarde past in dit geval binnen het gesloten stelsel van het ontslagrecht. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst van bijzondere aard, die onlosmakelijk is verbonden met zorgverlening die wordt gefinancierd uit PGB. De mogelijkheid tot loonbetaling is afhankelijk gesteld van het voortbestaan van die financiering. Nu betaling van het loon uit het PGB voor de zorgverlening door [gedaagde] niet langer mogelijk is door de beëindiging van de zorgovereenkomst, is een kernvoorwaarde waaronder de arbeidsovereenkomst was aangegaan komen te vervallen. De beëindiging van de zorgovereenkomst berust op een besluit van het Zorgkantoor, dat daartoe exclusief bevoegd is. Deze beslissing ligt in beginsel buiten de invloedssfeer van [naam 1] , nu dit een publiekrechtelijke beoordeling betreft over het al dan niet mogen aanwenden van publieke middelen voor de betreffende zorgverlening. Voorshands is niet vast komen te staan dat [naam 1] een zodanige mate van invloed heeft gehad op het intreden van de ontbindende voorwaarde. Dat [naam 1] tijdens een huisbezoek haar visie heeft gegeven op de feitelijke zorgverlening door [gedaagde] , maakt dit niet anders. De stelling van [gedaagde] dat [naam 1] geen beroep op de ontbindende voorwaarde zou toekomen indien zij daarmee zou hebben beoogd om door de beëindiging van de zorgovereenkomst van de arbeidsovereenkomst af te komen kan buiten beschouwing blijven omdat daarvan niet is gebleken. Resumerend is de kantonrechter dan ook voorshands van oordeel dat de ontbindende voorwaarde, gelet op haar aard, inhoud en context, niet onverenigbaar is met het wettelijk stelsel van het arbeidsrecht en dat de voorwaarde per 31 december 2024 is ingetreden. De overeenkomst tussen partijen is dus beëindigd en [gedaagde] heeft vanaf 1 januari 2025 geen recht op loon, zodat haar vorderingen niet kunnen worden toegewezen.
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzet gegrond is. De kantonrechter zal het verstekvonnis daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
Proceskosten
Gezien de onderlinge verhoudingen tussen partijen en de overige omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat ieder partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De kantonrechter
verklaart het door de bewindvoerder ingestelde verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, van 23 september 2025 (met kenmerk 11806596 \ VV EXPL 25-53) en, opnieuw rechtdoende, wijst de vordering van [gedaagde] af;
compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
31608/61525