RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/020115-25
Datum uitspraak : 17 juli 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan de [adres], ([postcode]) [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. L.S. Wachters, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juli 2025.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Arnhem met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer];
feit 2
hij op of omstreeks 27 mei 2023 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten
- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer],
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- ( zonder enige vorm van voorafgaande verbale en/of non-verbale communicatie) zomaar seksuele handelingen bij die [slachtoffer] heeft verricht terwijl zij sliep en/of waarop zij (vervolgens) wakker werd en/of
- ( vervolgens) verder is gegaan door het verrichten van bovengenoemde seksuele handelingen nadat die [slachtoffer] wakker was geworden, maar terwijl hij, verdachte, dacht dat zij nog in slapende toestand verkeerde en/of
- ( hierbij) bovengenoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht, waardoor die [slachtoffer] in haar ontwakende toestand hierdoor werd overrompeld en/of
- ( hierbij) misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht en/of van het feit dat die [slachtoffer] in bed lag en/of zich in een slapende en/of (vervolgens) ontwakende toestand bevond en/of
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer] zich niet kon en/of durfde te onttrekken aan die situatie en/of zich niet kon en/of durfde te verzetten tegen bovengenoemde seksuele handelingen.
2. De standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van verdachte onbetrouwbaar is. Hij heeft eerst gezwegen en pas toen hij het dossier ontving een verklaring afgelegd. Verder zijn er essentiële onderdelen in de verklaring van verdachte die niet passen bij de objectieve bevindingen, waaronder het feit dat verdachte zegt dat hij met zijn penis niet in de vagina van aangeefster is geweest, terwijl er DNA van verdachte diep vaginaal bij aangeefster is aangetroffen. De objectieve bevindingen sluiten wel aan bij de verklaring van aangeefster. Daarnaast is de verklaring van aangeefster betrouwbaar omdat zij consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Haar verklaring vindt ondersteuning in de verklaringen van haar moeder, de verklaringen van de anderen in de woning, het 112-gesprek en het NFI-rapport.
De officier van justitie komt tot de volgende conclusies. Verdachte was ervan op de hoogte dat aangeefster sliep, omdat zij haar ogen dicht had en er door haar niet werd gepraat. Hij is zonder enige communicatie gestart met seksuele handelingen terwijl aangeefster sliep en dus in een toestand van lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn verkeerde, waarmee het ten laste gelegde feit 1 is bewezen. Bovendien heeft hij hiermee een situatie gecreëerd waardoor aangeefster zich vervolgens, nadat zij wakker werd, ook niet meer aan de seksuele handelingen durfde en kon onttrekken. Hierdoor is er sprake van andere feitelijkheden in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht en is het ten laste gelegde feit 2 eveneens bewezen.
De verdediging
De raadsvrouw heeft voor integrale vrijspraak gepleit. Verdachte geeft aan dat aangeefster die avond signalen gaf dat ze openstond voor seks. Hij masseerde haar voeten en ging met zijn handen omhoog. Zij sliep niet en maakte geluiden waardoor verdachte het idee kreeg dat zij het fijn vond en daarom is hij doorgegaan haar met zijn vingers aan te raken en heeft hij haar vervolgens gevingerd.Het eerste feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte ontkent nadrukkelijk dat aangeefster sliep. Er zit geen steunbewijs in het dossier voor het feit dat zij sliep, enkel de verklaring van aangeefster. Dit slapen ofwel deze toestand van lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn van aangeefster is een cruciaal onderdeel van het tenlastegelegde strafbare feit, waardoor voor het bewijs voor deze toestand moet worden voldaan aan het bewijsminimum. Hierbij wijst de verdediging op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2021:6006).
Het tweede feit kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen. Er is geen sprake geweest van ‘onverhoeds handelen’ bij het likken van de vagina van aangeefster door verdachte en het brengen van zijn penis in de vagina van aangeefster nadat het vingeren had plaatsgevonden. Aangeefster was op dat moment wakker, waardoor die handelingen niet als onverhoeds kunnen worden aangemerkt. Aangeefster verklaarde dat het vingeren best een tijdje duurde, waardoor zij daarna niet meer in ontwakende toestand is overrompeld. Verder had verdachte geen fysiek overwicht en dit blijkt ook niet uit de verklaring van aangeefster.
Tot slot moeten, om van dwang te kunnen spreken, de seksuele handelingen niet of nauwelijks te vermijden zijn. De door verdachte uitgeoefende dwang moet van voldoende kaliber zijn om de weerstand te breken. Er is niet gebleken van dwang van zodanig kaliber dat het onvermijdelijk was voor aangeefster om zich aan de handelingen te onttrekken. Daarbij komt dat zodra aangeefster ‘hou op’ of ‘ga weg’ mompelde, verdachte meteen stopte. Aangeefster noemde het een rare poging tot seks. De toedracht zoals die blijkt uit de verklaring van verdachte is hiermee niet uitgesloten.
3. Vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken vaak slechts twee personen, het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader, bij de verweten seksuele gedragingen aanwezig zijn geweest. Dit maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van de afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft. Dit geldt ook in deze zaak. De rechtbank overweegt dat zij geen reden ziet te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. Haar verhaal is authentiek, betrouwbaar en wordt op meerdere punten ondersteund door de verklaringen van de zogenoemde disclosure-getuige, het 112-gesprek en het NFI-rapport.
In zowel de verklaringen van verdachte als de verklaringen van aangeefster wordt uitgegaan van seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden op een bank. De verklaringen lopen echter uiteen over de instemming van aangeefster en de staat waarin zij verkeerde. Verdachte verklaart dat aangeefster wakker was en dat er sprake was van seks met wederzijdse instemming. Aangeefster heeft echter verklaard dat zij door verdachte werd overrompeld in haar slaap door de seksuele handelingen en zij daar niet mee instemde. Zij heeft verklaard dat zij daarna deed alsof zij sliep, terwijl verdachte doorging met de seksuele handelingen.
Desondanks kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat sprake is geweest van strafbaar handelen door verdachte. De rechtbank zal hieronder per feit toelichten waarom zij niet tot die vaststelling komt.
feit 1 Evenals de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de toestand van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht van aangeefster een cruciaal bestanddeel is van het tenlastegelegde strafbare feit. Immers, of sprake was van die die toestand, in dit geval hetzij een diepe slaap of een sluimering die daaraan voorafgaat, is essentieel voor de vraag of sprake is van het strafbare handelen dat als feit 1 ten laste is gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het bewijsminimum van toepassing en kan voor de vaststelling van genoemde toestand niet worden volstaan met slechts één bewijsmiddel. Naast de verklaring van aangeefster dient derhalve steunbewijs voorhanden te zijn. Dat is niet het geval. De overige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting bieden geen steun voor de gestelde slapende (of sluimerende) toestand of anderszins een staat van verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht van aangeefster ten tijde van de onder feit 1 genoemde handelingen van verdachte. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen dat daarvan sprake was.
Daarmee kan het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig worden bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.
feit 2 Van verkrachting is sprake wanneer iemand door geweld of een andere feitelijkheid (of bedreiging daarmee) is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Uit geen van de bewijsmiddelen in deze zaak volgt dat sprake is geweest van geweld of bedreiging met geweld van de zijde van verdachte. De vraag is vervolgens of aangeefster door andere feitelijkheden is gedwongen tot het ondergaan van handelingen die onder meer hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Die andere feitelijkheden bestaan er volgens de tenlastelegging onder feit 2 - kort gezegd - uit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het feit dat aangeefster sliep en dat hij, nadat zij wakker werd, dacht dat zij nog in slapende toestand verkeerde. Verdachte zou hiermee aangeefster in haar ontwakende toestand hebben overrompeld en een zodanige situatie hebben gecreëerd dat zij zich niet kon of durfde onttrekken aan of verzetten tegen de seksuele handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee ook voor bewezenverklaring van dit feit cruciaal of aangeefster in slapende of ontwakende toestand verkeerde ten tijde van de onder feit 2 tenlastegelegde handelingen van verdachte, nu bij gebreke van die toestand geen sprake is van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Evenals bij het eerste feit geldt dat het bewijsminimum van toepassing is. Enkel op grond van de verklaring van aangeefster kan niet worden vastgesteld dat zij in een slapende dan wel ontwakende toestand verkeerde. Nu, zoals hiervoor al is overwogen, voor deze toestand geen steunbewijs voorhanden is en evenmin uit de bewijsmiddelen blijkt van (misbruik van) fysiek overwicht van verdachte op aangeefster of het anderszins creëren van een bedreigende of beangstigende situatie door verdachte kan de dwang en daarmee de verkrachting niet worden bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het tweede ten laste gelegde feit.
4. De beslissing
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.