RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/408226-24
Datum uitspraak : 17 juli 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] (PPC).
Raadsvrouw: mr. S. van de Voorde, advocaat in Middelburg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te [plaats] (in een kamer van een woongroep en/of
-instelling) opzettelijk brand heeft gesticht door (de vlam van) een lucifer, althans open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes en/of een kussen en/of een deken en/of een matras, in ieder geval met (een) brandbare) stof(fen), terwijl daarvan gemeen gevaar voor
goederen, te weten een of meer goederen in verdachtes kamer en/of een of meer andere (in het pand aanwezige) goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een of meer in het pand aanwezige) cliënten en/of medewerkers van [woongroep] , te duchten was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [woongroep] , p. 49 t/m 51;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 13 en 14;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2025.
Vrijspraak gevaar voor personen
Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er bij de brandstichting gevaar is geweest voor personen. De brand werd gesticht in een nieuw pand waar de brand zich niet snel kon verspreiden. Daarnaast was er weinig rookontwikkeling. Verdachte heeft voorts zelf het vuur geblust met water. Hij heeft ook de goederen, die hij in brand had gestoken en vervolgens had geblust, uit de woning gegooid. De brandweer heeft geen bluswerkzaamheden hoeven verrichten. Derhalve wordt verdachte vrijgesproken van de delictsbestanddelen: ‘en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een of meer in het pand aanwezige) cliënten en/of medewerkers van [woongroep] ’.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te [plaats] (in een kamer van een woongroep en/of
-instelling) opzettelijk brand heeft gesticht door (de vlam van) een lucifer, althans open vuur in aanraking te brengen met een of meer aanmaakblokjes en/of een kussen en/of een deken en/of een matras, in ieder geval met (een) brandbare) stof(fen), terwijl daarvan gemeen gevaar voor
goederen, te weten een of meerdere goederen in verdachtes kamer en/of een of meer andere (in het pand aanwezige) goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een of meer in het pand aanwezige) cliënten en/of medewerkers van [woongroep] , te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van voorarrest. De officier van justitie vordert daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De officier van justitie sluit zich aan bij de conclusie van de deskundige van het NIFP om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten en heeft daarmee rekening gehouden bij de strafeis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de op te leggen gevangenisstraf gelijk te stellen aan het voorarrest gelet op vergelijkbare uitspraken. Hierbij wordt van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie uitgegaan vanwege de bepleitte partiële vrijspraak van het gevaar voor personen. De focus moet komen te liggen op behandeling. Mocht de detentieperiode aflopen voordat er een plek beschikbaar is in een FPA, zal voor een overbruggingsplek moeten worden gezorgd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte was woonachtig in een beschermd wonen instelling van [woongroep] en heeft daar brand gesticht. Dit gebeurde bij een poging om suïcide te plegen. Ondanks dat verdachte zelf de brand heeft geblust met water , zijn er goederen van de instelling vernield. Ook zijn de inwoners van de instelling behoorlijk geschrokken. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat verdachte de brand heeft gesticht als wanhoopsdaad om zichzelf te verstikken met de geproduceerde rook. Verdachte heeft spijt betuigd en stelt zich open voor hulpverlening.
Persoonlijke omstandigheden
Op 7 mei 2025 heeft het NIFP een Pro Justitia-rapportage opgemaakt. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis als gevolg van ernstige affectieve verwaarlozing en zeer onveilige omstandigheden waarin hij is opgegroeid. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. In de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde stond de draagkracht van verdachte fors onder druk. De suïcidale gedachten en de angst voor verlating/afwijzing waren aanwezig, zodanig dat verdachte besloot brand te stichten en zo rook te ontwikkelen opdat hij zou stikken. Uit het feit dat verdachte het vuur snel weer heeft uitgemaakt valt op te maken dat hij nog enige controle had over zijn handelen. De deskundige adviseert om het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen
De reclassering heeft op 4 juni 2025 geconcludeerd dat niet gesproken kan worden van een delictpatroon. De reclassering ziet een kwetsbare man voor wie passende hulpverlening moet worden opgetuigd. Verder sluiten zij aan bij hetgeen geadviseerd is in het Pro Justitia-rapport. De reclassering schat de kans op recidive als gemiddeld in. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, opname in een zorginstelling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot kortdurend klinische opname), dagbesteding, drugsverbod, alcoholverbod en een locatieverbod zonder elektronische monitoring.
De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de reclassering en de Pro Justitia-rapportage over en maakt die tot de hare. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
De straf
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt en de door haar op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 420 dagen, waarvan 214 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Hierbij worden de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering opgelegd, met uitzondering van het locatieverbod. De rechtbank ziet geen noodzaak tot het opleggen van een locatieverbod nu verdachte zichzelf van het leven wilde beroven met de brandstichting en de brandstichting niet gericht was tegen de instelling of personen. Het voorwaardelijk strafdeel dient als een forse stok achter de deur om verdachte ertoe te bewegen zich open te blijven stellen voor hulpverlening en niet opnieuw terug te grijpen naar strafbaar gedrag als wanhoopsdaad.
Verdachte heeft zich bij eerdere veroordelingen schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, gelet op die eerdere veroordelingen en het potentiële gevaar voor personen bij het onderhavige feit als verdachte niet zelf de brand had geblust, weer een dergelijk misdrijf zal begaan, gelet op de hierboven beschreven forse problematiek van verdachte. De rechtbank wijst er daarbij op dat het verdachtes nadrukkelijke wens is om zo spoedig mogelijk geholpen te worden. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 420 (vierhonderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.