RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/458160 / KG RK 25-770
Beschikking van 21 november 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: verzoeker,
tegen
mr. M.D.R. Joppe,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 oktober 2025 met producties;
- de aanvulling hierop van 16 oktober 2025 met producties;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 27 oktober 2025;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 10 november 2025, waarbij verzoeker gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen.
Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en de rechter beiden verschenen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11714319 CV EXPL 25-1629 tussen verzoeker als eisende partij en [belanghebbenden] en [belanghebbenden] als gedaagde partijen.
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek een drietal gronden ten grondslag en licht deze gronden bij de behandeling van het wrakingsverzoek nader toe. De eerste grond betreft de mededeling van de griffier in het e-mailbericht van 14 oktober 2025 dat voor verstekverlening geen aanleiding is. Volgens verzoeker is deze mededeling niet juist en is de rechter verantwoordelijk voor deze mededeling. De rechter gaat er volgens verzoeker aan voorbij dat het hier gaat om een analoge procedure waarin alle gedingstukken schriftelijk en ondertekend moeten worden ingediend. Dat is hier niet gebeurd, zodat van een juiste en tijdige indiening van zowel de stelbrief van 22 mei 2025 als de akte van 1 augustus 2025 geen sprake is. Daarnaast kon er op dat moment nog geen beslissing over het al dan niet verlenen van verstek worden genomen, omdat de volgens artikel 139 Rv voorgeschreven termijnen en formaliteiten niet in acht zijn genomen en er twijfel bestond over de absolute bevoegdheid van de kantonrechter.De tweede grond is dat verzoeker er in zijn processtukken steeds vanuit is gegaan dat er op enig moment verstek zou moeten worden verleend, te meer nu de griffie hem had verteld dat er alleen een akte op 8 augustus 2025 was ingediend en dit dus te laat is. Volgens verzoeker worden er door de rechter steeds in het voordeel van de wederpartij processtukken geaccepteerd die niet tijdig of niet op de juiste wijze zijn ingediend. Hierdoor wordt hij ten opzichte van de wederpartij achtergesteld. De derde grond betreft de wijze waarop is omgegaan met zijn uitstelverzoek. Voor de rolzitting van 3 oktober 2025 heeft hij om uitstel verzocht voor het indienen van een akte omdat hij nog niet over het volledige dossier beschikte. Hij miste namelijk de akte van de wederpartij van 16 september 2025. Omdat hij niet op tijd uitsluitsel kreeg over het door hem verzochte uitstel, heeft hij noodgedwongen op 5 oktober 2025 toch een akte ingediend. Daarin heeft hij opgenomen dat hij, indien er geen verstek zou worden verleend, alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn akte aan te vullen nadat hem de ontbrekende stukken uit het procesdossier zouden zijn verstrekt. Zonder hier verder acht op te slaan heeft de griffier namens de rechter in het e-mailbericht van 14 oktober 2025 zijn akte van 5 oktober 2025 als tijdig ingediend beschouwd. Daarmee is hem geen gelegenheid gegeven om deze akte aan te vullen.
Deze drie gronden leiden er volgens verzoeker toe dat hij geen eerlijk proces krijgt en dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden, waardoor (de schijn van) partijdigheid is ontstaan. Verzoeker stelt ook dat deze partijdigheid zich zal voortzetten, nu de rechter in zijn laatste tussenvonnis heeft opgenomen dat de wederpartij na de behandeling van het incident nog de mogelijkheid krijgen een conclusie van antwoord te nemen, terwijl dit in strijd is met artikel 128 lid 3 Rv.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
De beslissingen om wel of geen verstek te verlenen en om (proces)stukken als tijdig en op een correcte wijze ingediend te beschouwen zijn procesbeslissingen. Procedurele beslissingen kunnen als zodanig in beginsel geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt niet de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan in beginsel geen grond voor wraking opleveren. Dit is slechts anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in die motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is de wrakingskamer, voor zover deze beslissingen al aan de gewraakte rechter kunnen worden toegerekend, met inachtneming van het verweer en de toelichting van de rechter, niet gebleken.
Het verwijt van verzoeker dat zijn verzoek om uitstel in de akte van 5 oktober 2025 niet is gehonoreerd, kan evenmin grond voor wraking opleveren. Daargelaten dat uit het
e-mailbericht van 14 oktober 2025 niet kan worden afgeleid dat daar al een beslissing op was genomen, leidt dit niet tot de conclusie dat sprake is van een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van deze rechter.
Ditzelfde heeft te gelden voor hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van de mogelijkheid van een latere indiening van een conclusie van antwoord. Deze beslissing is, zoals de rechter in zijn verweer heeft opgenomen, nog niet genomen, zodat dit geen grond voor wraking kan opleveren.
In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter opgenomen dat een aantal zaken niet goed is gelopen, zoals onder andere de doorzending naar eiser van een aantal stukken van de wederpartij. Deze zaken kunnen echter niet leiden tot een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter.
De wrakingskamer komt daarmee tot de slotsom dat uit wat verzoeker naar voren heeft gebracht niet blijkt van vooringenomenheid van de rechter, zodat het verzoek tot wraking wordt afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.