RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/448523 / HA RK 25-25
Beschikking van 13 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mrs. M. Ouhadou en W.M. van der Velden,
tegen
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende]
advocaat: mr. E.P.M. Smit.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 27 maart 2025,
- de akte houdende reactie op de voorlopige beslissing van de rechtbank van [verzoeker] ,
- de brief van 15 april 2025 van de advocaat van [belanghebbende]
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Bij tussenbeschikking van 27 maart 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor (artikel 186 lid 1 Rv (oud)). In die tussenbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van het geldende overgangsrecht artikel 196 lid 1 Rv van toepassing is, welk artikel bepaalt dat een voorlopige bewijsverrichting kan worden bevolen voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven. Omdat tussen partijen al sinds 18 juli 2024 een zaak aanhangig is dient [verzoeker] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de voorgenomen beslissing.
[belanghebbende] heeft verklaard zich te kunnen vinden in hetgeen de rechtbank voornemens is te beslissen. [verzoeker] echter niet. Hij voert aan dat hij er belang bij heeft om [belanghebbende] in een getuigenverhoor te horen, omdat hij vermoedt dat [belanghebbende] zich niet realiseert welke vorderingen namens hem bij dagvaarding zijn ingesteld. [verzoeker] herhaalt hetgeen hij in het verzoekschrift heeft gesteld; het onderhavige verzoek is onlosmakelijk verbonden met de reeds voor 1 januari 2025 aanhangig gemaakte dagvaardingsprocedure. De mogelijkheden die het nieuwe bewijsrecht biedt staan in die procedure niet ter beschikking van [verzoeker] Gelet op voornoemd belang is volgens [verzoeker] onwenselijk dat hij tussen wal en schip valt, om welke reden het verzoekschrift in deze zaak is ingediend. Van de mogelijkheid om op de mondelinge behandeling de ontvankelijkheid te bespreken ziet hij af. [verzoeker] merkt ten slotte op dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek in het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is. [verzoeker] zal dan de rechtbank in de dagvaardingsprocedure verzoeken om [belanghebbende] te horen.
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden om anders te beslissen dan zij zich in de tussenbeschikking heeft voorgenomen. Zoals reeds geoordeeld in de tussenbeschikking, is op grond van het overgangsrecht het bewijsrecht van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 januari 2025 en dient daarom artikel 196 lid 1 Rv te worden toegepast. Toepassing van dat artikel leidt ertoe dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat er, kort gezegd, reeds een dagvaardingsprocedure aanhangig is tussen partijen. Dat [verzoeker] er belang bij heeft dat het onderhavige verzoek wordt toegewezen, maakt niet dat de rechtbank tot een andere beslissing kan komen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor (artikel 186 lid 1 Rv (oud)).
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2025.
1547 / 1496